Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3388

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/00281
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:5637, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2016

Strafkamer

nr. S 16/00281

NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 december 2015, nummer 23/002074-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016.

[verdachte], wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats];

dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23/002074-15), uitgesproken op 30 december 2015 de volgende middelen voor cassatie voordraagt:

Eerste middel:

Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen doordat het Hof heeft nagelaten uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van "wederrechtelijk" inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster in de periode 9 augustus 2013 tot en met februari 2014.

Toelichting:

Er is geen sprake van wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster in de onderhavige periode. Het contact tussen verdachte en aangeefster is ten behoeve van de omgang met de kinderen, gezien het feit dat de oudste zoon bij verdachte woont en de jongste zoon bij aangeefster. Er is derhalve sprake van noodzakelijk contact omwille van de kinderen en niet van een "wederrechtelijke" inbreuk.

Hierbij is tevens het verweer gevoerd dat het contactverbod van de rechtbank Amsterdam (voorzieningenrechter) op 13 augustus 2013 is opgelegd voor een periode van vier maanden (te weten tot 13 december 2013), waarna geen verlenging heeft plaatsgevonden. Dit contactverbod heeft derhalve slechts betrekking op de periode 13 augustus 2013 tot 13 december 2013 en niet op de gehele periode.

Tweede middel:

Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen doordat het Hof een proeftijd van drie jaar heeft bepaald, terwijl het opleggen van een proeftijd van drie jaar niet of niet voldoende is gemotiveerd.

Toelichting:

Het Hof heeft bepaald dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich gedurende de proeftijd van drie jaar niet houdt aan de opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden. Het Hof heeft hierbij niet gemotiveerd waarom een proeftijd van drie jaar is opgelegd in plaats van een proeftijd van twee jaar.