Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:421

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
14/04112
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:2529, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10 Wet BPM (tekst 2012); art. 110 VWEU. Heffing bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto waarbij de mate van de vermindering van bpm - wegens de gebruikte staat ervan - is bepaald met toepassing van de wettelijke (forfaitaire) afschrijvingstabel; art. 10, lid 7, derde volzin, Wet BPM brengt mee dat het achteraf overleggen van nieuwe (aanvullende) gegevens, die verband houden met de staat van de auto op het tijdstip van aangifte, niet meer tot een hogere vermindering van bpm kunnen leiden; geen strijd met het recht van de Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/17.26 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/603
BNB 2016/144 met annotatie van B.A. van Brummelen
FutD 2016-0694 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/1021 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 maart 2016

nr. 14/04112

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 juli 2014, nr. BK-13/01190, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/5954) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in maart 2012 een vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie naar Nederland overgebrachte, gebruikte personenauto (hierna: de auto) doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. In verband met die registratie heeft zij daaraan voorafgaand, op 6 maart 2012, op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Bij de berekening van de voor de auto verschuldigde bpm heeft belanghebbende de in artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2012; hierna: de Wet) bedoelde vermindering van bpm bepaald aan de hand van de in artikel 10, lid 6, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8, lid 6, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst tot 1 juli 2012; hierna: de Uitvoeringsregeling bpm), bedoelde tabel (hierna: de wettelijke afschrijvingstabel).

2.1.2.

De auto is volgens de aangifte in het buitenland voor het eerst op 24 juni 2011 in gebruik genomen. Aan de hand van de wettelijke afschrijvingstabel, die als waardeverminderingscriterium uitsluitend hanteert de periode die is verstreken sinds het tijdstip waarop een voertuig voor het eerst in gebruik is genomen (hierna: de ouderdom), heeft belanghebbende het afschrijvingspercentage voor de auto bepaald op 25. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende de te betalen bpm berekend op € 5453, en dat bedrag op aangifte voldaan.

2.1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het hiervoor in 2.1.2 bedoelde, voldane bedrag aan bpm en verzocht om teruggaaf van een gedeelte van het op aangifte voldane bedrag aan bpm op de grond dat naar haar mening de door haar met behulp van de wettelijke afschrijvingstabel bepaalde vermindering van bpm te laag is. Belanghebbende wilde de vermindering van bpm bepalen volgens de in artikel 10, lid 2, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling bpm, beschreven wijze waarbij gebruik wordt gemaakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Een vergelijking met de volgens die koerslijst toegekende waarde aan een soortgelijke, reeds in Nederland geregistreerde en gebruikte personenauto zou volgens belanghebbende meebrengen dat voor de auto een hoger afschrijvingspercentage in aanmerking moet worden genomen en dat mitsdien het verschuldigde bedrag aan bpm lager is.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift gesteld dat de volgens die koerslijst vastgestelde waarde van de auto ten tijde van het doen van de aangifte € 26.740 was. Daarbij heeft zij verwezen naar een bij het bezwaarschrift overgelegde bijlage waarin is opgenomen een volgens de koerslijst van XRAY Auto B.V. (hierna: de XRAY-koerslijst) getaxeerde waarde van een voertuig waarvan zij heeft gesteld dat voor de waardebepaling de relevante kenmerken en eigenschappen daarvan overeenkomen met die van de auto. Bij de getaxeerde waarde volgens de XRAY-koerslijst wordt naast de ouderdom van een voertuig onder meer rekening gehouden met het merk van een voertuig, het model en type van dat merk, het type aandrijving van het voertuig, het aantal gereden kilometers en de staat van onderhoud van het voertuig. Uitgaande van de volgens de XRAY-koerslijst getaxeerde waarde heeft belanghebbende de te betalen bpm berekend op € 4780, hetgeen zou moeten resulteren in een teruggaaf van € 673.

2.1.4.

