Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3393

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00793
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5841, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2016

Strafkamer

nr. S 16/00793

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2016, nummer 23/004052-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Pothast, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016.

Hoge Raad der Nederlanden

Zaaknummer S 16/00793

Inzake : [verdachte] / OM (cassatie)

Schriftuur Houdende Middel Van Cassatie

Geeft eerbiedig te kennen:

[verdachte], requirant tot cassatie van de te zijnen laste door het gerechtshof te Amsterdam, op 9 februari 2016 onder parketnummer 23/004052-14, gegeven uitspraak.

Middel

Schending van het recht, meer in het bijzonder art. 6 lid 3 sub c EVRM, dan wel verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, aangezien de beslissing van het gerechtshof om het aanhoudingsverzoek af te wijzen gezien de gegeven motivering onbegrijpelijk is.

Toelichting:

1. Er is sprake van een vormverzuim, aangezien de beslissing van het gerechtshof om het aanhoudingsverzoek af te wijzen gezien de gegeven motivering onbegrijpelijk is.
2. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 26 januari 2016 is er namens de verdediging tijdens de zitting een aanhoudingsverzoek naar voren gebracht.
3. Aan het aanhoudingsverzoek liggen -kort en goed- de volgende omstandigheden ten grondslag. Requirant kan niet bij genoemde zitting aanwezig zijn, omdat hij destijds in een tentamenperiode verkeerde. Er is aangevoerd dat requirant graag bij de zitting aanwezig wilde zijn, er is dus geen afstand gedaan van het aanwezigheidsrecht. Requirant wilde zijn persoonlijke omstandigheden persoonlijk toelichten. Dit klemt te meer nu requirant bij de politie geen verklaring heeft afgelegd en in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld.

4. Het gerechtshof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen met de volgende motivering:

“Na beraad in de raadkamer deelt de voorzitter as beslissing van het hof mee dat het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Het hof heeft daartoe in aanmerking genomen dat dat het feit waarvan de verdachte wordt verdacht van april 2013. Het hoger beroep zich (hoofdzakelijk) richt tegen de strafmaat. De verdachte is tijdig op de hoogte gesteld van de zitting en -naar het hof begrijpt- van de tentamenperiode. Hij heeft zelf de keuze gemaakt om naar zijn tentamens te gaan in plaats van vandaag ter terechtzitting aanwezig te zijn. In dit geval dient het strafvorderlijk belang van een spoedige behandeling van deze zaak zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde hem in staat te stellen op een latere datum ter terechtzitting aanwezig te zijn. De zaak zal derhalve inhoudelijk worden behandeld. ”

5. Blijkens de jurisprudentie moet de rechter in feitelijke aanleg bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.(1)

6. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering, welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, ernstig in het gedrang zou kunnen komen indien het onderzoek ter terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dat belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.(2)

7. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding.(3)

8. Voor de beoordeling van een verzoek om aanhouding springen, naast het aanwezigheidsrecht, de volgende van gewicht zijnde omstandigheden in het oog:

- of de verdachte is voorzien van rechtsbijstand en of de advocaat in staat is geweest de verdediging te voeren.

- de informatie over de (ernst van de) reden van verhindering van verdachte, de prognose en de toetsbaarheid ervan

- het tijdsverloop dat met de behandeling van de zaak al is gemoeid geweest en nog zal zijn gemoeid in de toekomst.

Ook nog andere omstandigheden kunnen een rol spelen. A-G Machielse denkt daarbij, zonder uitputtend te zijn, aan het relatieve gewicht van de zaak, de ernst van de aan de verdachte verweten gedragingen, en de zich aandienende meer of minder concrete verdedigingsbelangen.(4) A-G Fokkens spreekt in dit kader ook over de omstandigheid of de zaak in hoger beroep al eens op zitting heeft gestaan, of er getuigen moeten worden gehoord en het tijdsverloop van een zaak.(5) Fokkens merkt nadrukkelijk op dat het afwijzen van een aanhoudingsverzoek wegens het onnodig beslag leggen op schaarse zittingscapaciteit begrijpelijk is, maar geen afdoende argument voor afwijzing van een dergelijk verzoek vormt.

