Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:319

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
15/01396
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2396, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:383, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 1, lid 7, art. 21, lid 5, en art. 24, lid 2, Successiewet 1956 (tekst 2010). Verkoop woning tegen WEV € 250.000 met kwijtschelding van een deel van de koopsom (€ 40.000). WOZ-waarde € 258.000 speelt geen rol bij bepaling van de hoogte van de schenking. Vermindering van schenkbelasting met overdrachtsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0497
V-N 2016/14.17
V-N Vandaag 2016/415
Belastingadvies 2016/7.10
FED 2016/46
BNB 2016/117
prof.mr.dr. B.M.E.M. Schols annotatie in NTFR 2016/797

Uitspraak

26 februari 2016

nr. 15/01396

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2015, nr. 13/00713, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/4080) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 november 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Op 26 juli 2010 heeft [A], hierna: (schoon)vader, een woning geleverd aan zijn dochter en haar echtgenoot, belanghebbende (hierna tezamen ook: de echtgenoten). De koopsom bedraagt € 250.000. Over deze koopsom hebben de echtgenoten 6 percent overdrachtsbelasting, ofwel € 15.000, op aangifte voldaan. In de akte van levering heeft (schoon)vader van de koopsom een bedrag van € 40.000 kwijtgescholden.

2.1.2.

De echtgenoten hebben aangifte voor de schenkbelasting gedaan van een schenking van € 40.000. In de aangifte is verzocht om de betaalde overdrachtsbelasting door middel van verrekening in mindering te brengen op de schenkbelasting op grond van de samenloopregeling van artikel 24, lid 2, van de Successiewet 1956 (tekst 2010; hierna: de SW).

2.1.3.

De WOZ-waarde van de woning bedraagt voor het jaar 2010 € 258.000.

2.1.4.

De Inspecteur heeft de schenkbelasting als volgt berekend:

- Bevoordeling € 43.000, zijnde het verschil tussen WOZ‑waarde en de koopsom (€ 8000) plus het bedrag van de kwijtschelding (€ 40.000) minus de vrijstelling (€ 5000).

- Schenkbelasting: 10 percent van de bevoordeling = € 4300 minus verrekening van overdrachtsbelasting € 2149 = € 2151.

Voor de verrekening van overdrachtsbelasting heeft de Inspecteur een deel van de vrijstelling voor de schenkbelasting in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft dit deel berekend op € 40.000/€ 48.000 x € 5000 = € 4166,67. De te verrekenen overdrachtsbelasting wordt aldus volgens de Inspecteur (€ 40.000 minus € 4166,67) x 6 percent = € 2149.

2.1.5.

De Inspecteur heeft aan elk van beide echtgenoten een aanslag schenkbelasting opgelegd van (€ 4300 minus € 2149 =) € 2151 : 2 = € 1075.

2.2.

Voor het Hof was in geschil de omvang van de schenking en de hoogte van het bedrag van de overdrachtsbelasting dat in mindering strekt van de schenkbelasting.

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat, aangezien tegelijkertijd met de koop van de woning een deel van de koopsom is kwijtgescholden, sprake is van een samenstel van rechtshandelingen. Dit leidt er volgens het Hof toe dat de koop van de woning en de kwijtschelding van een deel van de koopsom voor de toepassing van artikel 24, lid 2, van de SW worden gelijkgesteld met de verkoop van een woning tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer. Uitgaande van dit samenstel van rechtshandelingen is het object van de schenking een woning waarop het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, van de SW van toepassing is. De omvang van de schenking voor de schenkbelasting bedraagt derhalve € 48.000, aldus het Hof.

Aangezien de Inspecteur naar het oordeel van het Hof het bedrag aan schenkbelasting, na vermindering met overdrachtsbelasting, juist heeft berekend, luidt de slotsom dat de aanslag schenkbelasting in stand blijft.

2.3.2.

Het eerste middel komt op tegen het hiervoor onder 2.3.1 weergegeven oordeel met het betoog dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat de omvang van de door de echtgenoten ontvangen gift niet € 40.000 maar € 48.000 is.

2.3.3.

Volgens artikel 1, lid 7, van de SW moet, voor zover hier van belang, onder schenking worden verstaan de gift, bedoeld in artikel 7:186, lid 2, BW. Volgens artikel 7:186, lid 2, BW wordt als gift aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt.

2.3.4.

De woning is aan de echtgenoten overgedragen tegen een koopprijs van € 250.000 welke prijs, naar ’s Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling, gelijk is aan de waarde in het economische verkeer van de woning ten tijde van de overdracht. De verkoop van de woning tegen een prijs die gelijk is aan de waarde in het economische verkeer kan geen schenking opleveren, omdat door die handeling de koper niet wordt verrijkt ten laste van het eigen vermogen van de verkoper. Onder die omstandigheden schuilt er in de verkoopprijs van de woning niet een schenking van de (schoon)vader aan de echtgenoten.

2.3.5.

De omstandigheid dat in de akte van levering van de koopsom een bedrag van € 40.000 is kwijtgescholden, hetgeen een schenking in de zin van de SW inhoudt, brengt niet mee dat het object van deze schenking de woning is. Dat wordt niet anders doordat de verkoop van de woning en de kwijtschelding van een deel van de koopsom zodanig met elkaar samenhangen dat zij voor de toepassing van artikel 24, lid 2, van de SW als een samenstel van rechtshandelingen worden beschouwd.

2.3.6.

Het hiervoor overwogene betekent dat het bij de schenking verkregene in aanmerking moet worden genomen naar de waarde van de kwijtschelding, te weten € 40.000. Waardering van de woning met toepassing van het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, van de SW is dan niet aan de orde.

2.3.7.

Een en ander roept de vraag op of in dit geval de samenloopregeling van artikel 24, lid 2, van de SW van toepassing is. De strekking van die bepaling is dubbele belasting te voorkomen in gevallen waarin ter zake van een rechtshandeling of een samenstel van rechtshandelingen dat als één geheel is te beschouwen, overdrachtsbelasting en schenkingsrecht zouden worden geheven over hetzelfde bedrag. Uit ’s Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling dat een zodanig samenstel zich in het onderhavige geval voordoet, volgt dat artikel 24, lid 2, van de SW naar zijn strekking van toepassing is. De bewoordingen van die bepaling staan daaraan niet in de weg. Het eerste middel slaagt derhalve.

2.4.1.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.6 en 2.3.7 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling.

2.4.2.

De bestreden aanslag schenkbelasting dient als volgt te worden berekend: Belaste schenking (€ 40.000 minus vrijstelling € 5000 =) € 35.000 à 10 percent is € 3500, waarop in mindering komt 6 percent van € 35.000 = € 2100. Van de aldus voor de beide echtgenoten resterende schenkbelasting (€ 1400) komt € 700 voor rekening van belanghebbende.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. De samenhang van de zaken met de kenmerken 15/01396 en 15/01414 wordt daarbij in aanmerking genomen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot € 700,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 118,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 2976, derhalve € 1488, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 992, derhalve € 496, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 992, derhalve € 496, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.