Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:377

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
14/01405
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:81
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:2121, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kwalificatie. Vrijheidsberoving en gijzeling. Artt. 282 en 282a Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:1695 m.b.t. het feit dat de dader van het in art. 282a Sr omschreven feit slechts strafbaar is indien hij handelt met het oogmerk een ander dan de gijzelaar te dwingen iets te doen of niet te doen en ECLI:NL:HR:2004:AO0609 m.b.t. het feit dat met ‘een ander’ in art. 282a.1 Sr niet alleen gedoeld wordt op iemand die niet wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. De omstandigheid dat ook ‘die ander’ van zijn vrijheid is beroofd staat niet aan toepassing van art. 282a Sr in de weg. I.c. had het Hof de bewezenverklaring wat betreft X en Y moeten kwalificeren als “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd’ en wat betreft A en B als “medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd”. De HR verbetert de kwalificatie. Voor zover het middel klaagt dat de onjuiste kwalificatie moet leiden tot vernietiging van de strafoplegging kan het niet tot cassatie leiden, nu gelet op de bewezenverklaarde feiten moet worden aangenomen dat het Hof in de verbeterde kwalificatie geen aanleiding zou hebben gevonden tot het opleggen van een lagere straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/601
SR-Updates.nl 2016-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 maart 2016

Strafkamer

nr. S 14/01405

EC/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 14 maart 2014, nummer 21/008504-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer over de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1 primair:

hij op 26 november 2012 in de gemeente Almere, in de periode van ongeveer 02.55 tot 04.55 uur, in een woning gelegen aan de [a-straat 1] te Almere tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zegelring, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders

- de woning aan de [a-straat 1] zijn binnengedrongen terwijl hun gezichten bedekt waren met een bivakmuts en

- [slachtoffer 1] hebben wakker gemaakt en vervolgens haar handen met tie-wraps op haar rug hebben vastgebonden/vastgemaakt en

- [slachtoffer 2] hebben wakker gemaakt en [slachtoffer 2] een vuistslag in het gezicht hebben gegeven en vervolgens de handen van [slachtoffer 2] op zijn rug met tie-wraps hebben vastgebonden/vastgemaakt en

- [slachtoffer 3] (met kracht) bij de pols hebben gepakt en [slachtoffer 3] op de grond in de badkamer hebben gezet/geplaatst en

- [slachtoffer 4] aan de haren uit haar bed hebben getrokken en vervolgens (met kracht) bij de pols hebben gepakt en haar hebben gedwongen op de knieën te gaan zitten en tegen de [slachtoffer 4] hebben gezegd "Waar is het geld" en "Waar zijn de juwelen" en (vervolgens) [slachtoffer 4] in de badkamer hebben gezet/geplaatst en

- tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben gezegd "we willen geld, veel geld" en "waar is het geld" en " [slachtoffer 2] , wij weten dat je hier geld hebt" en " [slachtoffer 2] anders gaan we je pijn doen" en [slachtoffer 2] , we weten dat je het geld hebt, maak het ons niet moeilijk" en "als je het geld niet geeft, dan gaan we vingertjes knippen" en "dan gaan we met je dochters een spelletje spelen" en "Dit gebeurt er nu als je niks zegt, dit gebeurt er met je vrouw, [slachtoffer 2] . Vertel waar de kluis is" en

- [slachtoffer 1] hard bij de nek hebben gepakt en met kracht naar beneden hebben geduwd en vervolgens tegen [slachtoffer 1] hebben gezegd " [slachtoffer 1] , hoe gaan we dit nu oplossen, want [slachtoffer 2] werkt niet mee" en "Je man liegt, dan moeten we maar vingertjes gaan knippen" en

- met een scherp voorwerp in het gezicht van [slachtoffer 1] hebben geslagen;

2:

hij op 26 november 2012 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 3] (de Hoge Raad leest: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden met het oogmerk om voornoemde [slachtoffer 3] (de Hoge Raad leest: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, immers heeft hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet
- de handen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op de rug met tie-wraps vastgebonden/vastgemaakt en
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de badkamer van hun woning aan de [a-straat 1] in Almere gedwongen te blijven door bij de deur van die badkamer te posten en

- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in hun woning aan de [a-straat 1] in Almere gedwongen te blijven door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de woning te begeleiden en

- meermalen tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gezegd dat hij en/of zijn mededaders geld willen hebben."

