Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2988

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
15/04241
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1006, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:2085, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding; verjaring. Vaststellingsovereenkomst met voorbehoud voor bepaalde toekomstige schade. Voorwaardelijke vordering? Aanvullen van rechtsgronden. Verjaring o.g.v. art. art. 3:307 lid 2 BW; aanvangsmoment. Bewijs dat voldaan is aan voorwaarde in voorbehoud, ondanks verloren gaan cruciaal rapport; art. 152 Rv. Uitleg dictum.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 307
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0037
TvPP 2017, afl. 1, p. 26
JA 2017/25 met annotatie van mr. M.R. Hebly
AR 2016/4024
RvdW 2017/105
NJ 2017/25
JWB 2017/7
NJB 2017/156
AR 2017/1150
RAV 2017/35

Uitspraak

23 december 2016

Eerste Kamer

15/04241

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

De vereniging VERENIGING NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGENVERZEKERAARS,
gevestigd te Rijswijk,

EISERES tot cassatie,-

advocaat: mr. K. Teuben,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als NBM en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/01/239938/HA ZA 11-1692 van de rechtbank Oost-Brabant van 21 maart 2012 en 27 februari 2013;

b. het arrest in de zaak HD 200.129.609/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 juni 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft NBM beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor NBM mede door mr. K.J.O. Jansen.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur- Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van NBM heeft bij brief van 21 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 11 mei 1980 is [verweerder], die toen 19 jaar oud was en eerstejaarsstudent tandheelkunde, betrokken geweest bij een verkeersongeval met een Duits motorvoertuig, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn rechterknie. De aansprakelijkheid voor het ongeval is erkend door Mecklenburgische Versicherungs-Gesellschaft A.G. NBM heeft op grond van art. 2 lid 6 WAM de schadeafwikkeling voor deze verzekeraar op zich genomen. NBM heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door Van Ameyde Interschade B.V. (hierna: Van Ameyde).

(ii) Van Ameyde heeft met de toenmalige advocaat van [verweerder] gecorrespondeerd over een minnelijke regeling. Onderwerp was het opnemen van een medisch voorbehoud. Bij brief van 12 maart 1985 heeft de advocaat van [verweerder] Van Ameyde bericht, kort gezegd, dat een clausule voor nakomende of blijkende schadefactoren voor (slechts) de duur van vijf jaar niet tot een akkoord kon leiden. Bij brief van 13 mei 1985 heeft Van Ameyde onder meer geschreven dat bereidheid bestond het voorbehoud voor onbepaalde tijd te verlengen. [verweerder] en NBM hebben daarna, eveneens in 1985, een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat [verweerder] tegen betaling door NBM van fl. 23.500,-- onherroepelijk en onvoorwaardelijk kwijting verleende ter zake de door hem geleden en nog te lijden schade uit hoofde van dit ongeval. In deze overeenkomst is het volgende voorbehoud gemaakt:

“Een voorbehoud wordt gemaakt voor financiële gevolgen, waarvan vastgesteld wordt dat deze voortvloeien uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van de als onafhankelijk deskundige benoemde orthopaedisch chirurg Dr. H.S.M. Raat d.d. 20 juli 1982.”

(iii) Van het in dit voorbehoud genoemde rapport van Raat uit 1982 is alleen nog de eerste pagina beschikbaar.

(iv) [verweerder] stelt sinds 2007 toenemende lichamelijke klachten te ondervinden aan zijn rechterknie, waardoor hij zijn werk als tandarts niet meer volledig kan verrichten. Volgens hem zijn deze klachten een gevolg van het ongeval uit 1980.

(v) Vanwege deze klachten is [verweerder] door zijn huisarts verwezen naar een orthopedisch chirurg. Deze heeft bij brief van 22 augustus 2007 het volgende aan de huisarts van [verweerder] geschreven:

“Op 17-08-07 zag ik bovengenoemde patiënt op het spreekuur in verband met klachten van de rechter knie. De klachten bestaan al langere tijd en zijn mogelijk samenhangend met een femurfractuur uit 1980. Destijds werd patiënt operatief behandeld met een osteosynthese. Inmiddels is het materiaal verwijderd. Met name het laatste half jaar ervaart patiënt toenemende klachten in de rechter knie. (…)

Conclusie: er is sprake van posttraumatische artrose van de rechter knie. (…)”

(vi) [verweerder] is tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd bij Movir met als verzekerd beroep tandarts. Nadat hij op 1 augustus 2007 een melding bij deze verzekering had gedaan, is hij op 2 april 2008 door een verzekeringsarts onderzocht. In haar rapport staat onder meer:

