Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2930

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/00362
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1297, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende klachten over het afwijzen van een herhaald verzoek tot aanhouding i.v.m. het aanwezigheidsrecht. 1. Ziekte verdachte. Raadsman heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat verdediging zich niet deugdelijk heeft kunnen voorbereiden en niet dat verdachte ttz. aanwezig wilde zijn. 2. Deugdelijke voorbereiding. Hof heeft verzoek afgewezen op de grond dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging moeten prevaleren boven het belang van verdachte om de zaak nogmaals aan te houden. Gelet op procesgang en proceshouding van verdachte, kunnen deze gronden de afwijzing van het verzoek dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/73
NJ 2017/17
SR-Updates.nl 2017-0051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2016

Strafkamer

nr. S 16/00362

BVR/LN

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2015, nummer 22/000783-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De middelen zijn mondeling toegelicht. Bij een dergelijke toelichting kunnen niet alsnog middelen van cassatie worden voorgesteld (vgl. HR 5 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4187).

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2015 gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2.

Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de afwijzing van het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

"Verzoeken van de raadsman van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte twee verzoeken gedaan. Ten eerste heeft hij verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden en ten tweede heeft hij verzocht om de onderhavige zaak bij een andere strafzaak van de verdachte, bekend onder de naam Waterstof, te voegen.

Desgevraagd heeft de raadsman verklaard door de verdachte te zijn gemachtigd tot - uitsluitend - het doen van deze verzoeken.

Het verzoek van de raadsman om de onderhavige zaak en de zaak Waterstof te voegen,wordt afgewezen, nu - gelet op het verloop van de procedure van de onderhavige zaak en het belang van afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – voeging van de beide zaken niet in het belang van het onderzoek is.

Ook het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt allereerst voorop dat bij de bedoelde beslissing een afweging moet worden gemaakt tussen alle betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht, het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Die afweging is in de onderhavige zaak als volgt tot stand gekomen.

De raadsman heeft verklaard dat de verdachte hem had gezegd dat het op 22 september 2015 slechts om een regiezitting zou gaan. De raadsman heeft voorts verklaard dat hij in de korte periode die is verstreken sedert de verdachte hem benaderd heeft, niet de tijd heeft gehad om zich inhoudelijk voor te bereiden. Desgevraagd heeft de raadsman overigens verklaard dat hem na ontvangst van de stukken bekend was dat de zaak voor inhoudelijke behandeling op de rol stond.

De verdachte wist derhalve van de zitting.

Ook zijn vorige advocaat, mr. Vermeij, wist van de zitting. De zitting was – zoals gebruikelijk, tenzij anders is aangegeven - bestemd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.

Noch door het hof noch door het openbaar ministerie is aan verdachte of een advocaat van hem medegedeeld dat de zitting van 22 september 2015 een regiezitting zou betreffen. Integendeel, aan mr. Vermeij is namens de advocaat-generaal bij brieven van 6 en 16 juli 2015, medegedeeld dat de toenmalige raadsman uit moest gaan van een inhoudelijke behandeling.

De verdachte is niet ter zitting verschenen. Hij heeft zijn raadsman verkeerd voorgelicht ten aanzien van het karakter van de zitting en hem voorts niet gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Dit alles is de verdachte volledig toe te rekenen en komt geheel voor zijn rekening en risico.

Voorts overweegt het hof dat de onderhavige zaak reeds op 28 april 2009 bij het hof is binnengekomen, hetgeen betekent dat de behandeling van het hoger beroep inmiddels bijna zes-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. De procesgang in hoger beroep is als volgt geweest.

Op 17 januari 2010 zou een regiezitting plaatsvinden. De zaak is toen echter op voorhand aangehouden voor onbepaalde tijd vanwege verhindering van de toenmalige raadsman van verdachte, mr. Deen. Ook de twee hierna geplande zittingen, op 30 juni 2010 en 12 november 2010, zijn voor onbepaalde tijd aangehouden, respectievelijk omdat de verdachte een aantal operaties moest ondergaan in de betreffende maand en in verband met het huwelijk van de dochter van de verdachte.

