Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:35

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
15/00576
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 7, lid 1, Wet BPM 1992; artt. 26 en 26a AWR. Hij die het kenteken van een auto op naam van een derde doet stellen en in verband daarmee de verschuldigde bpm op aangifte voldoet, kan zonder daartoe strekkende volmacht namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld bezwaar maken tegen de voldoening op aangifte. Bezwaar maken kan hij ook ingeval niet hijzelf maar degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld de volgens die aangifte verschuldigde bpm aan de belastingdienst heeft betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/74
V-N 2016/5.24.1
FutD 2016-0100 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/452 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2016

nr. 15/00576

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] h.o.d.n. [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 januari 2015, nrs. 14/00019 t/m 14/00026 en 14/000152, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/2517 en AWB 12/2522 tot en met AWB 12/2529) betreffende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2011) voor negen uit andere lidstaten van de Europese Unie afkomstige personenauto’s (hierna: de auto’s) voor derden de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister gedaan. Belanghebbende heeft tevens op de voet van artikel 7, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) voor de auto’s aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). De volgens die aangiften verschuldigde bpm is door de beoogde kentekenhouder aan de belastingdienst overgemaakt. Vervolgens is het kenteken van de desbetreffende auto gesteld op naam van die derde (hierna: de kentekenhouder).

2.1.2.

Belanghebbende heeft tegen het voor de auto’s voldane bedrag aan bpm (hierna: het voldane bedrag aan bpm) telkens bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende desgevraagd geen machtiging van de kentekenhouder heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij is gemachtigd om namens de kentekenhouder tegen het voldane bedrag aan bpm bezwaar te maken.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voldoening van bpm op de voet van artikel 7 van de Wet door een ander dan de kentekenhouder geschiedt namens de kentekenhouder, de belastingplichtige. Daaruit volgt dat het recht op bezwaar slechts toekomt aan de kentekenhouder zelf, aldus het Hof.

2.3.

De middelen I en II zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2 omschreven oordelen van het Hof en betogen dat belanghebbende de bevoegdheid heeft bezwaar te maken tegen de voldoening van de bpm zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder.

2.4.

Met betrekking tot het in artikel 1, lid 2, van de Wet omschreven belastbare feit wordt krachtens artikel 5, lid 1, van de Wet de bpm geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld. Deze moet de belasting op aangifte voldoen (artikel 6, lid 1, van de Wet, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 3, van de AWR). Volgens de in 2011 geldende tekst van artikel 7, lid 1, van de Wet is ingeval voor een personenauto of motorrijwiel de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, lid 3, van de AWR, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. In dat geval heeft degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, op grond van artikel 26a, lid 1, letter b, van de AWR het recht tegen de voldoening op aangifte bezwaar te maken. Dit recht komt ook toe aan de hiervoor bedoelde ander namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld (zie voor dit een en ander HR 29 augustus 2000, nr. 35501, ECLI:NL:HR:2000:AA6929, BNB 2000/357, onderdeel 3.3).

Uitgaande van hetgeen artikel 7, lid 1, van de Wet bepaalt, te weten dat de aldaar bedoelde ‘ander’ van rechtswege handelt namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, behoeft die ander niet daarenboven te beschikken over een door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld gegeven volmacht om bezwaar te maken. Dit is niet anders wanneer de bpm feitelijk is betaald door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder niet bevoegd is bezwaar te maken tegen het voldane bedrag aan bpm, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. De middelen I en II slagen.

2.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur de bezwaren niet inhoudelijk heeft beoordeeld, worden ook de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en wordt de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in cassatie de zaken met de nummers 15/00562, 15/00563, 15/00564, 15/00566, 15/00570, 15/00576 en 15/00577 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bij het Hof de zaken met de nummers 13/01198, 13/01269, 13/01279 tot en met 13/01283, 14/00019 tot en met 14/00026, 14/00115 tot en met 14/00127 en 14/00152 samenhangen, en bij de Rechtbank enerzijds de zaken met de nummers AWB 12/2514 tot en met AWB 12/2517, AWB 12/2519 en AWB 12/2521 tot en met AWB 12/2525 samenhangen, en anderzijds de zaken met de nummers AWB 12/2526 tot en met AWB 12/2529.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur,

draagt de Inspecteur op met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraken te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 239 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 1404,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 2976, derhalve € 425,14, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op negen maal een negenentwintigste van € 1488, derhalve € 461,79, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van de gedingen voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld enerzijds op vijf maal een tiende van € 1488, derhalve € 744, en anderzijds op € 1488, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.