“4. Beschouwing/analyse

Zoals uit de aanwezige medische informatie en uit de anamnestische gegevens blijkt, is bij cliënt sprake van rechterknieklachten, die al langer aanwezig waren, na een eerder ongeval, doch die de laatste jaren in ernst zijn toegenomen. Dit op basis van artrose post traumatisch. De diverse afwijkingen zoals door de specialist beschreven kunnen de door cliënt ervaren en geclaimde klachten goed onderbouwen en verklaren. Door de slijtage is het gewricht snel geprikkeld door belasting als veelvuldig lopen, traplopen, knielen, zwaar tillen/dragen, veelvuldig opstaan/gaan zitten. Ook de stijfheid, vooral na enige tijd in 1 houding te hebben gezeten is hiermee te verklaren. Dit maakt dat het (hoog-)frequent opstaan vanuit zittende positie en het langdurig zitten met gebogen knie rechts klachten kan geven.”

(vii) In aansluiting op dit onderzoek heeft [verweerder] gesproken met een registerarbeidsdeskundige. Deze schat in een rapport van 4 juni 2008, mede op grond van een ‘kritische Functionele Mogelijkhedenlijst’, de mate van arbeidsongeschiktheid vanwege de knieklachten rechts op 25-35%.

(viii) In een brief van 28 mei 2008 heeft de advocaat van [verweerder] onder meer het volgende aan NBM geschreven:

“Thans openbaren zich bij de heer [verweerder] klachten als gevolg waarvan hij zijn werkzaamheden niet meer kan uitoefenen. Aldus hebben deze klachten financiële gevolgen voor hem. Op dit moment is mijn medisch adviseur doende om uit te zoeken of deze klachten afwijken ten opzichte van de situatie als beschreven in het rapport van chirurg Raat voornoemd. Indien dit het geval is, zal mijn cliënt aldus een beroep doen op voornoemd voorbehoud. Het leek mij goed u het bovenstaande reeds te melden. Volledigheidshalve stuit ik bij deze dan ook de verjaringstermijn in de zin van artikel 3:317 BW of welk ander artikel/bepaling dan ook.”

(ix) NBM heeft bij brief van 23 juni 2008 aan [verweerder] de ontvangst van deze brief bevestigd en meegedeeld dat Van Ameyde de schade opnieuw met hem zal afwikkelen. Tot een schadeafwikkeling is het echter niet gekomen.

(x) [verweerder] heeft de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenbericht te gelasten met benoeming van orthopedisch chirurg dr. Ph.J. Edixhoven (hierna: Edixhoven) als deskundige. NBM heeft verweer tegen het verzoek gevoerd en zich daarbij onder meer beroepen op verjaring. Bij beschikking van 5 augustus 2010 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen, onder verwerping van het verweer van NBM dat de vordering van [verweerder] is verjaard.

(xi) Edixhoven heeft op 4 april 2011 zijn rapport uitgebracht. Dit vermeldt als diagnose:

“artrose in de rechterknie, die, (…), met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden geschreven op conto van het ongeval van 11-05-1980.

Argument: het is voor mij zeer aannemelijk dat er door het ongeval van 11-05-1980 in de rechterknie sprake is geweest van een subchondrale fractuur in mediale en/of laterale femurcondyl, met kraakbeenschade.”

(xii) Voorts vermeldt het rapport van Edixhoven in paragraaf VIII “Overweging en conclusie”:

“Het is aannemelijk, gezien de anamnese, dat de rechterknie voor het ongeval van 11-05-1980 geen mankementen vertoonde. Bij dit ongeval heeft hij een femurfractuur opgelopen, ongeveer midschacht. De precieze aard van het inwerkend geweld op het bovenbeen en de knie is bij dit ongeval niet bekend. Het is echter te verwachten dat er ook op de knie een flink geweld is uitgeoefend, zoals meestal het geval is bij bovenbeensbreuken.

De vraag ligt nu voor de hand wat de bevindingen zijn geweest met betrekking tot de rechterknie van de expert die betrokkene in 1982 heeft onderzocht. Het lijkt mij aannemelijk dat er in de knie niet een zodanige afwijking werd gevonden door de expert dat op grond daarvan al meteen een duidelijk voorbehoud voor artrose moest worden gemaakt.

Argumenten;

-Het lijkt aannemelijk dat betrokkene op de hoogte zou zijn geweest van een substantiële afwijking na dit rapport, vanwege een voorbehoud dat zou zijn gemaakt, als er een substantiële afwijking zou zijn gevonden.