9. Requirant constateert dat het hof hetgeen ten grondslag is gelegd aan het aanhoudingsverzoek aannemelijk heeft geacht, maar kennelijk niet van voldoende gewicht. Requirant stelt zich op het standpunt dat de motivering ter afwijzing van het aanhoudingsverzoek onbegrijpelijk is.

10. Dit is het geval omdat er weldegelijk een zwaarwegend belang is aangevoerd waarom hij niet op de zitting aanwezig was. Requirant verkeerde in een tentamenperiode en hij had op dezelfde dag als de terechtzitting tentamens. Dat hij tijdig op de hoogte is geraakt van zowel de zitting als de tentamenperiode, maakt dit niet anders. Requirant kan immers niet een tentamen verplaatsen, welke klassikaal worden afgenomen. Het klopt dat cliënt de keuze heeft gemaakt om voor zijn studie te kiezen in plaats van de terechtzitting, maar ik denk dat we er blij mee moeten zijn dat requirant zijn studie serieus neemt. Requirant heeft jaren lang niets tot weinig met zijn leven gedaan (studie dan wel werk) en is nu eindelijk met positieve dingen bezig en dan wordt hem dat op deze manier tegengeworpen.

11. Daar komt bij dat requirant bij de politie geen verklaring af heeft gelegd en in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld. Requirant heeft dus nimmer zijn kan van het verhaal verteld en zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht. De omstandigheid dat het hoger beroep (hoofdzakelijk, er zijn ook opmerkingen gemaakt in het kader van de bewezenverklaring) is gericht jegens de strafmaat, maakt dit niet anders.

12. Het hof weegt het strafvorderlijk belang van een spoedige behandeling van de zaak zwaarder dan het aanwezigheidsrecht van requirant. Requirant meent dat, zonder het feit te bagatelliseren, het feit waarvan hij wordt verdacht een niet buitengewoon ernstig feit betreft dat om geen enkele reden om een bijzonder snelle berechting vraagt (zie conclusie Fokkens). Daar komt bij dat de zaak niet eerder op zitting heeft gestaan. Het hoger beroep is ingesteld op 21 oktober 2014 en de eerste en enige zitting heeft plaats gevonden op 26 januari 2016, om en nabij de 15 maanden later. Requirant stelt zich dan ook op het standpunt dat van een ‘snelle’ berechting al geen sprake meer was. Het hof weegt een spoedige behandeling dus zwaarder dan het aanwezigheidsrecht van requirant, terwijl dit doel nimmer kan worden bereikt, aangezien van een spoedige behandeling al geen sprake was. Dit maakt de motivering van het hof onbegrijpelijk.

13. Aan de andere kant kwam de redelijke termijn nog niet ernstig in gevaar en betreft een geen complexe zaak, het dossier dun van stuk en er waren geen onderzoekswensen. Wat requirant betreft was er dus geen enkel beletsel om de zaak aan te houden. Requirant merkt op dat het hof gebruik had kunnen maken van de mogelijkheid om de zaak voor bepaalde tijd aan te houden, dan was er direct een datum geprikt voor een nieuwe zitting en dat was op die datum de zaak inhoudelijk behandeld.

14. Op grond van het bovenstaande is de beslissing van het gerechtshof om het aanhoudingsverzoek af te wijzen gezien de gegeven motivering onbegrijpelijk.

15. Requirant heeft belang bij hernieuwde behandeling van zijn zaak ten overstaan van het hof, omdat hij dan alsnog gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht. Requirant wenst zijn lezing te geven over het incident van 12 april 2013 en zijn persoonlijke omstandigheden nader toe te lichten.

1. HR 26 januari 1999, NJ 1999,294.

2 HR 17 februari 1998, NJ 1998,428.

3 HR 28 januari 2014. NJR 2014/174.

4 HR 9 mei 2000, LJN AA5730, conclusie Machielse.

5 HR 17 maart 1998. NJ 1998. 501. conclusie Fokkens.