Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:383

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
15/03651
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2710, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 7 WOTS, Ne bis in idem. De Rb heeft vastgesteld dat veroordeelde in NL bij rechterlijke beslissing is vrijgesproken t.z.v. witwassen van € 402.340,-. De Rb heeft voorts vastgesteld dat veroordeelde daarvan ook in Italië bij rechterlijke beslissing is vrijgesproken, dat hij bij diezelfde beslissing is veroordeeld t.z.v. deelname aan een crim. org. en t.z.v. internationale handel in en bezit van cocaïne, en dat de verbeurdverklaring - gelet op de overwegingen in de Italiaanse beslissing - onmiskenbaar ziet op geld dat door veroordeelde is verdiend met zijn deelname aan de crim. org. Deze vaststellingen van de Rb zijn niet onbegrijpelijk. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van de Rb dat art. 7 WOTS niet aan de tul in NL van de bij de Italiaanse beslissing opgelegde sanctie in de weg staat, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. V.zv. het middel klaagt over het oordeel van de Rb dat het aan veroordeelde verweten witwassen, waarvan hij is vrijgesproken, en het deelnemen aan een crim. org., waarvoor hij is veroordeeld, niet hetzelfde feit oplevert in de zin van art. 7 WOTS en art. 68 Sr zodat de tul in NL van de in Italië opgelegde sanctie niet in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dat in die bepalingen is verwoord, faalt het eveneens. Reeds het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken is dermate groot dat geen sprake is van 'hetzelfde' feit in voormelde zin. Het oordeel van de Rb geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel voor het overige: art. 81.1 RO. Op gronden als vermeld in conclusie AG is het in de schriftuur vervatte verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet voor inwilligging vatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/390
NJ 2016/165
SR-Updates.nl 2016-0131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 maart 2016

Strafkamer

nr. S 15/03651 W

CB/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 2 juli 2015, nummer 10/600179-09, omtrent een vordering van de Officier van Justitie tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:

[veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het in art. 7 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) neergelegde ne bis in idem-beginsel niet is geschonden.

2.2.

De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een beslissing van het Hof van Beroep van Regio Calabria van 15 november 2013 (hierna: de Italiaanse beslissing) voor zover dit betreft de confiscatie en verbeurdverklaring van het onder de veroordeelde inbeslaggenomen geldbedrag van € 402.340,-. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Procesgang

Op 26 mei 2004 is de veroordeelde in Amsterdam aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 2 jo. artikel 10 van de Opiumwet. Bij de veroordeelde is daarbij een geldbedrag van € 402.340,- aangetroffen en in beslag genomen. Bij vonnis van 25 november 2004 heeft de rechtbank Amsterdam de veroordeelde vrijgesproken van het witwassen van het bij hem aangetroffen geldbedrag en is de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag gelast.

Op 29 oktober 2008 is de veroordeelde door de rechtbank van Reggio Calabria veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar wegens deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en voor internationale handel in en het bezit van cocaïne. Bij hetzelfde vonnis is de veroordeelde vrijgesproken terzake van het witwassen van het in Nederland aangetroffen geldbedrag. Het Hof van Beroep van Reggio Calabria heeft het vonnis op 21 juli 2010 bekrachtigd.

Bij beslissing van 13 juli 2009 heeft de rechtbank van Reggio Calabria een bevel tot (conservatoire) inbeslagname van het zich in Nederland bevindende bedrag gegeven, zulks op de voet van de Italiaanse Wet 575/1965. De substituut-officier van justitie bij die rechtbank heeft de Nederlandse autoriteiten bij rechtshulpverzoek van 16 juli 2009 verzocht de beslissing van 13 juli 2009 ten uitvoer te leggen. Ter uitvoering van dat verzoek heeft de officier van justitie bij het Landelijk Parket op 30 september 2009 - na daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris - conservatoir beslag gelegd op het geldbedrag. Tegen dit beslag heeft de veroordeelde een klaagschrift ingediend, dat op 3 mei 2012 door de rechtbank Rotterdam ongegrond is verklaard. Bij arrest van 3 september 2013 heeft de Hoge Raad het beroep van de veroordeelde tegen de beschikking van de rechtbank ongegrond verklaard.

Op 25 februari 2010 heeft de rechtbank van Reggio Calabria de confiscatie bevolen van de zich in Nederland bevindende, eerder onder de verdachte inbeslaggenomen € 402.340,-.

Bij beslissing van 15 november 2013, welke op 20 februari 2014 onherroepelijk is geworden, heeft het Hof van Beroep van Reggio Calabria het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 12 januari 2015, ter griffie ontvangen op 12 juni 2015, gevorderd dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van de door het Hof van Beroep van Reggio Calabria opgelegde confiscatie van de in Nederland bevindende € 402.340,-, ter zitting vermeerderd met de opgebouwde rente tot 2 juli 2015.

(...)

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen c.q. het verlof tot tenuitvoerlegging dient te worden geweigerd, nu er sprake is van in de WOTS en het Verdrag opgenomen weigeringsgronden.

(...)

Ten tweede is sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel. De veroordeelde is zowel door de Nederlandse, als de Italiaanse rechter vrijgesproken van witwassen. Nu de veroordeelde in Italië (opnieuw) is vervolgd en veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten en hierbij expliciet is geoordeeld dat het eerder in Nederland onder de veroordeelde aangetroffen geldbedrag van € 402.340,- verband houdt met opbrengsten uit drugshandel, is er sprake van schending van artikel 7 WOTS en artikel 68 Sr.

Beoordeling

(...)

