Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:3383

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
15/05960
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:4011, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2016

Strafkamer

nr. S 15/05960

KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 oktober 2015, nummer 22/002441-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016.

Zaaknummer: S 15 / 05960

Geeft eerbiedig te kennen:

[verdachte]. geboren op [geboortedatum] 1979, voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende te Amsterdam, op het kantoor van zijn raadsman, mr. R.B. Schmidt (Barbara Strozzilaan 101,1083 HN Amsterdam), die door hem bepaaldelijk is gemachtigd deze cassatieschriftuur in te dienen en te ondertekenen;

dat requirant van cassatie (hierna te noemen: requirant) ter zake een hem betreffend arrest van het gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 8 oktober 2015 (parketnummer 10-680303- 13, rolnummer 22-002441-14), het navolgende middel van cassatie voordraagt:

Inleiding, belang cassatieberoep

Requirant heeft een rechtens te respecteren belang bij een procedure in cassatie, nu het gerechtshof requirant, ondanks uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de bewijsmiddelen een bewezenverklaring niet kunnen dragen, heeft veroordeeld voor brandstichting tot een aanzienlijke gevangenisstraf.

De bewijsoverwegingen van het gerechtshof bevatten geen, althans onvoldoende, redengevende feiten en omstandigheden welke een wettige en overtuigende bewezenverklaring kunnen dragen.

Naast een aanzienlijk belang voor requirant is een beoordeling van het arrest in cassatie tevens in het belang van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling te achten nu het ziet op het motiveringsvoorschrift van de bewezenverklaring en de zaak van requirant afwijkt van voorkomende casussen in de jurisprudentie van de Hoge Raad.

MIDDEL

Het recht is geschonden en/of vormen zijn verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt nu het gerechtshof de bewezenverklaring van feit 1 onbegrijpelijk - althans ontoereikend - heeft gemotiveerd.

De door het gerechtshof gehanteerde bewijsredenering bevat geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring alsmede diende de bewezenverklaring - gelet op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van requirant - nader te worden gemotiveerd.

(359 lid 3 Sv, 415 Sv).

TOELICHTING MIDDEL

Het gerechtshof heeft de bewezenverklaring van de brandstichting onder feit 1 als volgt gemotiveerd (citaat p. 35: bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen):

"Bewijsoverweging

Uit de wettige bewijsmiddelen leidt het hof onder meer het volgende:

- Hoewel de tijdstippen moeilijk zijn te verifiëren, staat vast dat op 28 februari 2013 zowel vóór als na het tijdstip van de brandstichting een auto met het kenteken [AA-00-BB] op camerabeelden in de buurt van het pand [a-straat 1] te Zwijndrecht is waargenomen. Er worden geen andere auto's waargenomen. Drie dagen na de brand wordt de verdachte als bestuurder van de voornoemde auto aangetroffen, welke auto vóór de brand voor hem gehuurd is door [A];

- Een bij de huiszoeking bij verdachte aangetroffen jerrycan betreft precies eenzelfde jerrycan als de in het pand [a-straat 1] aangetroffen jerrycans waarmee de brand is gesticht. Bovendien heeft deze jerrycan een partijnummer dat opvolgend is met een van de jerrycans die gevonden is bij de brandstichting.

- Aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte [B] komen ook naar voren uit de contacten van de verdachte en [B] onderling en van hen afzonderlijk met [C], zoals blijkt uit de hiervoor vermelde OVC-gesprekken, TAP gegevens en observaties, en uit de zendmastgegevens m.b.t. 27 en 28 februari 2013.

Het hof is van oordeel dat op basis van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het de verdachte is geweest die samen met de medeverdachte [B], tegen betaling door [C], brand heeft gesticht in een bedrijfspand gelegen aan de [b-straat 1]. Het hof neemt daarbij in overweging dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen over waarbij de avond van 28 februari 2013 is geweest. Zonder iets af te doen aan het recht van verdachte om te zwijgen, zal het hof- nu een aantal voor de verdachte belastende bewijsmiddelen vragen om een uitleg van de verdachte - aan voornoemde feiten en omstandigheden een voor de verdachte negatieve uitleg geven.

Gezien het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de in de onder 1 bewezenverklaring omschreven gedragingen heeft begaan."

Een bewezenverklaring dient volgens de wet en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad te worden gemotiveerd onder opgave van redengevende feiten en omstandigheden welke een bewezenverklaring kunnen dragen (art. 359 lid 3 Sv).

