Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:422

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
14/04111
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:2530, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10 Wet BPM (tekst 2012); art. 110 VWEU. Heffing bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto waarbij de mate van de vermindering van bpm - wegens de gebruikte staat ervan - is bepaald met toepassing van een koerslijst; gedeeltelijke terugbetaling van bpm op de grond dat bij bezwaar een andere koerslijst is overgelegd waarbij de waarde van de auto lager is getaxeerd en aan die taxatie dezelfde gegevens ten grondslag liggen als die bij de eerste koerslijst zijn gebruikt en waarvan bij de voldoening van bpm op aangifte is uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/17.25 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/602
BNB 2016/143 met annotatie van B.A. van Brummelen
FutD 2016-0694 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/1181 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 maart 2016

nr. 14/04111

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 juli 2014, nrs. BK-13/01282 en BK-13/01295, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 26 juli 2013 (nr. SGR 12/5956) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in maart 2012 een vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie naar Nederland overgebrachte, gebruikte personenauto (hierna: de auto) doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. In verband met die registratie heeft zij daaraan voorafgaand, op 13 maart 2012, op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Bij de berekening van de voor de auto verschuldigde bpm heeft belanghebbende de in artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2012; hierna: de Wet) bedoelde vermindering van bpm bepaald aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland als bedoeld in artikel 10, lid 7, eerste volzin, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8, lid 5, letter a, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst tot 1 juli 2012; hierna: de Uitvoeringsregeling bpm).

2.1.2.

De auto is volgens de aangifte in het buitenland voor het eerst op 21 juni 2011 in gebruik genomen. Aan de hand van een koerslijst van Autotelex B.V. (hierna: de Autotelex-koerslijst) heeft belanghebbende de waarde van de auto ten tijde van het doen van de aangifte bepaald op € 25.906 en het afschrijvingspercentage voor de auto op 34,14. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende de te betalen bpm berekend op € 4689, en dat bedrag op aangifte voldaan.

2.1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het hiervoor in 2.1.2 bedoelde, voldane bedrag aan bpm en verzocht om teruggaaf van een gedeelte van het op aangifte voldane bedrag aan bpm op de grond dat naar haar mening het met behulp van de Autotelex-koerslijst bepaalde afschrijvingspercentage te laag is. Belanghebbende wilde het afschrijvingspercentage van de auto bepalen volgens een koerslijst van XRAY Auto B.V. (hierna: de XRAY-koerslijst). Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift gesteld dat de volgens de XRAY-koerslijst vastgestelde waarde van de auto ten tijde van het doen van de aangifte € 23.778 was. Uitgaande van deze waarde heeft belanghebbende de te betalen bpm berekend op € 4304, hetgeen zou moeten resulteren in een teruggaaf van € 385.

2.1.4.

De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat belanghebbende ingevolge artikel 10, lid 7, van de Wet niet kan terugkomen van de wijze waarop zij ten tijde van het doen van de aangifte voor de bpm de afschrijving van de auto heeft bepaald.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van het Hof is het binnen de opzet van de heffing van bpm niet mogelijk na het doen van de aangifte in de bezwaar- of de beroepsfase alsnog een andere methode ter bepaling van de afschrijving te kiezen, of uit te gaan van gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt. In dit verband heeft het Hof in aanmerking genomen dat de XRAY-koerslijst uitgaat van een andere catalogusprijs en andere (bedragen voor de) opties en van een andere calculatiedatum of peildatum voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van het voertuig, welke afwijkende opties en bedragen bij de in de aangifte weergegeven berekening niet aan de orde zijn geweest. Omdat het desbetreffende motorrijtuig inmiddels in gebruik is genomen en uit het zicht van de inspecteur is, en achteraf schouwen van dat motorrijtuig geen zin meer heeft omdat voor de mate van afschrijving de staat van de personenauto ten tijde van de registratie bepalend is, biedt de Wet, aldus het Hof, geen mogelijkheid gegevens die niet zijn gebruikt voor het vaststellen van de bij de aangifte toegepaste afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, in een later stadium alsnog te gebruiken voor het wijzigen van de bij de aangifte toegepaste afschrijving.

