Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:412

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/04756
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:102, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:3843, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Alcoholslotprogramma (asp), art. 163 WVW 1994. 2. Vordering b.p., art. 6:106 BW.

Ad 1. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2015:1807. In de bestreden uitspraak ligt als vaststelling van het Hof t.a.v. het bewezenverklaarde onder 15/660046-13 besloten dat aan vd. t.z.v. hetzelfde feit de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat het OM ontvankelijk is in de vervolging van een onjuiste rechtsopvatting. HR doet wat Hof had behoren te doen en verklaart het OM n-o in de vervolging. HR wijst zaak t.z.v. het bewezenverklaarde onder 15/7000460-13 terug v.w.b. de strafoplegging.

Ad 2. Vergoeding van immateriële schade ten gevolge van poging tot zware mishandeling. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/427
SR-Updates.nl 2016-0145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2016

Strafkamer

nr. S 14/04756

LBS/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 september 2014, nummer 23/005595-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat blijkens de daarvan opgemaakte akte niet is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 15/700046-13 primair tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de zaak met parketnummer 15/660046-13 en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/660046-13, tot terugwijzing naar het Hof teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat in de zaak met parketnummer 15/660046-13 sprake is van dubbele vervolging zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging aangezien ter zake van hetzelfde feit de verdachte de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma (hierna: asp) én tegen hem de onderhavige strafvervolging is ingesteld.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 15/660046-13 bewezenverklaard dat:

"hij op 26 januari 2013 te Haarlem als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat."

2.2.2.

De verdachte is mede te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

2.2.3.

Het Hof heeft door de raadsman van de verdachte gevoerde verweren, voor zover in cassatie van belang, als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS, uitspraak van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1643) en naar uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens, gesteld dat oplegging van een alcoholslotprogramma (hierna ook: ASP) in alle gevallen een strafrechtelijke vervolging is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu de verdachte tevens wordt vervolgd wegens rijden onder invloed is, aldus de raadsman, sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht omdat de verdachte voor hetzelfde feitencomplex ten tweede male vervolgd wordt. Derhalve is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Allereerst stelt het hof vast dat de AbRS het alcoholslotprogramma niet - zonder méér - als punitief van aard beschouwt, maar van oordeel is dat daarvan in een individueel geval wel sprake kan zijn indien oplegging van de maatregel onevenredig zwaar is. Het is in zo'n geval allereerst aan degene aan wie een alcoholslotprogramma wordt opgelegd om daartegen bezwaar te maken bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en (hoger) beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Verdachte heeft van die mogelijkheid om hem moverende reden geen gebruik gemaakt.

In de door de raadsman bedoelde rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM), welke ziet op artikel 4, paragraaf 1, van het Aanvullend Zevende Protocol bij het EVRM (ne bis in idem), welk Protocol niet door Nederland geratificeerd is, maar dat naar het oordeel van het hof gelet op artikel 68 WvSr reflexwerking heeft, wordt onderscheiden tussen:

a. de vraag of een bestuurlijke maatregel punitief van aard is, en zo ja

b. de vraag of het enkele feit dat binnen een lidstaat parallelle procedures aanhangig zijn, waarbij sprake is van enerzijds een bestuurlijke punitieve maatregel en anderzijds een strafrechtelijke vervolging, op zichzelf reeds de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een schending van het ne bis in idem beginsel. Van een schending van het ne bis in idem beginsel is naar het oordeel van het EHRM in zo'n geval met name geen sprake indien bij de opgelegde of op te leggen sancties sprake is van "a sufficiently close connection between them, in substance and in time". Zie recent EHRM, arrest van 20 mei 2014 Glantz t. Finland, no. 37394/11.

In het onderhavige geval kan (ad a.) niet worden gezegd dat het aan de verdachte opgelegde alcoholslotprogramma punitief van aard is. Weliswaar biedt de Straatsburgse jurisprudentie een opening om in de bijzondere omstandigheden van het geval een bestuurlijke maatregel (zoals een alcoholslotprogramma) als zodanig te kwalificeren, in het bijzonder waar het de zwaarte van de maatregel betreft (waarbij vaak de onvoldoende financiële draagkracht van de betrokkene gewicht in de schaal legt), maar de jurisprudentie ter zake is sterk casuïstisch van aard. In dit geval heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk geen inzicht willen geven in de hoogte en de herkomst van zijn inkomsten. De enkele stelling van de verdachte dat hij onvoldoende financiële draagkracht bezit om het alcoholslotprogramma te bekostigen, maakt de beoordeling daarvan onmogelijk.

Aan een beantwoording van de vraag of sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel (ad b.) komt het hof derhalve niet toe. Ten overvloede wijst het hof er nog op dat het een lidstaat vrij staat een ruimere uitleg te geven aan het ne bis in idem-beginsel dan de minimumbescherming die het EVRM garandeert."

2.3.1.

HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"4.4. Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen - en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee - dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.

Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure."

2.3.2.

Hetgeen de Hoge Raad in dit arrest heeft overwogen met betrekking tot de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, geldt eveneens in zaken als de onderhavige betreffende de weigering van de verdachte mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994 (vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1807, NJ 2016/54).

2.4.

In de bestreden uitspraak ligt als vaststelling van het Hof besloten dat in de onderhavige zaak aan de verdachte ter zake van het hiervoor weergegeven bewezenverklaarde de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, getuigt het oordeel van het Hof - dat het verweer van de raadsman van de verdachte dienaangaande heeft verworpen - dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal in zoverre doen wat het Hof had behoren te doen.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 15/660046-13 tenlastegelegde, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de meervoudige kamer in de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 9 december 2013 is vernietigd, en de strafoplegging;

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het in de zaak met parketnummer 15/660046-13 tenlastegelegde;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2016.