Eerst op 7 september 2011 kon de regiezitting plaatsvinden. Op die zitting is door het hof beslist op de onderzoekswensen van de verdediging, hetgeen heeft geleid tot verwijzing naar de rechter-commissaris voor het doen horen van een tiental getuigen. Daartoe is de zaak opnieuw voor onbepaalde tijd aangehouden.

Door de rechter-commissaris zijn na ontvangst van het dossier vervolgens de getuigenverhoren ingepland, voor de eerste maal op 17, 18 en 24 april 2012. Op 2 april 2012 kwam het bericht van de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. Deen, dat hij zich aan de zaak diende te onttrekken. Bij brief van diezelfde dag heeft de verdachte verzocht om opschorting van de getuigenverhoren, omdat hij geen advocaat had. De verhoren zijn uitgesteld en aan de verdachte is bij brief van 6 april 2012 door de griffier verzocht om binnen drie weken te berichten welke advocaat zijn zaak zou overnemen. Dit is niet gebeurd, ook niet nadat hem uitstel was verleend tot 30 september 2012. Door het gerechtshof is na het verlopen van deze termijn op verzoek van het kabinet van de rechter-commissaris een nieuwe raadsman aan de verdachte toegevoegd, mr. Baumgarten.

De verdediging is vervolgens op 27 december 2012 geïnformeerd over de nieuwe geplande data voor de getuigenverhoren: 27 februari en 5 en 7 maart 2013. Op 10 januari 2013 kwam het bericht dat mr. Baumgarten problemen voorzag met het horen van de getuigen omdat hij het dossier nog niet had ontvangen. Hij gaf vervolgens in een e-mailwisseling aan dat hij niet in staat zou zijn de getuigen op de geplande data adequaat te ondervragen. Opnieuw is toen door de rechter-commissaris beslist dat de getuigenverhoren op de geplande data geen doorgang zouden vinden.

Een derde poging om de getuigenverhoren in te plannen, op 14 en 15 mei 2013, mislukte ook, ditmaal omdat op 26 april 2013 het bericht van mr. Baumgarten binnenkwam dat hij zich tot zijn spijt diende te onttrekken als raadsman van de verdachte. Nadat de verdachte opnieuw in de gelegenheid was gesteld zelf een raadsman van zijn keuze aan te dragen en hij dit opnieuw niet had gedaan, heeft het kabinet van de rechter-commissaris zich op 5 juli 2013 nogmaals gewend tot het gerechtshof met het verzoek om aan de verdachte een raadsman toe te voegen. Bij brief van 10 juli 2013 werd duidelijk dat mr. Purperhart de zaak zou overnemen. Ondanks meerdere pogingen, zowel schriftelijk als telefonisch, van de griffier van de rechtercommissaris om eerder met hem in contact te treden, is pas op 5 augustus 2013 bericht van de verdachte gekomen, inhoudende dat mr. Stolk wegens vakantie van mr. Purperhart de zaak zou waarnemen. Nadat uiteindelijk - na uitvoerige communicatie tussen de griffier van de rechter-commissaris en de raadsman over onder andere de compleetheid van het dossier - de nieuwe verhoordata waren vastgesteld 610 op 26 en 27 november 2013, kwam pas op 25 november 2013 om 20.10 uur het bericht binnen dat ook mr. Stolk zich als raadsman aan de zaak had moeten onttrekken, welke brief de rechter-commissaris pas bereikte op de ochtend dat de eerste verhoren van start hadden moeten gaan. Door de rechter-commissaris is toen beslist om de getuigen verhoren doorgang te laten vinden, omdat de voortgang van de zaak inmiddels diende te prevaleren boven het belang van de verdachte dat zijn (toekomstige) raadsman de verhoren zou kunnen bijwonen. Wel heeft de rechter-commissaris zoveel mogelijk de in de aanloop naar de verhoren door de verdediging naar voren gebrachte punten ter sprake gebracht tijdens de verhoren.