Indien en voor zover als gevolg van het bepaalde in artikel 10, lid 7, van de Wet sprake is van beperking van de rechtsbescherming heeft de wetgever, aldus het Hof, in redelijkheid kunnen oordelen dat de uitvoerbaarheid van de Wet voor die beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt. Het aanbrengen van deze beperking behoort tot de bevoegdheid van de nationale wetgever en komt naar het oordeel van het Hof niet in strijd met het recht van de Europese Unie.

2.3.

De klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2 omschreven oordelen van het Hof en houden kort gezegd in dat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet in strijd is met het recht van de Unie, in het bijzonder met artikel 110 VWEU en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel of voorrangsbeginsel, omdat vanwege die bepaling niet is gewaarborgd dat in geen geval een uit een andere lidstaat overgebrachte, gebruikte auto wordt belast naar een hoger bedrag aan bpm dan het bedrag aan bpm dat rust op een gelijksoortig reeds in het binnenland geregistreerd voertuig. De klachten voeren in dat verband aan dat uit de vastgestelde feiten en de tot het geding behorende gebezigde bewijsmiddelen bij het Hof volgt dat de volgens de Autotelex-koerslijst getaxeerde waarde uitgaat van een calculatiedatum van 16 maart 2012 en de XRAY—koerslijst van een calculatiedatum van 17 maart 2012, en dat in beide koerslijsten de consumentennieuwprijs inclusief opties van de auto is bepaald op € 39.335. De Rechtbank heeft daarom terecht, aldus de klachten, op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar beslist dat van andere gegevens in de zin van artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet geen sprake is.

2.4.1.

Met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt ingevolge artikel 10, lid 1, van de Wet voor de berekening van de verschuldigde bpm een vermindering toegepast. Deze vermindering wordt ingevolge artikel 10, lid 2, van de Wet gevormd door de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. In dit artikellid is voorts bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de inkoopwaarde in Nederland en de op deze waarde gebaseerde afschrijving kunnen worden vastgesteld.

Artikel 10, lid 7, van de Wet schrijft voor dat bij de aangifte een opgaaf wordt gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Ingevolge artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet kunnen gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen, niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.

Van belang is in dit verband voorts het bepaalde in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling bpm, waarin is voorgeschreven wat de opgaaf, bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet inhoudt. Ingevolge dit artikellid bestaat die opgaaf uit overlegging van een kopie van de passage uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet is ontleend dan wel het bij de aangifte gebruikte taxatierapport dat is opgemaakt over de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert en waaruit de waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door de wederverkoper in Nederland.

2.4.2.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in artikel 10, lid 7, van de Wet ertoe strekt tegen te gaan dat met het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een op aangifte voldaan bedrag aan bpm aanspraak wordt gemaakt op een hogere vermindering in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet (en daarmee op een teruggaaf van bpm) met behulp van gegevens die verband houden met de staat waarin het motorrijtuig verkeerde ten tijde van het op aangifte voldoen van de bpm en welke gegevens niet waren overgelegd bij die aangifte of wel waren overgelegd maar niet zijn gebruikt voor het berekenen van de verschuldigde bpm. Zodoende wordt volgens de wetgever de inspecteur in staat gesteld zich volledig te richten op de controle van de aangifte en de daarbij gekozen wijze voor vaststelling van de afschrijving, en behoeft hij geen aandacht te besteden aan gegevens die wellicht van belang waren geweest als de belastingplichtige een andere keuze had gemaakt voor de wijze van vaststelling van de afschrijving (zie voor dit een en ander Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 6, blz. 10).