De door het gerechtshof vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen niet als redengevend worden aangemerkt. Uitsluitend vastgesteld is dat een auto, welke voor requirant zou zijn gehuurd, op door het gerechtshof niet vastgestelde tijdstippen in de buurt van de plaats delict heeft gereden; dat precies eenzelfde jerrycan (als aangetroffen op de plaats delict) met opvolgend partijnummer onder requirant in beslag is genomen en dat "aanwijzingen" van betrokkenheid volgen uit de contacten tussen requirant, [B] en [C].

De door het gerechtshof benoemde feiten en omstandigheden kunnen de bewezenverklaring niet dragen. Niet is door het gerechtshof vastgesteld - noch kan blijken uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - dat de auto (laat staan de onbekende inzittenden daarvan) betrokkenheid heeft (hebben) gehad bij het ten laste gelegde feit.

"Aanwijzingen" van betrokkenheid, zoals door het gerechtshof uitdrukkelijk als zodanig benoemd, zijn ontoereikend voor een wettige en overtuigende bewezenverklaring en dienen door de rechter nader te worden gemotiveerd.

De bewijsredenering bevat bovendien overwegingen welke niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Zo heeft het gerechtshof overwogen:

"Een bij de huiszoeking bij verdachte aangetroffen jerrycan betreft precies eenzelfde jerrycan als de in het pand [a-straat 1] aangetroffen jerrycans waarmee de brand is gesticht. Bovendien heeft deze jerrycan een partijnummer dat opvolgend is met een van de jerrycans die gevonden is bij de brandstichting. ”

Deze omstandigheden blijken niet uit de door het gerechtshof opgenomen bewijsmiddelen noch heeft het gerechtshof gemotiveerd uit welk (ander) bewijsmiddel dit zou kunnen blijken.

Uitsluitend het door het gerechtshof gebezigd bewijsmiddel 8 ziet op serienummers van aangetroffen jerrycans. In dit bewijsmiddel is opgenomen dat in de woning van requirant twee witte jerrycans met een groene schroefdop zijn aangetroffen. Een van deze jerrycans was "soortgelijk" aan de jerrycans die waren aangetroffen bij het forensisch onderzoek bij [a-straat 1] in Zwijndrecht. Van de jerrycans zijn foto's bijgevoegd. Omtrent de serienummers bevat bewijsmiddel 8 uitsluitend de volgende zinsnede (citaat bewijsmiddel 8):

"Twee foto's met daarop de serienummers van voornoemde jerrycans."

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan dus eveneens niet blijken dat sprake was van precies eenzelfde jerrycan met een opvolgend partijnummer. Uitsluitend kan uit het bewijsmiddel worden afgeleid dat sprake was van een "soortgelijke" jerrycan.

Bovenal was het gerechtshof gehouden om de bewezenverklaring nader te motiveren nu requirant bij uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft aangevoerd dat de bewuste auto (Opel Corsa) niet betrokken kan zijn geweest bij de brandstichting en dat (mede) deze omstandigheid derhalve aan een bewezenverklaring in de weg staat.

Zo heeft requirant aangevoerd (2 citaten uit pleitaantekening):

"Met betrekking tot de brandstichting heeft de verdediging het verweer gevoerd dat het tijdstechnisch niet mogelijk is geweest dat de inzittenden van de Opel Corsa de brand hebben gesticht. De verdediging stelt dat het feitelijk niet mogelijk is de afstand tussen [a-straat 1] en de camera die de Opel Corsa om 4:03:10 vastlegt binnen 17 seconden af te leggen."

"Als om 04:02:53 uur de tweede deur opengaat zit er nog 17 seconden tussen het moment dat de camera de Opel Corsa vastlegt. In die 17 seconden moeten er dus twee jerrycans bij de meerdere brandhaarden in de kelder en restaurant zijn verspreid en moet de afstand naar de camera zijn overbrugd. Dit is gelet op de feiten onmogelijk."

Het gerechtshof heeft op dit uitdrukkelijke onderbouwde standpunt niet gerespondeerd. Mede om die reden is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.

Betrokkenheid van requirant bij het ten laste gelegde feit kan niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsvoering noch de inhoud van de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen. De bewijsoverweging bevat geen, althans ontoereikende, redengevende feiten en omstandigheden. Daarmee is de bewezenverklaring ontoereikend althans onbegrijpelijk gemotiveerd.

Vgl. HR 29-03-2016, ECLI:NL:HR: 2016:529, citaat overwegingen 2.1 t/m 2.4:

2.1.