Uiteindelijk zijn acht van de tien door de verdediging verzochte getuigen gehoord, de laatste op 6 maart 2014 ([betrokkene 1]). Van de drie nog niet gehoorde getuigen, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 3], heeft de rechter-commissaris aangegeven dat niet aannemelijk was dat deze getuigen binnen een redelijke termijn zouden kunnen worden gehoord, ook omdat de verdediging, ondanks het feit zij daartoe ruimschoots de gelegenheid had gekregen, geen (nadere) adresgegevens van deze personen had opgegeven. De rechter-commissaris heeft zijn onderzoek gesloten en de dossiers teruggestuurd naar het hof.

Op 7 oktober 2014 heeft vervolgens opnieuw een zitting plaatsgevonden. De verdachte, ten aanzien van wie artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing was, had op dat moment (wederom) geen raadsman. De verdachte heeft het eerder gedane verzoek om de twee nog niet gehoorde getuigen, die volgens hem op een bepaald adres in Den Haag zouden wonen, te horen gehandhaafd, alsmede verzocht om [betrokkene 4] opnieuw te horen en heeft het hof tevens verzocht om hem een nieuwe raadsman toe te voegen. Het hof heeft het verzoek om de getuigen te doen horen toegewezen en heeft tevens nog een laatste maal met tussenkomst van de deken te Den Haag een nieuwe raadsman aan de verdachte laten toevoegen. De zaak is opnieuw aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de toegewezen getuigen.

Mr. Vermeij is vervolgens als nieuwe raadsman aan de verdachte toegevoegd. De datum voor de inhoudelijke behandeling van de zaak was vastgesteld op 22 september 2015, hetgeen tijdig aan de verdediging was medegedeeld, onder meer bij de brieven van 6 en 16 juli 2015.

Op 1 september 2015 bereikte het faxbericht van mr. Vermeij het hof, inhoudende dat ook hij, vanwege een 'belangenverstrengeling', zich genoodzaakt zag de verdediging neer te leggen. Nog diezelfde dag heeft de verdachte, zo blijkt uit het emailverkeer dat is overgelegd door de raadsman op de terechtzitting van 22 september 2015, contact opgenomen met mr. Korvinus en hem bereid gevonden de zaak over te nemen.

Gezien de bovengenoemde gang van zaken, waaruit blijkt dat zowel het hof als de rechter-commissaris keer op keer tegemoet zijn gekomen aan de wensen en belangen van de verdediging en van de verdachte, alsmede het zeer lange tijdsverloop tot dusverre, is het hof van oordeel dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging thans dienen te prevaleren boven het belang van de verdachte om de zaak nogmaals aan te houden. Het verzoek tot aanhouding is daarom afgewezen."

2.3.

Het middel klaagt, blijkens de toelichting, ten eerste dat het recht van de verdachte om ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2015 aanwezig te zijn is geschonden doordat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak is afgewezen terwijl de verdachte wegens ziekte niet op die terechtzitting aanwezig kon zijn. Deze klacht faalt reeds op de grond dat de raadsman aan zijn verzoek tot aanhouding ten grondslag heeft gelegd dat de verdediging zich niet deugdelijk heeft kunnen voorbereiden, en niet ook dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig wilde zijn. Voor zover het middel erover klaagt dat ook op 22 september 2015 nog stukken aan het procesdossier ontbraken en dat zulks een separate grond voor toewijzing van het aanhoudingsverzoek opleverde, faalt het aangezien ook daaromtrent ter terechtzitting niets is aangevoerd.

2.4.

Het middel klaagt voorts over de afwijzing door het Hof van het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde zich deugdelijk te kunnen voorbereiden. Het Hof heeft geoordeeld dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging moeten prevaleren boven het belang van de verdachte om de zaak nogmaals aan te houden, en heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de procesgang en de proceshouding van de verdachte, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van het verzoek dragen.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2016.