Met het oog daarop voorziet artikel 10 van de Wet in voorschriften (zie hiervoor in 2.4.1) die waarborgen dat de waardebepaling van een gebruikt motorrijtuig op een verantwoorde wijze plaatsvindt bij gelegenheid van het doen van de aangifte bpm in het kader waarvan het desbetreffende motorrijtuig beschikbaar moet worden gehouden voor controle door de inspecteur met het oog op een juiste vaststelling van de gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage. De hiervoor in 2.4.1 beschreven wettelijke bepalingen stellen aldus de belastingplichtige in staat voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s aan de hand van alle door hem relevant geachte gegevens de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering te berekenen op een wijze die waarborgt dat in alle gevallen – in overeenstemming met artikel 110 VWEU - de verschuldigde bpm niet meer bedraagt dan de bpm die nog rust op de zogenoemde referentieauto.

2.4.3.

Voor een belastingplichtige zal het in de regel niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om bij het doen van de aangifte bpm opgaaf te doen van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van de reële waardevermindering van het desbetreffende motorvoertuig in overeenstemming met artikel 110 VWEU. Dat bij het aanwenden van rechtsmiddelen op het punt van het vaststellen van de afschrijving van een gebruikt voertuig de belastingplichtige gehouden wordt aan de bij het doen van de aangifte aangeleverde en gebruikte gegevens, vindt zijn rechtvaardiging in de hiervoor in 2.4.2 weergegeven overwegingen van de wetgever om een doelmatige en controleerbare wijze van heffen van bpm te bewerkstelligen.

In het licht van de hiervoor bedoelde overwegingen staat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet evenwel niet eraan in de weg om door het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan of een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Aldus uitgelegd gaat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet verder dan de wetgever voor de hiervoor in 2.4.2 omschreven doelen redelijkerwijs noodzakelijk kon achten. Daarmee is – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet in strijd met het recht van de Unie, in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel.

2.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, getuigt ’s Hofs oordeel dat de Wet geen mogelijkheid biedt door het aanwenden van rechtsmiddelen een andere methode ter bepaling van de afschrijving te kiezen dan wel uit te gaan van gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt, in zijn algemeenheid van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5.2.

Uit ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt dat het bezwaar van belanghebbende tegen het op aangifte voldane bedrag aan bpm ertoe strekte te bewijzen dat het afschrijvingspercentage van de auto ten tijde van het doen van de aangifte in werkelijkheid hoger is dan het met behulp van de Autotelex-koerslijst bepaalde afschrijvingspercentage. Daartoe heeft belanghebbende een met behulp van de XRAY-koerslijst getaxeerde waarde aangedragen van een - volgens haar met de auto vergelijkbaar - gebruikt voertuig van hetzelfde merk waarbij naast de ouderdom andere factoren in aanmerking worden genomen als waardeverminderingscriterium, waaronder het model en type, de catalogusprijs en het aantal afgelegde kilometers.

Uit ’s Hofs uitspraak of de gedingstukken blijkt niet dat de Inspecteur bij de Rechtbank of bij het Hof heeft betwist dat een met behulp van de XRAY-koerslijst berekende waarde van een referentieauto bruikbaar is voor de bepaling van het afschrijvingspercentage van de auto, en evenmin dat de Inspecteur op andere verschillen tussen de Autotelex-koerslijst en de XRAY-koerslijst heeft gewezen dan de hiervoor in 2.2 omschreven, door het Hof in aanmerking genomen verschillen. Uit een vergelijking van de XRAY-koerslijst en de Autotelex-koerslijst, die beide tot de gedingstukken behoren, blijkt dat - zoals de klachten terecht aanvoeren – bij beide koerslijsten de consumentennieuwprijs van de auto inclusief opties is berekend op € 39.335, en voorts dat de op de koerslijsten weergegeven verschillen in calculatiedatum (één dag) en kilometerstand (één kilometer) verwaarloosbaar zijn. Onder deze omstandigheden staat, gelet op het hiervoor in 2.4.3 overwogene, het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet eraan in de weg dat voor de berekening van de bpm wordt uitgegaan van de volgens de XRAY-koerslijst getaxeerde handelswaarde.

2.5.3.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht op grond waarvan een veroordeling in de werkelijke kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, hoger beroep en/of in cassatie is gerechtvaardigd.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493,

gelast dat de Inspecteur aan het Hof betaalt het griffierecht ter zake van de behandeling van het hoger beroep ten bedrage van € 478,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1488 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.