Ne bis in idem

Vastgesteld wordt dat de veroordeelde op 25 november 2004 door de rechtbank Amsterdam is vrijgesproken van het witwassen van de bij hem aangetroffen € 402.340,-. Op 29 oktober 2008 is de veroordeelde door de rechtbank van Reggio Calabria veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en voor internationale handel in en het bezit van cocaïne. Bij ditzelfde vonnis is de veroordeelde vrijgesproken terzake van het witwassen van de in Nederland aangetroffen € 402.340,-. Het Hof van Beroep van Reggio Calabria heeft het vonnis van de rechtbank op 21 juli 2010 bekrachtigd. Op 15 november 2013 heeft het Hof van Beroep van Reggio Calabria de door de rechtbank opgelegde confiscatie (de rechtbank begrijpt: de verbeurdverklaring) van de € 402.340,- bekrachtigd. Op basis van de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat met 'confiscatie' een verbeurdverklaring wordt bedoeld, zulks temeer daar noch in het voornoemde Italiaanse vonnis, noch in de overige stukken aan de vaststelling van dit bedrag enige berekening ten grondslag is gelegd, gelijk dit bij wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde is.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van schending van artikel 7 WOTS of artikel 68 Sr. De veroordeelde is in Nederland vrijgesproken van witwassen, maar hij is in Italië veroordeeld terzake van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk internationale drugshandel en terzake van internationale handel in en het bezit van cocaïne. Niet gesteld kan worden dat dit dezelfde feiten betreffen in de zin van artikel 68 Sr.

Voorts is alleen in Italië de 'confiscatie' - welke de rechtbank verstaat als verbeurdverklaring zulks mede gezien de inhoud van art 33a Sr - uitgesproken van de onder de verdachte aangetroffen € 402.340,-. Gelet op de beslissing van het Hof van Beroep van Reggio Calabria, ziet deze verbeurdverklaring onmiskenbaar op geld dat door de verdachte is verdiend door zijn deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank verwijst in dit verband (onder andere) naar de volgende overweging in de voormelde beslissing:

'De onderzoeken hebben aangetoond dat, hoewel [veroordeelde] de eigenaar van de firma [A] was, hij die bedragen nooit kunnen had sparen met zijn verdiensten. Men moet nog benadrukken dat die som in beslag werd genomen terwijl de criminele activiteiten van de vereniging waaraan [veroordeelde] behoorde aktief waren; dat de inbeslagname in Nederland is opgetreden, namelijk in één van de gebieden waarop die vereniging de drugs inkoopt.

(...) De detentie van de som werd vastgesteld in Nederland, in het land waar de vereniging de drug aankoopt'

Zowel in materiële, als in formele zin is dan ook geen sprake van schending van artikel 68 Sr of artikel 7 WOTS, waarbij eveneens wordt overwogen dat de verbeurdverklaring is uitgesproken in Italië en daarvan executie wordt verlangd in Nederland, hetgeen niet een dubbele vervolging in de zin van voornoemde artikelen oplevert. De verweren van de raadsvrouw worden dan ook verworpen.

Gelet op het vorenstaande kan de raadsvrouw evenmin worden gevolgd in haar stelling dat sprake is van schending van de artikelen 47 en 48 van het EU Handvest en artikel 6, tweede lid van het EVRM.

Ten slotte ziet de rechtbank, gezien de hiervoor gegeven beoordeling van de door de raadsvrouw gevoerde verweren, geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 7 WOTS:

"1. Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet worden ten uitvoer gelegd voor zover de veroordeelde ter zake van het zelfde feit in Nederland wordt vervolgd.

2. Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland evenmin worden ten uitvoer gelegd voor zover een vervolging in Nederland onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel."

- art. 68 Sr:

"1. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.

2. Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van:

1°. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;

2°. veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

3. Niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde staat onherroepelijk is afgedaan door de voldoening aan een voorwaarde, door de bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van strafvervolging."

2.4.1.

Geklaagd wordt onder meer over de verwerping van het verweer dat, nu de veroordeelde in Nederland is vrijgesproken ter zake van witwassen van € 402.340,- en in de Italiaanse beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, is betrokken dat dit geldbedrag verband houdt met de opbrengsten uit drugshandel, art. 7 WOTS aan verlofverlening in de weg staat.

2.4.2.

De Rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer samengevat en verworpen, zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde in Nederland bij een rechterlijke beslissing is vrijgesproken ter zake van het witwassen van € 402.340,-. De Rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de veroordeelde daarvan ook in Italië bij een rechterlijke beslissing is vrijgesproken, dat hij bij diezelfde beslissing is veroordeeld ter zake van deelname aan een criminele organisatie en ter zake van internationale handel in en het bezit van cocaïne, en dat de verbeurdverklaring - gelet op de overwegingen in de Italiaanse beslissing - onmiskenbaar ziet op geld dat door de veroordeelde is verdiend met zijn deelname aan de criminele organisatie. Deze vaststellingen van de Rechtbank zijn niet onbegrijpelijk. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van de Rechtbank dat art. 7 WOTS niet aan de tenuitvoerlegging in Nederland van de bij de Italiaanse beslissing opgelegde sanctie in de weg staat, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De klacht faalt derhalve.

2.5.

Voor zover het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het aan de veroordeelde verweten witwassen, waarvan hij is vrijgesproken, en het deelnemen aan een criminele organisatie, waarvoor hij is veroordeeld, niet hetzelfde feit oplevert in de zin van art. 7 WOTS en art. 68 Sr zodat de tenuitvoerlegging in Nederland van de in Italië opgelegde sanctie niet in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dat in die bepalingen is verwoord, faalt het eveneens. Reeds het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken is dermate groot dat geen sprake is van 'hetzelfde' feit in voormelde zin. Het oordeel van de Rechtbank geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.6.

Ook voor het overige kan het niet middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.7.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 en 18 is het in de schriftuur vervatte verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet voor inwilligging vatbaar.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016.