Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3419

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00926
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5850, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2016

Strafkamer

nr. S 16/00926

EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2016, nummer 23/004757-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. van Dam, advocaat te 's-Hertogenbosch, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.

CASSATIESCHRIFTUUR

Zaaknummer: S 16/00926

Aan de Hoge Raad der Nederlanden

Namens verzoeker, [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, woonachtig aan de [a-straat 1] te [woonplaats] , draag ik de volgende cassatiemiddelen voor tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, uitgesproken op 22 januari 2016, onder parketnummer 23-004757-14, waarbij verzoeker wegens “(feit 1) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en “(feit 2) handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden:

Middel 1:

Er is sprake van schending van recht en / of verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. De door het hof opgelegde gevangenisstraf is niet naar de eis der wét met redenen omkleed, althans onvoldoende gemotiveerd.

Op 20 november 2014 is verzoeker door de Rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak reeds ondergane voorlopige hechtenis. Bij vonnis van 20 november 2014 werd tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De officier van justitie had gevorderd verzoeker te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 200 uren. Tegen voormeld vonnis heeft verzoeker appel aangetekend.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verzoeker zou worden veroordeeld tot dezelfde straf als opgelegd door de rechter in eerste aanleg. De verdediging heeft blijkens de pleitaantekeningen vrijspraak bepleit en heeft gewezen op enkele persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Bij arrest van 22 januari 2016 heeft het Hof Amsterdam verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Het belang van verzoeker bij cassatie is evident. Verzoeker heeft omstreeks drie weken in voorlopige hechtenis doorgebracht en zal derhalve nog moeten terugkeren naar de gevangenis.

Het hof motiveerde de strafoplegging in het arrest als volgt:

"De verdachte is in zijn auto op de openbare weg aangetroffen met een voor onmiddellijk gebruik gereed vuurwapen met bijbehorende munitie. De verdachte was onbevoegd een vuurwapen met munitie voorhanden te hebben. Tegen onbevoegd wapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan. De thans bewezenverklaarde feiten zijn buitengewoon ernstig en brengen de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Tevens bevond zie ff in de rechterjaszak van de verdachte een boksbeugel, een wapen waarmee iemand verwondingen kunnen worden toegebracht.

Zoals blijkt uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 december 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld, waaronder eveneens voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Op grond van de LOVS-oriëntatiepunten is bij het voorhanden hebben van een revolver van categorie III in beginsel een gevangenisstraf van drie maanden gerechtvaardigd. Straf vermeerderend in deze zaak is het feit dat het vuurwapen geladen was en onder handbereik lag in een auto.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. "

Daarbij komt het hof uiteindelijk tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

De oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf wekt verbazing afgezet tegen het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Nergens uit de stukken van het geding, in eerste aanleg noch in hoger beroep, blijkt dat er is gesproken over het eventueel opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat het hof op enige wijze heeft onderzocht welke gevolgen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verzoeker heeft. Ook uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt hier niet van.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof, op 8 januari 2016, heeft verzoeker het navolgende verklaard omtrent zijn persoonlijke omstandigheden:

"Ik wil graag trouwen. Ik heb twee kinderen van vier en zes jaar oud. Ik woon samen met de moeder van mijn kinderen. Elke dag sta ik om 6.00 uur bp, ik breng de kinderen naar school. Ik leid een heerlijk leven. Ik heb een bedrijf, [A] . Het wordt steeds drukker, ook leasebedrijven bieden hun auto's aan. De ene dag heb ik weinig aanbod, de andere dag veel. Gemiddeld worden er 9 auto's per dag gepoetst. Ik heb iemand in dienst genomen, omdat ik het niet meer alleen kan. Sinds drie maanden werkt er een jongen bij mij. Ik heb geen schulden. Mijn vrouw is rijker dan ik ben. Zij zit in het vastgoed. "

Dat niet blijkt dat het hof heeft onderzocht wat de gevolgen zouden zijn voor verzoeker wanneer hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd, klemt temeer omdat de wet in artikel 359 lid 6 Sv gebiedt de keuze voor een gevangenisstraf uitdrukkelijk te motiveren. En wil die keuze gebaseerd zijn op het onderzoek ter terechtzitting, dan zal die keuze ook uitdrukkelijk aan de orde moeten zijn geweest, al was het maar door een eis tot oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Zulks is in deze geenszins gebeurd, de motivering van de oplegging van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is derhalve niet toereikend.