Het middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring onder 2.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 1 november 2011 in Nederland, een ander, genaamd [betrokkene 1 ],

(lid 1, onder 1 )

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1], immers heeft hij, verdachte, (telkens):

- ( terwijl [betrokkene 1] hoge schulden had)

- ( nadat [betrokkene 1] brieven van schuldeisers kreeg en/of toen tegen verdachte had gezegd dat ze aan geld moest komen en dat het haar niet uitmaakte hoe ze dit kon verdienen, al moest ze in de prostitutie werken) [betrokkene 1] aangeboden om haar te helpen met het werken in de prostitutie en

- [ betrokkene 1 ] voorgesteld om naar Arnhem te komen om daar wat foto's voor een site te maken en

- [ betrokkene 1 ] voorgesteld aan een ander/persoon die haar zou helpen en/of wegwijs zou maken en/of begeleiden in de prostitutie en

- met [betrokkene 1 ] besproken/afgesproken dat het met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld zou worden verdeeld in vieren en/of dat een oom haar zou rijden om bescherming te bieden. "

2.2.2.

Deze bewezenverklaring berust - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - op de volgende bewijsvoering:

"Uit het dossier blijkt het volgende

(...)

Op 5 januari 2012 heeft [betrokkene 1 ] (geboren [geboortedatum] 1992) tijdens een informatief gesprek met de politie het volgende medegedeeld zakelijk weergegeven

Zij heeft [verdachte] gevraagd of zij voor hem kon werken. Zij wist namelijk niet hoe zij in het wereldje van de prostitutie kon beginnen, [verdachte] heeft haar meegenomen naar Twello en haar daar voorgesteld aan een vriend van hem.

Op 27 februari 2012 heeft [betrokkene 1 ] ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven

Ik heb schulden. Ik betaal deze af met geld dat ik in de prostitutie verdien. Ik besloot in de prostitutie te gaan werken, vlak nadat ik [verdachte] had leren kennen. Ik leerde [verdachte] in september 2011 kennen, denk ik.

Ik ontmoette hem in de trein. Ik was direct van hem gecharmeerd. Hij zette zijn ping-adres op het treinkaartje.

Hij probeerde mij te versieren via de ping door mij schoonheid te noemen en te vragen of ik een vriend had en zo. Wij hebben elkaar een paar keer ontmoet, onder meer in een hotel in Duiven waar we seks met elkaar hadden. In die tijd kreeg ik brieven van schuldeisers. Ik heb [verdachte] toen gezegd dat ik aan geld moest komen en dat het me niet uitmaakte hoe, al moest ik in de prostitutie werken, [verdachte] heeft mij aangeboden om mij dan te helpen met het werken in de prostitutie. Toen ik hem voorstelde om in de prostitutie te werken, stelde hij me voor om naar Arnhem te komen om foto's te maken voor een site. Ik ben naar Arnhem gegaan, maar daar was [betrokkene 2] ook. Ik wilde niet dat zij er bij was als er foto's werden gemaakt. Er zijn geen foto's gemaakt, [verdachte] heeft mij voorgesteld aan een persoon die mij zou helpen in de prostitutie. Ik zou gaan werken in de prostitutie en het daarmee verdiende geld, zou verdeeld worden in vieren. Een gedeelte zou naar zijn oom gaan, een gedeelte naar hem en een gedeelte naar die jongen. Er zou een gedeelte naar die oom gaan, omdat die oom mij zou rijden. In eerste instantie zou ik voor [verdachte] gaan werken en uiteindelijk heeft hij me voorgesteld aan de vierde persoon om mij wegwijs te maken. Deze persoon wilde dat ik het contact met [verdachte] zou verbreken, omdat [verdachte] toch maar misbruik van mij zou maken.

Hierna heb ik geen contact meer gehad met [verdachte] .

(...)

Op 8 april 2013 heeft [betrokkene 2] ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven

[verdachte] heeft zoveel gezichten. Ik meende dat het een hele lieve jongen was, maar dat bleek niet zo te zijn. Hij kan heel bezitterig en jaloers zijn. Hij speelt gewoon met je. Ik weet wel dat hij de zwakkeren zoekt.

Hij zoekt personen die in een relatie zitten die niet goed gaat. Dat heeft hij bij mij ook gedaan. Ik was een keer bij mijn broer [betrokkene 3] en daar was [verdachte] toen ook. Hij vroeg mijn telefoonnummer en van dat moment af zijn wij gaan pingen . Ik ken hem vanaf eind oktober 2011. (...) De meeste meisjes, waarvan ik het wist, leerde hij via die site "pingfriends" kennen. (...)