2.2.2.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd:

"Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gijzeling."

2.2.3.

Het Hof heeft de verdachte ter zake hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren. Het Hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:

"Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In de nacht van 26 november 2012 heeft verdachte zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval. De slachtoffers, een echtpaar en hun twee tienerdochters, zijn ruw uit hun slaap gewekt door vier overvallers die hun gezicht hadden bedekt met bivakmutsen. Het echtpaar werd geslagen, waarbij de vrouw - toen zij vanwege de in de richting van haar dochters geuite bedreigingen in opstand kwam - met een scherp voorwerp in haar wang is gestoken en buiten bewustzijn is geraakt. De polsen van het echtpaar zijn met tiewraps vastgebonden. De slachtoffers zijn gedurende de overval in de badkamer van hun woning vastgehouden met een van de overvallers voor de deur. Door de overvallers werd gedreigd met het afknippen van vingers en het 'spelen van een spelletje' met de dochters. De twee dochters konden vanwege hun eigen benarde situatie niets voor hun ouders doen, terwijl de ouders op hun beurt niets voor hun dochters konden doen.

De overval vond 's nachts plaats in een woning waar de vier slachtoffers op dat moment verbleven, een plaats waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote emotionele impact hebben op de slachtoffers. De impact die de overval op hen heeft gehad blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen alsook de mondelinge slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] ter zitting in hoger beroep. Hieruit komt naar voren dat hun leven sinds 26 november 2012 niet meer hetzelfde is. Die nacht werd alles letterlijk en figuurlijk overhoop gegooid. De veiligheid in hun eigen huis is weggeslagen. De impact op hun gezinsleven is groot. De slachtoffers kampen nog steeds met de lichamelijke en geestelijke gevolgen van de overval. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door de zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 januari 2014 waaruit blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor vermogensdelicten en geweldsdelicten.

Zoals ook door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, leiden de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting bij een woningoverval tot een (basis)gevangenisstraf van vijf jaren. Er is in dit geval sprake van een aantal straf verhogende factoren, zoals het feit dat sprake was van meerdere overvallers, het toegepaste geweld en de grove bedreigingen, de twee uren durende gijzeling zoals onder 2 bewezen verklaard en het strafrechtelijk verleden van verdachte.

Alles afwegende acht het hof de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden."

2.3.1.

Art. 282, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Art. 282a, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie."

2.3.2.

De dader van het in art. 282a Sr omschreven feit is slechts strafbaar indien hij handelt met het oogmerk een ander dan de gijzelaar te dwingen iets te doen of niet te doen. Wanneer de wederrechtelijke vrijheidsberoving strekt tot het dwingen van de gijzelaar zelf en niet van een derde om iets te doen of niet te doen, is geen sprake van gijzeling zoals bedoeld in art. 282a Sr (vgl. HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1695, NJ 2015/313). Met "een ander" in art. 282a, eerste lid, Sr wordt echter niet alleen gedoeld op iemand die niet wederrechtelijk van de vrijheid is beroofd (vgl. HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0609), zodat de omstandigheid dat ook die "ander" van zijn vrijheid is beroofd, niet aan toepassing van art. 282a Sr in de weg staat.

2.4.1.

Nu in de onderhavige zaak blijkens de bewezenverklaring [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd met het oogmerk de eveneens wederrechtelijk van hun vrijheid beroofde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te dwingen om te zeggen waar het geld en de juwelen waren, had het Hof de bewezenverklaring dus wat betreft [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] moeten kwalificeren als: "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd", en wat betreft [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als "medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd". De Hoge Raad zal met vernietiging van de bestreden uitspraak de kwalificatie verbeteren.

2.4.2.

Voor zover het middel klaagt dat de onjuiste kwalificatie moet leiden tot vernietiging van de strafoplegging, kan het niet tot cassatie leiden. Gelet op de bewezenverklaarde feiten, de door het Hof gebezigde kwalificatie en de strafmotivering als hiervoor onder 2.2.3 weergegeven, moet worden aangenomen dat het Hof in de verbeterde kwalificatie geen aanleiding zou hebben gevonden tot het opleggen van een lagere straf.

2.5.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde en de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

kwalificeert het onder 2 bewezenverklaarde ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd";

kwalificeert het onder 2 bewezenverklaarde ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als "medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd";

vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze zes jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016.