In de motivering van de strafoplegging is bijvoorbeeld evenmin terug te vinden of het hof zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of in deze een werkstraf (zoals opgelegd in eerste aanleg en zoals werd gevorderd door de advocaat-generaal in hoger beroep) gecombineerd met een (eventueel forse) voorwaardelijké gevangenisstraf eventueel voldoende zwaar zou zijn. Niet volgt of men deze modaliteit heeft overwogen, en zo wel, wat daarbij voor het hof de motivering is geweest niet daartoe over te gaan.

In HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2012:BY9985 overwoog dé Hoge Raad dat het opleggen van een zwaardere straf dan waarover de partijen zich tér terechtzitting in hoger beroep hebben uitgelaten niet onverenigbaar is met de in art. 6 EVRM belichaamde beginselen van een eerlijk proces. De Hoge Raad overwoog dit in een zaak waarbij de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk oplegde, maar het hof uiteindelijk veroordeelde tot een hogere gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

In onderhavige zaak gaat het echter om een zaak waarbij een gevangenisstraf is opgelegd, in plaats van een werkstraf. De verdediging draagt in deze geen cassatiemiddel voor dat het recht op een eerlijk proces is geschonden (het cassatiemiddel in deze zaak is de onvoldoende motivering van de strafoplegging), maar de zorgvuldigheid van de beslissing tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - en derhalve de deugdelijkheid en volledigheid van de motivering - wordt wel geraakt wanneer wordt geconstateerd dat de mogelijke oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in eerste aanleg noch in hoger beroep is besproken en / of bespreekbaar is gemaakt.

Zulks te meer daar waar de wet vereist in art. 359 lid 6 Sv dat de keuze voor de onvoorwaardelijke gevangenisstraf uitdrukkelijk moet zijn gemotiveerd. Waarbij tevens het volgende nog in overweging genomen dient te worden, waarbij ik de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. Vellinga, citeer in zijn! conclusie van 5 januari 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:151):

"In het onderhavige geval is een korte onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd. In de ogen van de wetgever is met name de lange taakstraf qua zwaarte gelijkwaardig aan een korte vrijheidsstraf Dat betekent dat aan de motivering van de keuze voor de vrijheidsstraf in gevallen waarin in plaats van een taakstraf een 'korte vrijheidsstraf wordt opgelegd zware eisen aan de motivering van de keuze voor de vrijheidsstraf moeten worden gesteld. "

Dit geldt mijns inziens te meer daar waar in onderhavige zaak sprake is van prangende persoonlijke omstandigheden, zoals - onder meer- de zorg voor en omgang met de jonge kinderen alsmede de eigen onderneming van verzoeker."

Aldus is de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf door het hof onvoldoende gemotiveerd. Advocaat-generaal Vellinga sprak in eerder genoemde conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:151) er reeds over dat de Hoge Raad zich verre pleegt te houden van toetsing van de oplegging van een straf. Hij ziet de keuze van de straf en de waardering van de factoren die de rechter voor de strafoplegging van belang acht als behorend tot het domein van de feitenrechter. Slechts in uitzonderlijke gevallen ziet hij de motivering als onbegrijpelijk. Echter verwijst ondergetekende naar de woorden van de advocaat-generaal Vellinga op 5 januari 2016:

"Niettemin heeft hij (MvD: de Hoge Raad) in recente rechtspraak 'de oplegging van aard en duur c.q. hoogte van de op te leggen straf substantieel beïnvloed door de eisen waaraan het bewijs van de voorbedachte raad en van de roekeloosheid moet voldoen stevig aan te scherpen. In die ontwikkeling past dat in gevallen waarin de keuze van de feitenrechter ligt op het snijvlak van taakstraf en vrijheidsstraf zware eisen worden gesteld aan de motivering van de oplegging van de vrijheidsstraf in die zin dat uitdrukkelijk wordt overwogen dat en waarom geen taakstraf wordt opgelegd, zeker indien oplegging van een taakstraf is gevorderd en oplegging van een vrijheidsstraf tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet ter sprake is geweest. "

Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.