Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:295

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
15/03927
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2346, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:2239, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Omgangsondertoezichtstelling (art. 1:254 (oud) BW). Terughoudende maatstaf en hoge motiveringseisen (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/68
RvdW 2016/316
NJB 2016/452
RFR 2016/68
PFR-Updates.nl 2016-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2016

Eerste Kamer

15/03927

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

1. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
gevestigd te Breda,

2. [de moeder] ,
wonende op een geheim adres,

3. WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als de vader en verweerders als de Raad, de moeder en de Stichting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak C/02/292228 JE RK 14-2447 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015;

b. de beschikking in de zaken F 200.166.812/01 en F 200.166.812/02 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 juni 2015.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Raad, de moeder en de Stichting hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de vader heeft bij brief van 11 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) De vader en de moeder hebben met elkaar samengeleefd. Zij hebben hun relatie in 2012 verbroken.

  • -

    ii) Uit de relatie van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 2011 [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend.

  • -

    iii) De vader en de moeder oefenen samen het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .

  • -

    iv) [de minderjarige] woont bij haar vader.

  • -

    v) Uit een eerdere relatie van de moeder is op [geboortedatum] 2003 een dochter, [de dochter] (hierna: [de dochter] ), geboren. [de dochter] woont bij haar moeder, die alleen het gezag over [de dochter] uitoefent.

3.2.1

Op verzoek van de Raad heeft de rechtbank [de minderjarige] voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de Stichting. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de ernstige ex-partnerstrijd tussen de vader en de moeder, waarmee [de minderjarige] direct dan wel indirect wordt belast, maakt dat sprake is van een ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. Aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Het is in het zwaarwegende belang van [de minderjarige] dat in het kader van de ondertoezichtstelling een gezaghebbende gezinsvoogdijwerker de belangen van [de minderjarige] zal waarborgen. Ook is het van belang dat wordt gewerkt aan een herstel van het contact tussen [de minderjarige] en haar halfzusje [de dochter] , aldus de rechtbank.

3.2.2

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:

“3.8.1 Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals geldende tot 1 januari 2015, hier van toepassing in verband met het overgangsrecht met het oog op de op die datum in werking getreden wetsbepalingen inzake herziening van de maatregelen van kinderbescherming, kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

3.8.2

Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:254 BW.
Het (inmiddels langdurig) verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder alsmede met haar (half)zusje als gevolg van de hevige strijd tussen partijen vormt een ernstige bedreiging voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . Dat de huidige opvoedsituatie bij de vader wellicht geen aanleiding biedt voor een beschermingsmaatregel als een ondertoezichtstelling maakt dit niet anders, immers het verbroken family life en de constatering van het hof ter zitting dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken hier verandering in te brengen, maken de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Het hof overweegt daarbij dat een ontwrichte relatie tussen de minderjarige en (een van) haar ouders en halfzus, veroorzaakt door partnerstrijd na het uiteengaan van de ouders, op zich reeds een ernstige bedreiging voor die minderjarige oplevert, althans kan opleveren. Gelet op de verbetenheid waarmee – naar het hof is gebleken – partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Het door de vader verzochte aanvullend onderzoek op grond van artikel 810a Rv wijst het hof af, nu dit onderzoek niet mede tot de beslissing van het hof kan leiden, immers zowel het verbroken zijn van het family life als de ernstige strijd tussen de ouders zijn vaststaande feiten, reeds voortvloeiende uit hetgeen partijen zelf over en weer aanvoeren. Daarbij komt dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met het belang van [de minderjarige] , nu dit belang vordert dat het family life van [de minderjarige] met de moeder en haar halfzus met spoed wordt hersteld en derhalve het treffen van een maatregel thans zonder verder uitstel is geboden.

Hetgeen de vader overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”

3.3

Onderdeel 2.1.1 neemt tot uitgangspunt dat het hof kennelijk op de voet van art. 1:254 (oud) BW een zogenaamde ‘omgangsondertoezichtstelling’ heeft opgelegd, teneinde het verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje te herstellen. Daarvan uitgaande klaagt het onderdeel onder meer dat het hof niet de door de Hoge Raad in dit verband geformuleerde, tot terughoudendheid nopende maatstaf in acht heeft genomen, en dat het hof evenmin heeft voldaan aan de door de Hoge Raad in dit verband gestelde hoge motiveringseisen.

3.4.1

Blijkens de hiervoor in 3.2.2 weergegeven rov. 3.8.2 heeft het hof de op de voet van art. 1:254 (oud) BW opgelegde maatregel van ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht op de grond dat het (inmiddels langdurig) verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje, als gevolg van de hevige strijd tussen de vader en de moeder, een ernstige bedreiging vormt voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] , en de constatering van het hof ter zitting dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken hierin verandering te brengen. In dit verband heeft het hof overwogen dat de omstandigheid dat “de huidige opvoedsituatie bij de vader wellicht geen aanleiding biedt voor een beschermingsmaatregel als een ondertoezichtstelling” dit niet anders maakt.

Een en ander moet aldus worden verstaan dat het hof de maatregel van ondertoezichtstelling heeft opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat ten behoeve van [de minderjarige] een omgangsregeling tot stand wordt gebracht, en het ontbrekende family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje wordt hersteld. Het onderdeel neemt dus terecht tot uitgangspunt dat het hof een ‘omgangsondertoezichtstelling’ heeft opgelegd.

3.4.2

Volgens vaste rechtspraak (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; zie tevens HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5) geldt voor het opleggen van de maatregel van een ‘omgangsondertoezichtstelling’ op de voet van art. 1:254 (oud) BW de volgende maatstaf:

“3.3 Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen.

3.4

Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden. Dat uit de raadsreportage en het verhandelde ter terechtzitting het Hof is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt en dat de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling als ze geen contact heeft met haar biologische vader, levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige.”

3.4.3

Uit het bestreden oordeel blijkt niet dat het hof vorenstaande maatstaf heeft toegepast. In het bijzonder blijkt daaruit niet dat het hof in zijn oordeelsvorming heeft betrokken of de ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen van [de minderjarige] – welke bedreiging naar het oordeel van het hof het gevolg is van het (inmiddels langdurig) verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje – kan worden afgewend door de inzet van andere, minder ingrijpende middelen dan de opgelegde maatregel van ondertoezichtstelling, noch blijkt daaruit dat het hof heeft onderzocht of andere middelen hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen.

Voorts voldoet de beslissing van het hof niet aan de voor gevallen als het onderhavige geldende hoge motiveringseisen. Het hof heeft slechts overwogen dat het ter zitting heeft geconstateerd dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken om verandering te brengen in het verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje, en dat gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Een en ander levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling.

De klacht treft derhalve doel.

3.5

De overige klachten behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 juni 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 februari 2016.