Op 2 mei 2013 heeft [betrokkene 3] ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven

Ik heb één keer een vuurwapen bij [verdachte] gezien. (...) [betrokkene 4] en [betrokkene 5] vertelden dat zij onder dwang van [verdachte] als hoer werkten. (...) Zij waren zo bang voor [verdachte] . Het leek wel of hij macht over hen had. [verdachte] ging vrij hard met die meisjes om. Hij commandeerde ze. (...) [verdachte] bestelde ook allemaal telefoons en laptops op naam van die meisjes. (...) Ik ben zelf een paar keer mee geweest naar zo'n telefoonzaak. [betrokkene 4] ging dan naar binnen en bestelde een telefoon op haar naam.

Die gaf ze daarna aan [verdachte] . Dit is ook met die andere meisjes gebeurd. (...) Ik heb [verdachte] drugs zien gebruiken. Ik heb wei eens gezien dat hij vier of vijf XTC-pillen tegelijk gebruikte. Ik heb hem ook wel cocaïne zien gebruik, [verdachte] blowde ook wel eens maar niet veel. [verdachte] snoof wel vier of vijf keer per dag cocaïne.

Ik heb [betrokkene 1] en [verdachte] meegenomen naar Twello. We hebben [betrokkene 1 ] afgezet bij [betrokkene 6] en [betrokkene 7] . Er waren kennelijk afspraken gemaakt tussen [verdachte] en de jongens die daar waren dat ze iets met hoeren zouden beginnen, [verdachte] zou de hoeren leveren. Nu had [verdachte] alleen [betrokkene 1 ] gebracht en dat was niet genoeg om vier mensen van te onderhouden. Ik heb dit allemaal zelf gehoord.

Verdachte heeft op 22 april 2013 ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven

Weetje het verhaal is zo. Er waren een paar meisjes die wilden werken, maar ze wisten niet hoe. Mijn neef en ik wisten dat wel. Er zijn dingen besproken die niet konden, ook door mijn verslaving destijds. Ik moest geld hebben. Zo zijn er abonnementjes afgesloten. Oplichting klopt wel. Ik moest aan mijn behoefte voldoen. Als jongen vond ik het mooi om meiden voor me te laten werken, maar dat is er niet van gekomen. Kijk die abonnementen is wel oplichting, maar dat was om in mijn cocaïnebehoefte te voorzien.

Verdachte heeft op 23 april 2013 ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik heb op verschillende datingsites contact gehad met verschillende meiden. Ik ben in die tijd ook verslaafd geraakt. (...) Ik moest geld hebben. Dat kreeg ik door abonnementen af te sluiten en de telefoons te verkopen.

Ook auto's financieren en dan verkopen. De meiden zouden gaan werken; daarmee bedoel ik als escort aan de slag gaan. Ik heb de meiden gevraagd die telefoons en auto's voor mij te doen. (...)

Verdachte heeft op 24 april 2013 ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik kan me voorstellen dat vrouwen bang van me worden als ik boos word. Ik heb agressie in mij. Als ik niet gebruik weet ik mijn grenzen en kan ik met mijn agressie omgaan, maar door die coke had ik die grenzen niet.

Ik schreeuwde zelfs tegen mijn moeder in die tijd.

(...)

Verdachte heeft op 3 mei 2013 ten overstaan van de politie als volgt verklaard - zakelijk weergegeven

(...)

[betrokkene 1] heeft mij benaderd om haar te helpen aan de slag te gaan in de prostitutie. Het klopt dat [betrokkene 1] naar Arnhem is gekomen voor het maken van foto's, [betrokkene 3] reed ons naar onder meer Deventer.

(...)

Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank Gelderland op 9 september 2013 als volgt verklaard - zakelijk weergegeven -:

(...)

Ik heb [betrokkene 1] voorgesteld aan [betrokkene 6] . Ze wilde graag in de prostitutie werken en vroeg of ik iets kon regelen. Ik ben met mijn neef er naar toe gegaan en er is een gesprek geweest.

(...)

Ik gebruikte in die tijd twee gram cocaïne per dag. Dat kostte € 100 per dag. Ik kreeg het geld dat ik nodig had voor de cocaïne van de meisjes. Het was de bedoeling dat ze in de prostitutie zouden gaan werken, in overleg.

Oordeel hof

(...)

