Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:39

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
14/02925
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 36, leden 3, 4 en 6, Invorderingswet 1990; art. 7 UBIW 1990; art. 8:42, lid 1, Awb. Bewijsvoering t.a.v. vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur bij aansprakelijkstelling van een gewezen bestuurder. Geen respons op klacht over niet overleggen van stukken en op klacht over verdedigingsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/86
V-N 2016/6.17.20
BNB 2016/57 met annotatie van A.E.H. van der Voort Maarschalk
AB 2016/126 met annotatie van R. Ortlep
FutD 2016-0103 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2016

nr. 14/02925

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 april 2014, nr. 13/00261, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Nederland (nr. AWB 12/1653) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] nageheven omzetbelasting over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was van 9 juni 2008 tot en met 5 maart 2009 bestuurder van [A] B.V. (hierna: de BV).

2.1.2.

Met dagtekening 25 maart 2009 is aan de BV een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak januari 2009 opgelegd. De naheffingsaanslag betreft belasting die de BV over dat tijdvak wel had aangegeven maar niet had voldaan. Voorts is met dagtekening 14 juni 2011 aan de BV een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 opgelegd. Deze naheffingsaanslag betreft belasting die de BV volgens de Inspecteur over die periode meer verschuldigd was dan door haar voor die periode was aangegeven en overeenkomstig de aangiften was voldaan.

2.1.3.

Bij de bestreden beschikking, gedagtekend 12 september 2011, heeft de Ontvanger belanghebbende op de voet van artikel 36, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) aansprakelijk gesteld voor de hiervoor in 2.1.2 bedoelde belasting en de daarmee verband houdende boete en heffingsrente.

2.2.1.

De middelen 1, 2, 5 en 8 behelzen onder meer de klacht dat de Ontvanger niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 8:42, lid 1, van de Awb op hem rustende verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. De middelen wijzen onder meer op door de FIOD opgemaakte processen-verbaal, daaraan ten grondslag liggende stukken, en verslagen van bij derden ingestelde onderzoeken.

2.2.2.

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor het Hof voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de hiervoor in 2.2.1 genoemde bescheiden van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in de onderhavige zaak. Het Hof had derhalve moeten toezien op overlegging van die bescheiden dan wel moeten oordelen dat zich één van de uitzonderingssituaties voordoet als genoemd in onderdeel 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de Ontvanger van zijn hiervoor in 2.2.1 bedoelde verplichting is bevrijd.

Aangezien in 's Hofs uitspraak een oordeel hieromtrent ontbreekt, is de uitspraak op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De middelen 1, 2, 5 en 8 slagen derhalve in zoverre.

2.3.1.

Middel 4 en middel 5 voor het overige houden in dat het Hof het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden door te oordelen dat, hoewel de Ontvanger belanghebbende voorafgaand aan de aansprakelijkstelling niet zijn voornemen daartoe kenbaar heeft gemaakt, de rechten van de verdediging niet zijn geschonden. Het Hof heeft daartoe overwogen dat belanghebbende zijn standpunten in de bezwaarfase naar voren heeft kunnen brengen, dat deze standpunten zowel in de bezwaarfase als bij de beoordeling door de rechter volledig zijn getoetst en dat niet aannemelijk is dat de beslissing van de Ontvanger anders zou zijn geweest als belanghebbende voorafgaand aan de aansprakelijkstelling zijn standpunt aan de Ontvanger kenbaar had gemaakt.

2.3.2.

Middel 4 en middel 5 in zoverre slagen. Het Hof heeft voor zijn hiervoor in 2.3.1 weergegeven beoordeling van de vraag of is voldaan aan de verplichting om de rechten van de verdediging te eerbiedigen, welke verplichting ook geldt voor de aansprakelijkstelling voor verschuldigde omzetbelasting op de voet van artikel 36 van de Wet (zie HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, ECLI:NL:HR:2015:2161, BNB 2015/207, onderdeel 2.6.3), niet de maatstaf gehanteerd die voortvloeit uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellman Worldwide Logistics B.V., C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231. Het oordeel van het Hof ter zake is voorts, gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, ontoereikend gemotiveerd.

2.4.

De middelen 3 en 6 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.5.

Middel 7 betoogt onder meer dat in een geval waarin omzetbelasting is nageheven die meer beloopt dan de belasting die was aangegeven, het belastingschuldige lichaam aan zijn in artikel 36, lid 2, van de Wet bedoelde verplichting heeft voldaan indien het in een eerder stadium een mededeling als bedoeld in artikel 7, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: het UBIW 1990) heeft gedaan. Dit betoog is onjuist (zie o.a. HR 6 april 2012, nr. 11/01496, ECLI:NL:HR:2012:BR7065, BNB 2012/161), zodat het middel in zoverre faalt.

2.6.

Gelet op het hiervoor in 2.2.2 en 2.3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

2.7.

Met het oog op het na verwijzing te verrichten onderzoek naar de toepassing van artikel 36, leden 2 tot en met 4, van de Wet verdient het volgende opmerking.

2.7.1.

Wat betreft de hiervoor in 2.1.2 als eerste vermelde naheffingsaanslag moet worden onderzocht of voor de over het tijdvak januari 2009 aangegeven belasting tijdig, dat wil zeggen binnen de in artikel 7, lid 1, UBIW 1990 genoemde termijn, rechtsgeldig een melding van betalingsonmacht is gedaan. Bij bevestigende beantwoording van die vraag rust ingevolge artikel 36, lid 3, van de Wet de bewijslast van kennelijk onbehoorlijk bestuur op de Ontvanger. Bij ontkennende beantwoording dient belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 36, lid 6, van de Wet, te worden toegelaten tot weerlegging van het in lid 4, eerste volzin, van dat artikel bedoelde vermoeden.

2.7.2.

De hiervoor in 2.1.2 als tweede vermelde naheffingsaanslag is er een als bedoeld in artikel 7, lid 2, UBIW 1990. Dienaangaande geldt het volgende.

In een dergelijk geval is niet van belang of voor de belasting die is nageheven in een eerder stadium een melding van betalingsonmacht is gedaan (zie onder meer het hiervoor in 2.5 genoemde arrest). Indien komt vast te staan dat de BV over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 meer omzetbelasting is verschuldigd dan is aangegeven en voldaan, dient allereerst te worden onderzocht of die omstandigheid is te wijten aan opzet of grove schuld van de BV.

Ingeval het antwoord op deze vraag ontkennend luidt en de BV tijdig, dat wil zeggen binnen de in artikel 7, lid 2, UBIW 1990 genoemde termijn, rechtsgeldig een melding van betalingsonmacht heeft gedaan, rust ingevolge artikel 36, lid 3, van de Wet de bewijslast van kennelijk onbehoorlijk bestuur op de Ontvanger. In geval van bevestigende beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag of indien laatstbedoelde melding niet tijdig en rechtsgeldig is gedaan, dient belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 36, lid 6, van de Wet, te worden toegelaten tot weerlegging van het in lid 4, eerste volzin, van dat artikel bedoelde vermoeden.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 14/02924 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1984, derhalve € 992, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.