De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat belanghebbende ingevolge artikel 10, lid 7, van de Wet niet kan terugkomen van de wijze waarop zij ten tijde van het doen van de aangifte voor de bpm de afschrijving van de auto heeft bepaald.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van het Hof is het binnen de opzet van de heffing van bpm niet mogelijk na het doen van de aangifte in de bezwaar- of de beroepsfase alsnog een andere methode ter bepaling van de afschrijving te kiezen, of uit te gaan van gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt. Omdat het desbetreffende motorrijtuig inmiddels in gebruik is genomen en uit het zicht van de inspecteur is, en achteraf schouwen van dat motorrijtuig geen zin meer heeft omdat voor de mate van afschrijving de staat van de personenauto ten tijde van de registratie bepalend is, biedt de Wet, aldus het Hof, geen mogelijkheid gegevens die niet zijn gebruikt voor het vaststellen van de bij de aangifte toegepaste afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, in een later stadium alsnog te gebruiken voor het wijzigen van de bij de aangifte toegepaste afschrijving.

Indien en voor zover als gevolg van het bepaalde in artikel 10, lid 7, van de Wet sprake is van beperking van de rechtsbescherming heeft de wetgever, aldus het Hof, in redelijkheid kunnen oordelen dat de uitvoerbaarheid van de Wet voor die beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt. Het aanbrengen van deze beperking behoort tot de bevoegdheid van de nationale wetgever en komt naar het oordeel van het Hof niet in strijd met het recht van de Europese Unie.

2.3.

De klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2 omschreven oordelen van het Hof en houden kort gezegd in dat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet in strijd is met het recht van de Unie, in het bijzonder met artikel 110 VWEU en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel of voorrangsbeginsel, omdat vanwege die bepaling niet is gewaarborgd dat in geen geval een uit een andere lidstaat overgebrachte, gebruikte auto wordt belast naar een hoger bedrag aan bpm dan het bedrag aan bpm dat rust op een gelijksoortig reeds in het binnenland geregistreerd voertuig.

2.4.1.

Met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt ingevolge artikel 10, lid 1, van de Wet voor de berekening van de verschuldigde bpm een vermindering toegepast. Deze vermindering wordt ingevolge artikel 10, lid 2, van de Wet gevormd door de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. In dit artikellid is voorts bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de inkoopwaarde in Nederland en de op deze waarde gebaseerde afschrijving kunnen worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 10, lid 6, van de Wet kan in afwijking van artikel 10, lid 2, van de Wet de vermindering worden vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.

Artikel 10, lid 7, van de Wet schrijft voor dat bij de aangifte een opgaaf wordt gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Ingevolge artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet kunnen gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen, niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.

Van belang is in dit verband voorts het bepaalde in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling bpm, waarin is voorgeschreven wat de opgaaf, bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet inhoudt. Ingevolge dit artikellid bestaat die opgaaf uit overlegging van een kopie van de passage uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet is ontleend dan wel het bij de aangifte gebruikte taxatierapport dat is opgemaakt over de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert en waaruit de waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door de wederverkoper in Nederland.

2.4.2.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in artikel 10, lid 7, van de Wet ertoe strekt tegen te gaan dat met het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een op aangifte voldaan bedrag aan bpm aanspraak wordt gemaakt op een hogere vermindering in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet (en daarmee op een teruggaaf van bpm) met behulp van gegevens die verband houden met de staat waarin het motorrijtuig verkeerde ten tijde van het op aangifte voldoen van de bpm en welke gegevens niet waren overgelegd bij die aangifte of wel waren overgelegd maar niet zijn gebruikt voor het berekenen van de verschuldigde bpm. Zodoende wordt volgens de wetgever de inspecteur in staat gesteld zich volledig te richten op de controle van de aangifte en de daarbij gekozen wijze voor vaststelling van de afschrijving, en behoeft hij geen aandacht te besteden aan gegevens die wellicht van belang waren geweest als de belastingplichtige een andere keuze had gemaakt voor de wijze van vaststelling van de afschrijving (zie voor dit een en ander Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 6, blz. 10).

