Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:407

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/01154
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:267, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:99, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Salduz. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079 en ECLI:NL:HR:2015:3608. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat verdachte tijdens het in het middel bedoelde verhoor "terecht (...) door de politie als getuige en niet als verdachte [is] aangemerkt", waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat op het moment dat dit verhoor plaatsvond de verbalisanten in redelijkheid hebben kunnen aannemen dat t.a.v. verdachte nog geen redelijk vermoeden van schuld i.d.z.v. art. 27.1 Sv aanwezig was. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de omstandigheden voorafgaand en tijdens het verhoor. Het hierop voortbouwende oordeel van het Hof dat verdachte zich t.t.v. het verhoor niet in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevond en dat de bedoelde verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd, geeft in het licht van het voorgaande niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 2. Strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie. 3. Middelen voor het overige: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/418
SR-Updates.nl 2016-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2016

Strafkamer

nr. S 14/01154

AJ/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 februari 2014, nummer 20/002462-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, en M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel komt op tegen de verwerping van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer. Het voert daartoe onder meer aan dat het Hof ten onrechte, in strijd met een gevoerd verweer, bij de bewijsvoering heeft betrokken de verklaring die de verdachte op 26 augustus 2010 bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 26 augustus 2010, te Renesse, in de gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] aan het lichaam heeft getrokken en tegen het lichaam heeft geduwd en op de grond heeft gegooid (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en (vervolgens) bovenop (de benen van) die [slachtoffer] heeft gezeten en met beide handen de keel/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgedrukt (waardoor die [slachtoffer] het bewustzijn verloor) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.3.

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel:

"9. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina's 419-421, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Op 25 augustus 2010, omstreeks 18.30 uur, zijn mijn vriend [betrokkene 1] en ik aangekomen op camping Julianahoeve in Renesse. Omstreeks 22.00 uur zijn wij naar het centrum van Renesse gelopen. We zijn daar, vanaf de rotonde gezien, bij het eerste café naar binnen gegaan, café De Zoom aan de Hogezoom te Renesse. Op een gegeven moment zijn [betrokkene 1] en ik elkaar kwijt geraakt. Hij belde mij op 26 augustus 2010 om 02:41 uur. Hij vroeg waar ik was en ik hoorde dat hij mij vertelde dat hij op de camping was. Hij vroeg mij of ik ook naar de camping wilde komen. Ik heb toen afscheid genomen van het meisje in wier gezelschap ik was (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ). Ik ben toen naar de overkant van de straat gelopen en heb daar kip gekocht. Op dat moment was het 03.00 uur, want de club sloot. Ik ben vervolgens in de richting van de camping gelopen. Ik hoorde iets voorbij de rotonde gegil van jongens en een meisje. Normaal gesproken had ik hier rechts moeten gaan in de richting van de camping waarop ik verblijf.

Ik ben rechtdoor gerend. Ik heb ongeveer 400 à 500 meter gelopen. (...) Ik ben in de sloot gaan kijken. Ik heb het meisje alleen gelaten, omdat ik lichten aan zag komen. Ik zag dat er een busje aan kwam rijden met lichten op het dak brandend. De agenten hielpen mij om het meisje op de kant te leggen.

U vertelt mij dat er twee paraplu's zijn aangetroffen op de plaats waar het meisje in de sloot lag, een grote en een kleinere. Dat zou goed kunnen, ik had een grote paraplu bij me. Deze paraplu is van [betrokkene 1] ."

2.4.

Het Hof heeft in het bestreden arrest omtrent het gebruik van deze verklaring het volgende overwogen en beslist:

"Voorts heeft de verdediging betoogd dat de feitelijke omstandigheden er toe kunnen leiden dat ook een niet-aangehouden verdachte, voorafgaand aan zijn eerste verhoor, het recht heeft om een advocaat te mogen consulteren. In dit geval was het overduidelijk dat [verdachte] materieel als verdachte werd aangemerkt, hij kreeg de cautie, hij was bovendien buitenlander en zou zonder tolk gehoord gaan worden. Verdachte had op dat recht gewezen moeten worden.

(...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(...)

Inleidend

Uit het dossier volgt dat op 26 augustus 2010, omstreeks 03.40 uur, twee meisjes aan de politie in het centrum van Renesse hebben gemeld dat zij zojuist, fietsend over de Hogezoom, komende uit de richting Renesse en gaande richting Burgh-Haamstede, een man met iets zwaars - lijkend op een lichaam - over die weg hebben zien slepen (...). De twee politieagenten - in hun dienstauto - zijn daarop met de meisjes die nog steeds op hun fiets reden, meegereden. Zij gingen de Hogezoom af, bij café Helder voorbij de rotonde in de richting van Burgh-Haamstede tot aan de kruising met de Pauwlijntjesweg. Zij hebben onderweg niets (verdachts) waargenomen. De verbalisanten vroegen nog waar de meisjes iets hadden gezien, waarop de meisjes (op ongeveer 100 à 150 meter vóór de ingang van camping De Wijde Blick) antwoordden dat het ongeveer op dat stuk is geweest, waarbij moet worden opgemerkt dat de plaats waar het slachtoffer later in de sloot is aangetroffen niet is aangelicht.

