Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3411

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
15/05062
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:2596, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2016

Strafkamer

nr. S 15/05062

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 september 2015, nummer 22/002168-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G. Meijers en M. Berndsen, beiden advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.

SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDEL VAN CASSATIE

inzake

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]

verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 september 2015 in de zaak met parketnummer 22/002168-13.

Middel

Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Met name zijn geschonden de artikelen 47, 350, 359 en 415 Sv, aangezien het hof ten laste van verzoeker heeft bewezen verklaard dat hij de onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde feiten “tezamen en in vereniging met (een ander of) anderen ” heeft gepleegd, terwijl het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Toelichting

1. Het hof heeft ten laste van verzoeker onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaard dat:

“1 primair:

hij op 03 december 2011 te Gorinchem tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een boerderij (gelegen aan de [a-straat]), immers hebben een of meer van zijn mededaders toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met een deel van die boerderij, ten gevolge waarvan die boerderij gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2 primair:

hij op 3 december 2011 te Gorinchem tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich, ten nadele van de verzekering, wederrechtelijk te bevoordelen, brand heeft gesticht in een boerderij, gelegen aan de [a-straat], zijnde een tegen brandgevaar verzekerd goed, door vuur in contact te brengen met (een onderdeel van) die boerderij;”

2. Vanwege de omvang van de in de aanvulling op het verkorte arrest weergegeven bewijsmiddelen, worden deze niet in het middel weergegeven. Verzoeker verwijst naar de bewijsmiddelen 1 t/m 23. Hier wordt enkel bewijsmiddel 10 gedeeltelijk weergegeven (verklaring verzoeker):

“Je vertelde dat je een gesprek gehad had bij [betrokkene 1] thuis met een aantal personen waaronder [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en dat daar gesproken was over brandstichtingen die zij gepleegd hadden. Jij zou toen een opmerking gemaakt hebben dat je hoopte dat jouw tent de fik in zou gaan. Wie zaten daar allemaal bij toen dat gezegd werd? Daar waren [betrokkene 3], [betrokkene 2] en ik. We zaten in de garage van [betrokkene 1].

Wanneer was dat gesprek?

Dat was ongeveer eind oktober 2011.

Je vertelde dat je kort na de brand een ontmoeting hebt gehad met [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Wanneer was dat precies?

- Het was vrij vlot na de brand. [betrokkene 3] deed het gesprek en [betrokkene 2] was op de achtergrond. [betrokkene 3] zei mij dat ze brand hadden gesticht in mijn woning.

Wie heeft de brand gesticht?

- [betrokkene 3] zei dat ze er samen geweest en dat ze samen de brand hadden gesticht.

Hoe is de brand gesticht?

- Ze hebben alleen gezegd dat ze het op meerdere plekken hadden aangestoken.

In eerste instantie wordt er gesproken over een bedrag van 8000 euro was wat je zou betalen aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en later werd dit bedrag 30.000 euro. Waarom werd dit bedrag veranderd en op deze hoogte afgesproken?

- [betrokkene 3] onderhandelde met mij over het geld en [betrokkene 2] bemoeide zich er wel mee. In overleg met [betrokkene 3] hebben we afgesproken dat ik 30.000 euro aan hen zou betalen. (...)”

3. Ten aanzien van het bewezenverklaarde medeplegen heeft het hof als volgt overwogen (arrest, p. 12):

“3. Medeplegen t.a.v. de brandstichting

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, welke samenwerking in het onderhavige geval moet zijn gericht op de brandstichting. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de taakverdeling van de verdachten het volgende af.

