Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:462

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
15/02633
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:127, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. De bij de aanvraag gevoegde brief van de Divisie Registratie en Informatie geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, t.w. dat de aanvrager ten tijde van de overtreding waarop de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd betrekking heeft, beschikte over een geldig rijbewijs. Dit gegeven levert het ernstige vermoeden op dat de Kantonrechter, ware deze daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/473
SR-Updates.nl 2016-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2016

Strafkamer

nr. S 15/02633 H

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam van 17 juni 2004, nummer 10/280439-03, ingediend door P. Scholte, advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel: WVW94 107/1" veroordeeld tot een geldboete van € 220,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, en 1 week hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2 De aanvraag tot herziening

2.1.

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2.

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de aanvrager ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding wel over een geldig rijbewijs beschikte.

3 De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2.

De aanvrager is bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs op 23 maart 2003, zulks - naar hij betoogt - ten onrechte. In dat verband verwijst hij naar een bij de aanvraag gevoegde brief van de Divisie Registratie en Informatie van 23 augustus 2013 die inhoudt dat op 6 januari 1999 een rijbewijs dat geldt voor motorrijtuigen van categorie B, is afgegeven aan [aanvrager] (geboren [geboortedatum]-1978).

4.3.

Die brief geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat de aanvrager ten tijde van de overtreding waarop de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd betrekking heeft, beschikte over een geldig rijbewijs. Dit gegeven levert het ernstige vermoeden op dat de Kantonrechter, ware deze daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

5 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;

beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Kantonrechter;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2016.

Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.