Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3444

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02624
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4814, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2016

Strafkamer

nr. S 16/02624

SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 oktober 2015, nummer 23/002198-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.S. Kat, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.

Zaaknummer S 16/02624

SCHRIFTUUR houdende een middel van cassatie inzake:

Het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 oktober 2015, bekend onder parketnummer 23/002198-14, gewezen in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam d.d. 20 mei 2014, bekend onder parketnummer 13/031739-14.

In de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992 en wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats].

MIDDEL - onbegrijpelijkheid.

Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd, zoals bedoeld in artikel 79 RO, doordat het hof ter terechtzitting van 5 november 2015 het door requirant in hoger beroep voorgedragen verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, althans op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, zodat ’s Hofs bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen is omkleed.

Immers heeft het hof onterecht overwogen dat requirant is tekortgeschoten in de op hem rustende plicht en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, althans heeft het hof de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd.

Toelichting

1. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat requirant op 11 februari 2014 te Amsterdam videospelers van het merk Aja Kirpo en harde schijven en een versterker en snoeren en bedrading heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

2. Het hof overweegt daarbij dat requirant werkzaam is als handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen. In die hoedanigheid mag van requirant een grotere mate van zorgvuldigheid en expertise worden verwacht bij de inkoop van goederen dan van een willekeurige particulier, aldus het Hof.

Door de goederen en de gegevens van de aanbieder niet te registreren, en doordat requirant ook anderszins niet over de personalia van de klant beschikte, is requirant tekortgeschoten in onder deze omstandigheden op hem rustende plicht, hetgeen meebrengt dat requirant met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, aldus het Hof.

3. Requirant was niet toegekomen aan het registreren van de goederen. Requirant heeft aangevoerd dat het de normale gang van zaken is om de identiteit van de aanbieder te controleren en op de daarvoor bestemde websites te controleren of aangeboden goederen als gestolen zijn geregistreerd. Dit zijn handelingen die gelijk bij het aanbieden van goederen worden verricht. Op het moment dat het komt tot daadwerkelijk te koop aanbieden van goederen, worden de identificatiegegevens van de aanbieder genoteerd en worden de goederen geregistreerd (1). Nog voordat de aanbieder had besloten de goederen daadwerkelijk te willen verkopen, is aangever samen met een ambtenaar der politie de winkel binnengetreden en heeft aangegeven dat de betreffende goederen van aangever waren en gestolen waren.

4. De betreffende goederen lagen niet in de vitrine van de winkel van gerequireerde hetgeen betekent dat de goederen dus niet als te koop waren gestald.

5. In het licht van voorgaande is het oordeel van het Hof dat requirant is tekortgeschoten in de op hem rustende plicht en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, onbegrijpelijk en/of is het oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd.

6. Gelet op vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad is er niet gelijk sprake van schuld bij tekortschieten van een onderzoeksplicht.(2)

7. De bewezenverklaring kan derhalve niet zonder meer worden afgeleid uit 's Hofs bewijsvoering. De bestreden uitspraak is dan ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

8. Nu het hof het namens requirant in hoger beroep voorgedragen verweer, ten onrechte heeft verworpen, althans op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, zodat 's Hofs bewezenverklaring onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen is omkleed, is requirant van mening dat het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 oktober 2015 voor vernietiging en verwijzing in aanmerking komt.

1. Als verdacht niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan, is er sprake van schuldheling - zo leert HR 24 november 2009, NJ 2009, 608; ECLI:NL:HR2009:BJ8631. Deze uitspraak brengt niet zonder meer mee dat indien nog niet aan die plicht is voldaan er ook sprake is van schuldheling. De bankdirecteur uit HR 27 juni 1938, NJ 1939,124 die werd vervolgd ter zake van overtreding van art. 417 bis Sr werd strafbaar geacht voor de helingshandeling van verkoop; en uit de casus van het arrest blijkt dat hij voor zijn onderzoek enigszins de tijd mag nemen. De A-G Wijnveldt spreekt zelfs over onderzoek dat 'moeilijk en soms tijdrovend' kan zijn. Het in ontvangst nemen en enige tijd onder zich hebben van de effecten bracht dus niet zonder meer strafbaarheid mee, zo valt uit het arrest af te leiden.

2 Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:11; en/of (j°) de jurisprudentie uit de voorgaande noot.