Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2927

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
15/05667
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1294, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, artt. 94a en 552a Sv. Samenhang met ECLI:NL:HR:2016:628. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BL2823 over de door de rechter toe te passen maatstaf in het geval een derde zich beklaagt. Uit de overwegingen van de Rb blijkt niet dat zij de juiste maatstaven heeft aangelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/91
SR-Updates.nl 2017-0048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2016

Strafkamer

nr. S 15/05667 B

DAZ/DFL

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 19 november 2015, nummer RK 15/607, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

2.2.1.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking het beklag ongegrond verklaard. Daaromtrent heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"Namens klaagster is een schriftelijk verzoek ingediend strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing met last tot teruggave aan klaagster van het conservatoir derdenbeslag op de vordering van klaagster op de Coöperatieve Rabobank Meppel-Steenwijkerland UA met rekeningnummer [0001] . Het verzoek d.d. 17 augustus 2015 is ter griffie van de rechtbank ontvangen op 18 augustus 2015.

(...)

2. Motivering

2.1.

De rechtbank acht zich bevoegd kennis te nemen van het klaagschrift.

2.2.

Klaagster is belanghebbende in de zin van artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank acht klaagster daarom ontvankelijk in haar verzoek.

2.3.

Door de raadsman van klaagster is ter zitting aangevoerd dat klaagster belang heeft bij het deels opheffen van het beslag. Het beslag is naar zijn oordeel onrechtmatig gelegd omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 94a lid 4 Sv en het voortduren van het beslag is in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De raadsman stelt dat de bankrekening van klaagster bij de Rabobank niet onder het door de voorzieningenrechter verleende verlof tot beslag valt. Het zou kunnen zijn dat, om tot het door klaagster gewenste resultaat te kunnen komen, zowel het strafrechtelijk beslag als het civielrechtelijk beslag (deels) dient te worden opgeheven. Linksom of rechtsom is het om tot het gewenste resultaat te komen noodzakelijk dat (ook) het OM-beslag (deels) moet worden opgeheven. De raadsman concludeert dat klaagster daarom materiaal belang heeft bij opheffing van het strafrechtelijk beslag. Klaagster en [betrokkene 1] hebben de hypotheekachterstand bij de ING-bank betaald door geld te lenen van de moeder van [betrokkene 1] . De bank heeft tevens een rentekorting van € 600,00 gegeven op de maandelijkse hypotheeklasten. Het deels opheffen van het beslag is echter nodig om de hypotheeklasten te kunnen blijven betalen en in de woning te kunnen blijven wonen, aldus de raadsman.

2.4.

Klaagster heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij nauwelijks eigen inkomsten heeft en dat het geld dat op haar spaarrekening staat allemaal van [betrokkene 1] afkomstig is. Het geld werd tijdelijk op haar rekening gezet omdat dat meer spaarrente opleverde. Klaagster heeft tevens verklaard dat zij wist dat [betrokkene 1] het geld op haar rekening had gestort en dat het om een groot bedrag ging.

[betrokkene 1] heeft hieraan toegevoegd dat de bank alsnog tot verkoop van de woning zal overgaan als de verplichtingen uit hypotheek niet worden nagekomen. [betrokkene 1] stelt dat deze niet kunnen worden voldaan vanuit zijn huidige inkomsten en dat hij geen andere baan krijgt zo lang de strafzaak nog loopt.

2.5.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar klaagschrift dan wel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

De officier van justitie stelt dat klaagster geen belang heeft bij opheffing van het beslag. Uit de verklaringen blijkt dat het geld op de rekening van klaagster van [betrokkene 1] is. Het is dan ook onduidelijk dat zij dit geld zou kunnen aanwenden om de hypothecaire verplichtingen te voldoen. Wanneer de rechtbank het door klaagster gestelde belang wel zou aannemen dan dient naar het oordeel van de officier van justitie het belang van de Staat zwaarder te wegen dan het belang van klaagster.

2.6.

De rechtbank heeft reeds eerder, te weten in haar beschikking d.d. 19 februari 2015 over opheffing van het strafrechtelijk conservatoir beslag op voornoemde rekening van klaagster geoordeeld. Het verzoek daartoe werd toen gedaan door [betrokkene 1] en [A] B.V. In die beschikking is het klaagschrift ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een materieel belang bij opheffing van het strafrechtelijk conservatoire derdenbeslag. Tegen die beschikking is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, waarop voor zover valt te overzien nog niet is beslist.

Voor de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat het civielrechtelijk beslag zich niet uitstrekt tot de gelden op de Raborekening van klaagster. Zolang dit niet gebleken is en evenmin sprake is van opheffing van dat beslag - waarvoor klaagster zich tot de voorzieningenrechter moet wenden en wat een nieuwe omstandigheid zou kunnen opleveren - prevaleert het strafvorderlijk belang. Gelet hierop moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard wegens het voorshands ontbreken van belang bij de thans verzochte opheffing van het strafvorderlijk conservatoir beslag."

2.2.2.

Het gaat hier om een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag op het tegoed van een bankrekening die op naam staat van [klaagster]. Volgens het "pv en kennisgeving conservatoir beslag op vordering van een ander" dat zich bij de stukken bevindt, is de inbeslagneming geschied in verband met een jegens [A] B.V. gerezen verdenking. Het namens klaagster ingediende klaagschrift strekt tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag op het banktegoed.

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15).

2.4.

Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaven heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven.

2.5.

Het middel is gegrond.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.