Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3401

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02480
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:2090, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2016

Strafkamer

nr. S 16/02480

SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 april 2016, nummer 20/000016-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016.

Zaaksnummer: S 16/02480

In de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats], thans gedetineerd in de PI Vught, requirant van cassatie, te dezer zake domicilie kiezende aan de Parkstraat 10 te (4818 SJ) Breda, ten kantore van Thomas Doesburg & van ’t Land Strafrechtadvocaten, van wie mr. J.J.J. van Rijsbergen bepaaldelijk is gevolmachtigd deze cassatieschriftuur op te maken, te ondertekenen en in te dienen, tegen het hem betreffende arrest met het parketnummer 20/000016-15 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 15 april 2016.

Middel I

Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de verdediging niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk is.

Toelichting

In het proces-verbaal terechtzitting d.d. 1 april 2016 is - voor zover voor de beoordeling van het onderhavige middel relevant - te lezen dat:

De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend en dat het hof een faxbericht heeft ontvangen, inhoudende de schriftelijke verklaring van verdachte waarin hij afstand doet van zijn recht heden ter terechtzitting aanwezig te zijn.

De raadsman verklaart als volgt.

Ik ven pas zojuist op de hoogte geraakt van het feit dat cliënt afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Ik kreeg dat beneden in het cellencomplex van het gerechtsgebouw te horen. Ik ben door cliënt uitdrukkelijk gemachtigd om de verdediging te voeren, maar ik ging er wel vanuit dat hij vandaag zou verschijnen. Ik verzoek uw hof om aanhouding van de behandeling van de zaak, omdat ik nu niet weet wat de proceshouding van cliënt is, gelet op zijn wens om in hoger beroep te gaan. Ik sta cliënt al een jaar of drie bij en steeds vaker in dezelfde soort zaken als de onderhavige. Aan cliënt is afgelopen week, te weten: op 29 maart 2016, door de rechtbank Oost-Brabant de ISD-maatregel opgelegd. Ik heb geprobeerd om nadien nog contact met hem te krijgen, maar dat is niet gelukt. Cliënt is altijd aanwezig op zittingen en verschijnt zelfs bij de uitspraken. Dit is de eerste keer dat hij niet aanwezig is. Ik kan dat niet duiden. Ik weet niet of zijn procespositie is gewijzigd. Ik heb hoger beroep ingesteld naar aanleiding van een appbericht van zijn moeder. Zij vroeg mij om voor cliënt hoger beroep in te stellen, omdat hij dat wilde. Voordat ik ga pleiten in deze zaak, wil ik eerst weten wat de procespositie van cliënt is. Het standpunt bij het instellen van het hoger beroep luidde dat hij het niet eens was met de bewezenverklaring en ik heb dat ook zo gemaild aan de poortraadsheer.

Op vragen van de voorzitter verklaart de raadsman als volgt.

Ik heb wel contact gehad met cliënt in de P.I. Grave, maar wij hebben ons toen uitsluitend gericht op voormelde strafzaak, waarin aan cliënt de ISD-maatregel is opgelegd, in het bijzonder omdat ik als raadsman al aanvoelde wat de uitkomst van die zaak zou zijn. Cliënt wilde zich eerst op die zaak richten. Ik heb hem nog gevraagd of we deze zaak nog telefonisch zouden bespreken, maar dat is er niet meer van gekomen.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

Ik begrijp de insteek van de verdediging. Gelet op het verweer in eerste aanleg, zal in hoger beroep waarschijnlijk vrijspraak worden bepleit, maar als de verdachte zonder overleg niet verschijnt kun je dat als raadsman natuurlijk niet zeker weten. Ik ga geen hogere straf vorderen dan in eerste aanleg is opgelegd, zodat het belang van het hoger beroep niet zo groot is. Ik verzet mij dan niet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak.

De oudste raadsheer vraagt aan de raadsman of hij voornemens is aan zijn cliënt te adviseren het hoger beroep in te trekken.

De raadsman verklaart als volgt.

Mijn gedachten ten aanzien van de bewezenverklaring zijn wellicht anders dan die van cliënt. Ik schreef ook uitdrukkelijk op het grievenformulier dat cliënt het niet eens is met de bewezenverklaring. Ik wil weten waarom cliënt hier niet is, dat is eigenlijk de reden van het aanhoudingsverzoek. Normaliter verschijnt cliënt altijd ter terechtzitting en nu laat hij ineens verstrek gaan. Ik wil weten wat er in hem omgaat.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.

Het hof wijst het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak af. De verdachte heeft uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting van heden aanwezig te zijn en de dagvaarding in hoger beroep is aan hem in persoon uitgereikt. De verdachte heeft op geen enkele wijze te kennen gegeven dat hij niet weet welke zaak vandaag aan de orde is, zoals zijn raadsman stelt. De verdachte had er dan ook voor kunnen kiezen om wel naar de zitting van het hof te komen, dan wel voor de zitting contact op te nemen met zijn raadsman, maar dat heeft hij niet gedaan. Er bestaan geen andere klemmende redenen om alsnog een aanhouding te rechtvaardigen. Voorts is van belang dat er voorafgaand aan deze zitting kennelijk contact tussen de verdachte en raadsman heeft plaatsgevonden, waaruit als proceshouding van de verdachte naar voren is gekomen dat de bewezenverklaring wordt bestreden omdat verdachte meent onschuldig te zijn. Voor het hof is een en ander voldoende om de zaak vandaag in afwezigheid van de verdachte af te doen. (1)

In aanmerking genomen dat de raadsman heeft aangegeven dat hij hoger beroep heeft ingesteld naar aanleiding van een appbericht van de moeder van requirant, die namens requirant vroeg om hoger beroep in te stellen en gezien het feit dat de raadsman heeft aangegeven dat hij niet weet wat de proceshouding van requirant is en dat hij de zaak nog telefonisch met hem zou bespreken, maar dat dit er niet meer van is gekomen, is het oordeel van het hof inhoudende dat er voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep kennelijk contact tussen de verdachte en raadsman heeft plaatsgevonden, waaruit als proceshouding van de verdachte naar voren is gekomen dat de bewezenverklaring wordt bestreden omdat verdachte meent onschuldig te zijn, niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk.

Middel II

Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat de strafoplegging niet begrijpelijk is gemotiveerd.

Toelichting

Op pagina 2 van het arrest heeft het hof - voor zover voor de beoordeling van het onderhavige middel relevant - het navolgende overwogen:

‘Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 februari 2016, waaruit blijkt dat hij vele keren eerder door de strafrechter is veroordeeld, waaronder meerdere keren ter zake van feiten als thans bewezen verklaard.’

In aanmerking genomen dat zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken geen uittreksel uit het Justitieel documentatieregister d.d. 15 februari 2016 bevindt, is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd.

Met conclusie

Op voormelde gronden concludeer ik namens requirant tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof.

1. Zie proces-verbaal terechtzitting d.d. 1 april 2016, p. 1-3.