Terwijl de politie terugreed (...), komende uit de richting Burgh-Haamstede, over de Hogezoom in de richting van het centrum van Renesse, is 50 à 100 meter voorbij de ingang van camping De Wijde Blick, een man links vanuit de berm gekomen en voor de politieauto gesprongen. De man heeft in de Duitse taal, in paniek, om hulp gevraagd. De verbalisanten zagen hem met de vuisten op de autoruiten stampen. De man bleek de latere verdachte [verdachte] te zijn. Op zijn aanwijzing heeft de politie toen een meisje aangetroffen in de sloot aan de linkerkant van de weg. Alleen haar neus en mond staken nog boven het water uit. [verdachte] heeft hen toen gezegd dat hij 'Noodarts' was en gedrieën hebben zij het meisje - naar later bleek [slachtoffer] - uit de sloot gehaald. Zij is op de kant gelegd. Het meisje was op dat moment niet aanspreekbaar en buiten bewustzijn. Eenmaal in de ambulance (...) heeft [slachtoffer] verteld dat een Duitse man die haar had gezegd dat hij [...] of iets dergelijks heette, met haar was meegelopen op weg naar de camping. Verder heeft zij verteld dat deze man haar heeft geduwd en een klein beetje heeft aangeraakt en dat zij met hem heeft gevochten. [slachtoffer] heeft voorts gezegd: 'Ik heb hem daar geraakt', waarbij ze heeft gewezen naar haar kruis.

De ambulanceverpleegkundige heeft geconstateerd dat [slachtoffer] striemen in haar hals had en heeft dit besproken met de politie. [slachtoffer] is vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd en daar later die dag weer ontslagen.

Diezelfde dag nog, 26 augustus 2010 om 13.00 uur, heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van poging doodslag/moord, waarbij zij heeft verklaard dat de Duitse jongen haar had vastgepakt, in de bosjes heeft getrokken en haar daar heeft geprobeerd te wurgen, waardoor zij bewusteloos is geraakt. Tevens heeft zij verklaard dat zij pas in de ambulance is bijgekomen en toen voor het eerst haar ogen heeft open gedaan (...).

A. Het horen van [verdachte] als getuige (...) en schending van de Salduz-norm

De Salduz-norm

Op grond van de hiervoor beschreven situatie hoefde de politie [verdachte] ten tijde van en kort na het aantreffen van het meisje in de sloot niet als verdachte van een strafbaar feit aan te merken. [verdachte] maakte zich tegenover de politie herhaaldelijk bekend als hulpverlener (Noodarts). Hoewel op een bepaald moment bij een aantal politiemensen het 'onderbuikgevoel' is ontstaan dat sprake zou kunnen zijn van een strafbaar feit gepleegd jegens [slachtoffer] , dan wel op een zeker moment een dergelijke gedachte in het hoofd van politiemensen opkwam, maakt dat nog niet dat daarmee sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens [verdachte] .

Gelet op de ter plaatse aangetroffen feitelijke situatie en op de inhoud van de mededelingen die [slachtoffer] in de ambulance omtrent de dader heeft gedaan, is [verdachte] - naar het oordeel van het hof, toen en daar, terecht - door de politie als getuige en niet als verdachte aangemerkt. Sterker nog, het wekt geenszins verbazing dat de politie - nadat het meisje met de ambulance naar het ziekenhuis was vervoerd - [verdachte] heeft willen horen over de situatie waarvan hij op dat moment als enige getuige was geweest.

Gelet op het tijdstip, de locatie en de weersomstandigheden lag het afnemen van een verklaring ter plaatse niet in de rede. Volgens verbalisant [verbalisant 1] was iedereen, zo ook [verdachte] 'zeiknat', want het regende. [verdachte] is vervoer naar het politiebureau geleverd, om aldaar warm te worden, koffie te krijgen en een verklaring af te leggen. Het enkele vervoer naar het politiebureau maakt niet dat hij door de politie als verdachte is beschouwd, zoals de verdediging heeft betoogd.

De omstandigheid dat door de verbalisanten aan [verdachte] bij aanvang van het verhoor het volgende is medegedeeld: 'wij willen graag van u horen wat u zojuist gezien heeft en u hoeft geen vragen te beantwoorden die u verdacht kunnen maken', maakt dit niet anders, nu die mededeling gezien dient te worden als een recht van de getuige op verschoning, indien en voor zover hij zichzelf strafrechtelijk zou belasten.

Het hof volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de status - en daarmee de rechten - van [verdachte] gelijk gesteld kon worden met die van een aangehouden verdachte. Dit brengt met zich dat [verdachte] geen aanspraak kan maken op de zogeheten Salduz-norm dat aan een verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor het recht op consultatie van een advocaat toekomt, dan wel dat door de politie toegang tot een advocaat dient te worden verschaft. Het feit dat [verdachte] een buitenlander was, maakt dit niet anders.

(...)

Zoals hiervoor opgenomen (...) is het hof van oordeel dat met betrekking tot de getuigenverklaring van verdachte d.d. 26 augustus 2010, de zogeheten Salduz-norm niet is geschonden.

(...)

Nu geen sprake is van vormverzuimen, ziet het hof - anders dan de rechtbank en de verdediging - geen aanleiding om de verklaring van [verdachte] , op 26 augustus 2010 afgelegd als getuige (...), van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de bedoelde getuigenverklaring derhalve op zichzelf bruikbaar voor het bewijs."

2.5.

Een verdachte die door de politie is aangehouden, kan aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. De aangehouden verdachte dient vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat (vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52).

2.6.1.

Blijkens de onder 2.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte tijdens het in het middel bedoelde verhoor "terecht (...) door de politie als getuige en niet als verdachte [is] aangemerkt", waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat op het moment dat dit verhoor plaatsvond de verbalisanten in redelijkheid hebben kunnen aannemen dat ten aanzien van de verdachte nog geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27, eerste lid, Sv aanwezig was. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de omstandigheden voorafgaand en tijdens het verhoor.

2.6.2.

Het hierop voortbouwende oordeel van het Hof dat de verdachte zich ten tijde van het verhoor niet in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevond en dat de bedoelde verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd, geeft in het licht van het voorgaande niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.6.3.

In zoverre faalt het middel.

3 Beoordeling van de derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2016.