Met het oog daarop voorziet artikel 10 van de Wet in voorschriften (zie hiervoor in 2.4.1) die waarborgen dat de waardebepaling van een gebruikt motorrijtuig op een verantwoorde wijze plaatsvindt bij gelegenheid van het doen van de aangifte bpm in het kader waarvan het desbetreffende motorrijtuig beschikbaar moet worden gehouden voor controle door de inspecteur met het oog op een juiste vaststelling van de gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage. De hiervoor in 2.4.1 beschreven wettelijke bepalingen stellen aldus de belastingplichtige in staat voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s aan de hand van alle door hem relevant geachte gegevens de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering te berekenen op een wijze die waarborgt dat in alle gevallen – in overeenstemming met artikel 110 VWEU - de verschuldigde bpm niet meer bedraagt dan de bpm die nog rust op de zogenoemde referentieauto.

2.4.3.

Voor een belastingplichtige zal het in de regel niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om bij het doen van de aangifte bpm opgaaf te doen van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van de reële waardevermindering van het desbetreffende motorvoertuig in overeenstemming met artikel 110 VWEU. Dat bij het aanwenden van rechtsmiddelen op het punt van het vaststellen van de afschrijving van een gebruikt voertuig de belastingplichtige gehouden wordt aan de bij het doen van de aangifte aangeleverde en gebruikte gegevens, vindt zijn rechtvaardiging in de hiervoor in 2.4.2 weergegeven overwegingen van de wetgever om een doelmatige en controleerbare wijze van heffen van bpm te bewerkstelligen.

In het licht van de hiervoor bedoelde overwegingen staat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet evenwel niet eraan in de weg om bij het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan, dan wel een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Aldus uitgelegd gaat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet verder dan de wetgever voor de hiervoor in 2.4.2 omschreven doelen redelijkerwijs noodzakelijk kon achten. Daarmee is – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet in strijd met het recht van de Unie, in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel.

2.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, getuigt ’s Hofs oordeel dat de Wet geen mogelijkheid biedt bij het aanwenden van rechtsmiddelen een andere methode ter bepaling van de afschrijving te kiezen dan wel uit te gaan van gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt, in zijn algemeenheid van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre worden de klachten terecht aangevoerd. Zij kunnen echter niet tot cassatie leiden.

Uit ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt dat het bezwaar van belanghebbende tegen het op aangifte voldane bedrag aan bpm ertoe strekte te bewijzen dat het afschrijvingspercentage van de auto ten tijde van het doen van de aangifte in werkelijkheid hoger is dan het volgens de wettelijke afschrijvingstabel bepaalde percentage van 25. Daartoe heeft belanghebbende een met behulp van de XRAY-koerslijst getaxeerde waarde aangedragen van een - volgens haar met de auto vergelijkbaar - gebruikt voertuig van hetzelfde merk en model, waarbij rekening is gehouden met een bepaald aantal afgelegde kilometers, type aandrijving van het voertuig, de staat van onderhoud en bepaalde aanwezige accessoires en opties. Bij gebruikte voertuigen vormt in het algemeen, naast de ouderdom en de staat van onderhoud, met name het aantal afgelegde kilometers een belangrijke factor als waardeverminderingscriterium. In de door belanghebbende bij het bezwaarschrift gevoegde XRAY-koerslijst is een substantieel aantal kilometers vermeld, te weten 20.879, waarvan op een later tijdstip niet meer kan worden nagegaan of dit overeenkomt met het aantal kilometers dat de auto op het tijdstip van voldoening op aangifte heeft afgelegd. Reeds hierom kan op basis van de bij het bezwaarschrift overgelegde gegevens niet worden aangenomen dat het in de aangifte, met toepassing van de wettelijke afschrijvingstabel bepaalde afschrijvingspercentage van 25 te laag is geweest.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.