-Betrokkene had in het geheel niet de indruk, toen de bovenbeensbreuk eenmaal was genezen, dat hij in de toekomst een ernstig probleem zou gaan krijgen met zijn knie(ën) in werk en vrijetijdsactiviteiten. Er zijn hem ook geen adviezen gegeven het [met] de knie(ën) rustig aan te doen. Dit maakt het waarschijnlijk dat in het rapport niet de ernst van de posttraumatische toestand was vastgesteld, die later tot artrose aanleiding heeft gegeven. Dat is ook niet vreemd: er zijn posttraumatische afwijkingen die berucht zijn omdat zij vaak in de eerste jaren niet worden of werden ontdekt. Dit lijkt in deze casus niet onwaarschijnlijk, omdat deze speelt in de begin 80-er jaren, toen MRI nog nauwelijks beschikbaar was en CT in veel beperkter mate werd gehanteerd dan thans. Beruchte afwijkingen die vaak pas veel later worden ontdekt: instuikingsfracturen van subchondraal bot die incompatibiliteit veroorzaken van gewrichtsoppervlakken die met elkaar moeten articuleren. Het verhaal van betrokkene is daar suspect voor: bij een bepaalde buigstand had hij het gevoel dat de knie niet verder wilde buigen of strekken, en bij bepaalde rotatiebewegingen van het bovenbeen ten opzichte van onderbeen had hij anamnestisch steeds pijn.

(...)

De klacht van betrokkene na het ongeval, vanaf het moment dat hij de knie weer kon gaan belasten, was dat hij de rechterknie steeds heeft gevoeld in de loop van de jaren. Dit was anamnestisch voor het ongeval niet het geval. Ik vind deze klachten van betrokkene verklaarbaar, gezien de feitelijke ontwikkelingen in de rechterknie in de loop van de tijd. Deze klachten wijzen in de richting van een biomedische onvolkomenheid in de knie, in de zin van kraakbeenletsel, mogelijk een verandering van de geometrie, al of niet in combinatie met een ligamentair letsel. Ligamentair letsel lijkt zich echter gezien de huidige goede conditie van de ligamenten niet te hebben voorgedaan.

Argument: chronische bandinstabiliteiten nemen in de loop van de jaren toe, niet af.

Het gaat dus waarschijnlijk om een of meerdere subchondrale fracturen en/of kraakbeenletsels die betrokkene bij het ongeval van 11-05-1980 in de rechterknie zal hebben opgelopen. Het is zeer aannemelijk dat de vrij kort na het ongeval door de expert genoteerde klachten niet reeds bestonden voor het ongeval, gezien het hoge niveau van belastende sporten van betrokkene voor het ongeval. Vaststaat dat betrokkene op een wat lager fysiek belast niveau (in vergelijking met de periode voor het ongeval van 1980) tot 2006 redelijk heeft kunnen functioneren in zijn werk en aangepaste vrijetijdsbezigheden, maar dat zich in die tijd in toenemende mate röntgenologisch herkenbaar artrose heeft ontwikkeld. Het is erg waarschijnlijk dat de oorzaak daarvoor is gelegen in een traumatische beschadiging van de knie, opgelopen bij het ongeval. Het gegeven dat betrokkene daarna redelijk heeft kunnen functioneren, op het beschreven niveau, is daar niet mee niet in tegenspraak.”

3.2.1

NBM vordert in dit geding in conventie primair een verklaring voor recht dat de vordering van [verweerder] op NBM met betrekking tot schade bedoeld in het hiervoor in 3.1 onder (ii) genoemde voorbehoud in de vaststellings-overeenkomst, is verjaard en daarom dient te worden afgewezen. Subsidiair vordert NBM een verklaring voor recht dat de vordering van [verweerder] tot betaling van aanvullende schadevergoeding dient te worden afgewezen, omdat [verweerder] niet is geslaagd en niet kan slagen in het op grond van art. 150 Rv door hem te leveren bewijs voor deze vordering, nu niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een situatie zoals geformuleerd in het voorbehoud.

3.2.2

NBM heeft haar beroep op verjaring als volgt toegelicht. Met het voorbehoud in de vaststellings-overeenkomst is de opeisbare vordering tot vergoeding van toekomstige schade omgezet in een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd. Daarom loopt op grond van art. 3:307 lid 2 BW de verjaringstermijn van vijf jaar die ingevolge art. 3:307 lid 1 BW geldt voor de vordering tot nakoming van een overeenkomst, vanaf de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Dat neemt echter niet weg dat de onderhavige vordering reeds vanaf 1985 opeisbaar was. Dit laatste betekent dat de tevens in art. 3:307 lid 2 BW genoemde verjaringstermijn van twintig jaar, die aanvangt op de dag waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was, in 1985 is aangevangen en dus in 2005 is geëindigd. Aangezien [verweerder] de verjaring van zijn vordering in de tussentijd niet heeft gestuit, is zijn vordering op grond van laatstgenoemde bepaling verjaard.