[verdachte] heeft aan [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] de opdracht gegeven om de brand te stichten in zijn woonboerderij en hij heeft met hen daarvoor een beloning van € 30.000 afgesproken. Voorafgaand aan de brand heeft hij hun de afstandsbediening van het toegangshek van zijn perceel gegeven en hun medegedeeld wanneer hij en zijn partner niet thuis zouden zijn. [betrokkene 2] heeft in de avond van 2 december 2011 de plaatselijke situatie in ogenschouw genomen. [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] heeft hebben vervolgens de brand en de woonboerderij aangestoken in de nacht van 2 op 3 december 2011. Na de brand heeft [verdachte] een deel van de beloofde geldsom aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] betaald c.q. doen betalen, en later — wegens betalingsonmacht — heeft hij geregeld dat de betaling via [betrokkene 4] zou verlopen.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewegen dat [verdachte] met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde brandstichting. ”

4. Mede in het licht van recente uitspraken van uw Raad — meer in het bijzonder HR 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) en HR 24 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:718) - meent verzoeker dat uit ’s hofs bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat hij een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het in vereniging plegen van brandstichting.

5. Uit de bewijsvoering volgt dat ten aanzien van verzoeker geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering. Van een actieve bijdrage ten tijde van het plegen van de feiten is immers geen sprake.

6. Gelet op voornoemde rechtspraak van uw Raad is de kernvraag derhalve of verzoeker niettemin een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de brandstichting, waarbij onder meer rekening gehouden kan worden met “de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip”.

7. Uit ’s hofs hiervoor weergegeven overweging volgt dat het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat verzoeker:

- opdracht heeft gegeven om brand te stichten aan [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3];

- een beloning van € 30.000,- met hen heeft afgesproken;

- hun de afstandsbediening van het toegangshek heeft gegeven;

- na de brand een deel van de toegezegde geldsom aan hen heeft betaald.

8. Tegelijkertijd heeft het hof de inhoud van b.m. 10 redengevend geacht en de verklaring van verzoeker in zoverre kennelijk voor juist gehouden. Daaruit volgt dat het hof redengevend acht dat verzoeker “vrij vlot na de brand” een ontmoeting had met [betrokkene 2] en [betrokkene 3], waarbij [betrokkene 3] tegen verzoeker zei “dat ze brand hadden gesticht in mijn [verzoekers] woning]’ en dat “ze alleen [hebben] gelegd dat ze het op meerdere plekken hadden aangestoken”.

9. Hoewel het hof heeft vastgesteld dat verzoeker de opdracht tot brandstichting heeft gegeven, volgt uit b.m. 10 tevens dat het hof redengevend heeft geacht dat verzoeker verklaart dat hij achteraf op de hoogte is geraakt van de essentialia van de uitvoering van het delict, te weten (I) dat de woning feitelijk in brand is gestoken, (II) wie dit hebben gedaan en (III) dat dit is gedaan door het vuur op meerdere plekken aan te steken.

10. Verzoeker stelt vast dat uit de bewijsvoering (inclusief b.m. 10) volgt dat het hof de kwalificatie medeplegen heeft gebaseerd op het geven van de opdracht, het toezeggen en gedeeltelijk betalen van de beloning en het geven van de sleutel van het toegangshek. Daarbij gaat het hof er blijkens de inhoud van b.m. 10 kennelijk vanuit dat verzoeker voorafgaand aan en tijdens het delict niet in detail op de hoogte was van de essentialia van de (op handen zijnde) brandstichting.

11. Naar het oordeel van verzoeker blijkt uit de bewijsvoering derhalve niet een bijdrage van zodanig intellectueel en/of materieel gewicht dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd is. Het hof heeft voorts niet kenbaar aandacht besteed aan de (enuntiatieve) opsomming van omstandigheden waarmee de feitenrechter volgens uw Raad rekening kan houden bij de beoordeling.

Nu uit de bewijsvoering niet blijkt van een aanzienlijke intensiteit van de samenwerking (integendeel; het hof stelt dat vast dat verzoeker eerst achteraf op de hoogte geraakt van de wijze van feitelijke uitvoering van het feit) en verzoeker in de taakverdeling van de brandstichting überhaupt geen taak was toebedeeld, is de bewezenverklaring - mede gelet op het voorgaande — ontoereikend gemotiveerd.

12. ’ s Hofs arrest kan mitsdien niet in stand blijven.