Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:302

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
15/00192
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2693, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:6632, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bijzondere voorwaarde. Art. 14c.2 onder 5° (oud) Sr (thans art. 14c.2 onder 14° Sr). 2. Vordering b.p., wettelijke rente. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1968:AB6079 m.b.t. het feit dat een bijz. voorwaarde a.b.i. art. 14c.2 onder 5° (oud) Sr (thans art. 14c.2 onder 14° Sr) het gedrag van veroordeelde dient te betreffen en dat als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. De bijz. voorwaarde dat "de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen", is i.s.m. genoemde bepaling omdat deze voorwaarde niet voldoet aan voornoemde maatstaven. Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat het Hof weliswaar kennelijk het oog had op gedrag dat met - kort gezegd - kinderporno verband houdt, maar daartoe niet een voldoende precies gedragsvoorschrift heeft geformuleerd, alsmede dat het toezicht op de naleving van voorwaarden, is geregeld en een bijz. voorwaarde in de zin van art. 14c.2 onder 14º, Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeen komt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd. Ad 2. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie AG onder 23 t/m 25 moet worden aangenomen dat als gevolg van een kennelijke vergissing in de bestreden uitspraak is vermeld dat het aan de b.p. X toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2010, de dag dat het onder 2 bewezenverklaarde feit is gepleegd, in plaats van vanaf 13 november 2010, de dag waarop het onder 1 bewezenverklaarde feit jegens de b.p. is gepleegd. De Hoge Raad herstelt deze misslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/511
RvdW 2016/344
JIN 2016/68 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
NBSTRAF 2016/103
SR-Updates.nl 2016-0114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 februari 2016

Strafkamer

nr. S 15/00192

DAZ/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 25 augustus 2014, nummer 21/008471-13,

in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C. Huisman, advocaat te Deventer, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt over de door het Hof opgelegde bijzondere voorwaarde.

2.2.1.

De verdachte is bij het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank ter zake van:

1. het in het bezit hebben en het vervaardigen van - kort gezegd - kinderporno, telkens meermalen gepleegd, en

2. het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde dat:

"de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen."

2.2.2.

De strafmotivering houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Verdachte heeft met zijn buurmeisje dat, toen het misbruik begon 8 jaar was, seksuele handelingen gepleegd welke hebben plaatsgevonden in de opeenvolgende woningen van verdachte. Het meisje kwam regelmatig bij hem over de vloer omdat verdachte in de eerste woning een buurman was en een vriend van de familie. Verdachte heeft hierdoor misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van een jeugdige en de lichamelijke integriteit van het meisje geschonden. Verdachte is jarenlang ontuchtige handelingen met het slachtoffer blijven verrichten totdat zij omstreeks de leeftijd van 13 jaar had.

Voorts heeft verdachte een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit gehad en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een markt waarop dergelijk verwerpelijk en voor jeugdigen schadelijk materiaal wordt aangeboden. Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat kinderen door genoemd misbruik lichamelijke en psychische schade kunnen oplopen, hetgeen ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Uit het onderzoek van de inbeslaggenomen gegevensdragers blijkt 70 procent van de kinderpornografische afbeeldingen minderjarigen onder de 12 jaar betreft. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Verdachte heeft bovendien ook kinderporno zelf vervaardigd met afbeeldingen van jonge meisjes van wie de ouders vertrouwden dat zij bij hem veilig zouden zijn.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 16 juli 2013 waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens ontucht is veroordeeld;

- een beknopt adviesrapport over de persoon van verdachte d.d. 15 februari 2012.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van het bezit van kinderporno een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een werkstraf voor de duur van 240 uren en ten aanzien van het vervaardigen van kinderporno een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Daarbij is echter vermeld dat moet worden gedacht aan een persoon die niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten en die een geringe hoeveelheid kinderporno in bezit heeft gehad. In het geval van verdachte kan niet meer van een geringe hoeveelheid worden gesproken. Daarbij komt dat verdachte ook daadwerkelijk ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een minderjarige terwijl hij in de positie van buurman en als vriend van de familie verkeerde. De rechtbank is in dit geval dan ook van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Alles afwegend en rekening houdend met de ouderdom van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden."

2.3.1.

Het toepasselijke wettelijk kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12.

2.3.2.

De toelichting bij de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling) houdt ten aanzien van art. 14c, tweede lid, Sr onder meer in:

"De verplichting om medewerking te verlenen aan huisbezoeken in het kader van het reclasseringstoezicht betekent overigens niet dat daarmee de reclassering bevoegd wordt om de woning van de veroordeelde te betreden zonder dat deze daarmee heeft ingestemd. Een dergelijke bevoegdheid is voorbehouden aan politie en justitie binnen de daarvoor gestelde wettelijke kaders." (Kamerstukken II, 2010/11, 32 319, nr. 8, p. 8)

2.4.

Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 5º, (oud) Sr (thans art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr) dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968: AB6079, NJ 1970/123).

2.5.

De door het Hof gestelde bijzondere voorwaarde dat "de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen", is in strijd met genoemde bepaling omdat deze voorwaarde niet voldoet aan de hiervoor onder 2.4 weergegeven maatstaven.

Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat het Hof weliswaar kennelijk het oog had op gedrag dat met - kort gezegd - kinderporno verband houdt, maar daartoe niet een voldoende precies gedragsvoorschrift heeft geformuleerd, alsmede dat het toezicht op de naleving van voorwaarden separaat is geregeld en een bijzondere voorwaarde in de zin van art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeen komt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd.

2.6.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het vierde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2009.

3.2.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 23 tot en met 25 moet worden aangenomen dat als gevolg van een kennelijke vergissing in de bestreden uitspraak is vermeld dat het aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2010, de dag dat het onder 2 bewezenverklaarde feit is gepleegd, in plaats van vanaf 13 november 2010, de dag waarop het onder 1 bewezenverklaarde feit jegens de benadeelde partij is gepleegd. De Hoge Raad zal deze misslag herstellen.

4 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, de schadevergoedingsmaatregel daaronder begrepen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verstaat de beslissing omtrent de vordering tot schadevergoeding aldus dat de verdachte is veroordeeld tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , namens deze gemachtigde [betrokkene 1] , wonende te [plaats] , van een bedrag van € 300,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 november 2010 tot de dag van de voldoening;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2016.