Voor haar subsidiaire vordering heeft NBM verwezen naar het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde ontbreken van het volledige, in het voorbehoud genoemde rapport van Raat. Zonder het ontbrekende gedeelte van dat rapport kan volgens NBM niet worden vastgesteld of sprake is van een situatie zoals geformuleerd in het voorbehoud.

3.2.3

[verweerder] heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd die hij in hoger beroep heeft aangepast en thans inhoudt – kort gezegd – dat NBM aansprakelijk is voor de schade van [verweerder] als gevolg van het ongeval, zoals genoemd in het rapport van Edixhoven.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen zowel in conventie als in reconventie afgewezen. Het hof heeft in conventie het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd en in reconventie de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen, met verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure, ter vaststelling van de schade. Daartoe heeft het als volgt overwogen.

[verweerder] baseert zijn vordering op toenemende klachten door artrose ten gevolge van het letsel aan de rechterknie. Deze klachten werden in 1985 niet verwacht. Het voorbehoud is in de overeenkomst opgenomen om het risico op onverwachte klachten in de toekomst af te dekken. [verweerder] was bij het sluiten van de overeenkomst niet bekend met de schade waarop hij thans zijn vordering baseert. Hij was destijds 24 of 25 jaar oud en stond nog aan het begin van zijn arbeidzame leven als tandarts of moest daaraan nog beginnen. Gelet daarop moet het destijds ook voor NBM duidelijk zijn geweest dat eventuele schade zoals in het voorbehoud voorzien, zich mogelijk pas op latere leeftijd bij [verweerder] zou openbaren en daarom niet binnen afzienbare tijd zou worden gevorderd. Aldus kan niet worden gezegd dat van [verweerder] kon worden verwacht dat hij reeds in 1985 of later (ter voorkoming van verjaring) deze schade zou opeisen. (rov. 3.6.4)

Met het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is beoogd de opeisbaarheid van eventuele toekomstige schade afhankelijk te maken van een - opschortende - voorwaarde, namelijk een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van Raat. De (mogelijke) vervulling van die voorwaarde is niet alleen bepalend voor de opeisbaarheid van de vordering, maar ook voor de aanvang van de twintigjaarstermijn van de verjaring van art. 3:307 lid 2 BW. Ook laatstgenoemde termijn is daarom eerst gaan lopen vanaf de dag dat [verweerder] in 2007 bekend werd met de schade. Eerst op dat moment was de vordering voor [verweerder] “op zijn vroegst opeisbaar” als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW. Derhalve is de vordering niet verjaard. (rov. 3.6.6)

Ondanks het ontbreken van het volledige, in het voorbehoud genoemde rapport van Raat, is [verweerder], gelet het rapport van Edixhoven en de overige door hem overgelegde medische informatie, geslaagd in het bewijs dat voldaan is aan het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst (rov. 3.11.2-3.11.4).

3.4.1

Onderdeel 1a van het middel klaagt dat het hof met de hiervoor weergegeven overweging dat partijen met de vaststellingsovereenkomst beoogden de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk te maken van een opschortende voorwaarde, de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder] heeft aangevuld.

3.4.2

Deze klacht faalt. [verweerder] heeft aangevoerd dat het voorbehoud inhoudt dat de daarbij bedoelde vordering eerst opeisbaar is als de in het voorbehoud genoemde omstandigheden zijn verwezenlijkt, namelijk het intreden van de in het voorbehoud bedoelde schade als gevolg van het ongeval, en dat het voorbehoud, kort gezegd, zag op het geval dat [verweerder] op enig moment een toename van klachten zou ervaren (vgl. de passages uit de processtukken die worden aangehaald onder 5.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Het hof heeft dit standpunt kunnen opvatten als een beroep op een opschortende voorwaarde in de door hem vastgestelde betekenis. Daaraan doet, anders dan het onderdeel betoogt, niet af dat [verweerder] niet uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat sprake is van een opschortende voorwaarde. Het hof was immers op grond van art. 25 Rv gehouden ambtshalve de rechtsgronden voor (de vordering en) het verweer aan te vullen. Met het betoog van [verweerder] dat, kort gezegd, het voorbehoud inhoudt dat de vordering eerst opeisbaar is met het bekend worden van de schade waarop dit betrekking heeft, bestond een toereikende feitelijke grondslag voor deze aanvulling door het hof. Het is dus niet buiten de grenzen van rechtsstrijd getreden.