[betrokkene 1 ] (feit 2, 05-860748-13)

[betrokkene 1] wilde geld verdienen om haar schulden af te lossen. Ze wilde om die reden wel in de prostitutie werken en verdachte heeft aangeboden haar daarbij te helpen. Verdachte heeft haar naar Arnhem gebracht om daar foto's van haar te maken. Ook heeft hij haar naar een kennis in Twello gebracht. Deze kennis zou [betrokkene 1 ] wegwijs maken in de prostitutie. Het was de bedoeling van verdachte dat [betrokkene 1 ] slechts een vierde deel van haar verdiensten mocht behouden. De rest zou naar de verdachte en nog twee andere mannen gaan. Een situatie waarin een prostituee (als gevolg van bijvoorbeeld misbruik van een kwetsbare positie en/of overwicht van de verdachte) slechts een kwart van haar verdiensten mag behouden, levert in de regel financiële uitbuiting op, zoals strafbaar is gesteld in artikel 273f lid onder 9 Wetboek van Strafrecht. Niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid die maakt dat bovengenoemde verdeling geen situatie van uitbuiting zou opleveren.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich daarom schuldig gemaakt aan het vervoeren van [betrokkene 1 ] met het oogmerk van uitbuiting. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [betrokkene 1 ] verkeerde en van het overwicht dat hij had op [betrokkene 1 ] . [betrokkene 1 ] zat in de schulden en wilde van alles doen om van die schulden af te komen, ook werk in de prostitutie. Zij heeft dit tegen verdachte gezegd en verdachte heeft haar toen aangeboden om haar te helpen bij het vinden van werk in de prostitutie, [betrokkene 1 ] voelde zich kennelijk afhankelijk van de verdachte, omdat zij zijn hulp nodig meende te hebben bij het vinden van werk in de prostitutie. Onder die omstandigheden kon verdachte met haar afspreken dat zij slechts een kwart van haar verdiensten zou behouden.

(...)"

2.3.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte "een ander, genaamd [betrokkene 1 ], (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1 ]

[betrokkene 1] " volgt niet zonder meer uit de bewijsvoering.

2.4.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld

Vgl. HR 30-10-2012, ECLI:NL:HR: 2012: BX4762, citaat overwegingen 2.3 t/m 2.6:

2.3.

De werkwijze in de onderhavige zaak ten aanzien van de bewijsmotivering komt hierop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat, en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In zo'n geval behoort de verwijzing naar de bewijsmiddelen zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet-redengevende onderdelen inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd (vgl. HR 15 mei 2007, UN BA0424, NJ 2007/367 rov. 5.6.1).

2.4.

In de hiervoor weergegeven bewijsmotivering zijn aan tapverslagen ontleende feiten en omstandigheden vermeld die het Hof kennelijk redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring. De verwijzing in voetnoot 5 naar "p. 14 076 t/m 14 122 (geschriften, te weten de weergave van tapgesprekken)" voldoet echter niet aan de vereiste mate van nauwkeurigheid.

2.5.

Voorts is de bewezenverklaring voor zover behelzende de volgende woorden of zinsneden:

(i) "[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4]",

(ii) "te Amsterdam", "[heeft weggenomen een tas] met daarin onder andere een geldbedrag van 2500 euro",

(iii) "[dat hij, verdachte of zijn mededader] tegen [betrokkene 5] heeft geroepen "je hebt nog meer geld bij je, je hebt nog meer geld" en aan de tas van [betrokkene 5] heeft gerukt",

niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien deze woorden of zinsneden niet door de inhoud van de bewijsvoering worden geschraagd.

2.6.

De bewezenverklaring is aldus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Tot slot heeft het gerechtshof aan het gebruik van het zwijgrecht een negatieve uitleg gegeven nu het gerechtshof stelt dat een aantal voor requirant belastende bewijsmiddelen vragen om een uitleg van requirant. De door het gerechtshof benoemde feiten en omstandigheden zijn echter niet van zodanige aard en omvang dat deze dusdanig belastend zijn dat de inhoud daarvan "schreeuwt om een uitleg" van requirant (Vgl. Vgl HR 3 juni 1997, NJ 1997/584, EHRM 8 februarii 1996, NJ 1996/725, Murray). Het gebruik van het zwijgrecht kan derhalve niet bijdragen aan de motivering van de bewezenverklaring.

CONCLUSIE:

dat het uw Edelhoogachtbaar College moge behagen het bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag te vernietigen en, in geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arrest, de zaak terug te verwijzen naar het gerechtshof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.