3.4.3

Onderdeel 1c komt op tegen het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn van art. 3:307 lid 2 BW van twintig jaar pas is gaan lopen vanaf de dag in 2007 dat [verweerder] bekend werd met de schade. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de vraag wanneer opeising op zijn vroegst mogelijk is in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, objectief dient te worden beantwoord. Niet terzake doet of de schuldeiser subjectief bekend is met (de opeisbaarheid van) de vordering, aldus het onderdeel.

3.4.4

Ook dit onderdeel is ongegrond. De klachten ervan miskennen dat het hof zijn oordeel over de opeisbaarheid van de onderhavige vordering heeft gegrond op zijn uitleg van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voorbehoud. Het heeft geoordeeld dat partijen hebben beoogd om die opeisbaarheid afhankelijk te stellen van de opschortende voorwaarde dat de schade waarop het voorbehoud betrekking heeft, optreedt en aan [verweerder] bekend is (waarbij de schade moet bestaan uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie als beschreven in het rapport van Raat). Hieraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat de vordering op haar vroegst opeisbaar in de zin van art. 3:307 lid 2 BW was toen [verweerder] in 2007 bekend werd met de schade. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, voor zover het de uitleg van het voorbehoud betreft, niet onbegrijpelijk.

3.5.1

Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat [verweerder] is geslaagd in het bewijs dat is voldaan aan het voorbehoud in de vaststellings-overeenkomst. Dit oordeel heeft het hof in rov. 3.11.2-3.11.4 onder meer daarop gebaseerd dat Edixhoven het op de in zijn rapport genoemde gronden - die hiervoor in 3.1 onder (xii) zijn weergegeven en die het hof aanhaalt in rov. 3.11.3 - aannemelijk heeft geacht, kort gezegd, dat Raat geen afwijkingen heeft gevonden die wezen op het risico van de huidige afwijking van de knie, te weten artrose. De op het rapport gebaseerde vaststelling van het hof komt dus erop neer dat de huidige afwijking van de knie niet door Raat is voorzien. Voorts heeft het hof zijn oordeel daarop gegrond dat uit de door [verweerder] overgelegde medische informatie niet is gebleken van een andere oorzaak die de huidige afwijking aan de knie van [verweerder] zou kunnen verklaren, en dat Edixhoven het om de in zijn rapport genoemde redenen erg waarschijnlijk heeft geacht dat het ongeval de oorzaak is van de huidige afwijking aan de knie.

3.5.2

Een en ander komt erop neer dat uit ander bewijs - met name het rapport van Edixhoven - voldoende duidelijk is geworden over de inhoud van het niet meer beschikbare deel van het rapport van Raat om te kunnen oordelen dat is voldaan aan de voorwaarde die het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst naar het oordeel van het hof inhoudt. Dit oordeel is van feitelijke aard. Het stond het hof, gelet op het in art. 152 leden 1 en 2 Rv bepaalde, vrij aldus te oordelen. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat oordeel niet. Hetzelfde geldt voor hetgeen het hof overigens in dit verband heeft overwogen. Op een en ander stuiten alle klachten van het onderdeel af.

3.6.1

In onderdeel 3b wordt aangevoerd dat het dictum van het arrest van het hof voor zover dat inhoudt dat voor recht wordt verklaard “dat NBM aansprakelijk is voor de schade van [verweerder] als gevolg van het ongeval op 11 mei 1980 en schadevergoedingsplichtig is jegens [verweerder]” te ruim is geformuleerd, nu [verweerder] in hoger beroep slechts een verklaring voor recht heeft gevorderd “dat NBM aansprakelijk is voor de schade van [verweerder] als gevolg van het ongeval, zoals genoemd in het rapport van Edixhoven omdat die voortvloeit uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van de als onafhankelijke deskundige benoemde orthopedisch chirurg dr. H.S.M. Raat van 20 juli 1982.”

3.6.2

Ook dit onderdeel is ongegrond. Het dictum van een uitspraak dient te worden gelezen in het licht van de overwegingen waarop dat dictum berust. In rov. 3.10 heeft het hof overwogen uit te gaan van de vordering van [verweerder] zoals thans weergegeven in het onderdeel.
In rov. 3.14 heeft het hof overwogen deze vordering toe te wijzen. Het dictum van zijn arrest dient dan ook aldus te worden te verstaan dat het de toewijzing van deze vordering inhoudt.

3.7

De hiervoor niet behandelde klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt NBM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 393,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 december 2016.