Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2901

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
15/05288
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:121, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:2988, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHAMS:2017:4118
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; artt. 3.8, 3.16, lid 2, aanhef en letter f, 3.94, 3.95, en 6.27 Wet IB 2001; kosten van een cursus en een rechtenstudie aftrekbaar als ondernemingskosten/kosten werkzaamheid dan wel als scholingsuitgaven? Deze beoordeling is onder de Wet IB 2001 niet anders dan onder de Wet IB 1964.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0086 met annotatie van Almer de Beer
V-N Vandaag 2016/2859
V-N 2017/2.10 met annotatie van Redactie
FED 2017/48 met annotatie van Dr. J.W.J. de Kort
BNB 2017/72 met annotatie van R.F.C. SPEK
FutD 2016-3138 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/136 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2016

nr. 15/05288

Arrrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 oktober 2015, nr. BK‑15/00288, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/8941) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 10 maart 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:121).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Nadien heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk daarom geen acht.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is een geregistreerde octrooigemachtigde en heeft beroepsmatig werkzaamheden verricht met betrekking tot procesvoering inzake intellectuele eigendomszaken. De daaruit genoten inkomsten heeft hij in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 vermeld als resultaat uit overige werkzaamheden. In die aangifte heeft hij bij het bepalen van zijn belastbare inkomen uit werk en woning als onderdeel van de persoonsgebonden aftrek een bedrag van € 5801 aan scholingsuitgaven in aanmerking genomen.

2.1.2.

Bij het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 heeft de Inspecteur de hiervoor in 2.1.1 vermelde aftrek in aanmerking genomen, behoudens een bedrag van € 3002 aan reis– en verblijfkosten in verband met een cursus over intellectuele eigendom (hierna: de cursus) en een bedrag van € 823 aan reiskosten in verband met een rechtenstudie (hierna: de rechtenstudie). Belanghebbende heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat deze kosten deel uitmaken van het resultaat van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde werkzaamheid.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden, de hiervoor in 2.1.2 omschreven reis– en verblijfkosten (hierna: de reis– en verblijfkosten) een zakelijk karakter hebben. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de cursus en de rechtenstudie ertoe dienen reeds verworven (vak)kennis op peil te houden, kennis over octrooiprocesvoering te verdiepen en cliënten beter te adviseren alsmede dat de cursus als – voor octrooigemachtigden verplichte – permanente educatie diende. Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat het onder de huidige tekst van artikel 3.95 Wet IB 2001 en de systematiek van de Wet IB 2001 niet van belang is of belanghebbende met de cursus en/of de rechtenstudie een nieuwe bevoegdheid heeft verkregen en dat in dit verband geen betekenis toekomt aan het arrest van de Hoge Raad van 1 november 1995, nr. 30763, ECLI:NL:HR:1995:AA3146, BNB 1996/11 (hierna: het arrest BNB 1996/11), aangezien dit arrest is gewezen onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Op grond van die oordelen heeft het Hof de reis– en verblijfkosten op de voet van artikel 3.16 Wet IB 2001 aftrekbaar geacht bij het bepalen van het resultaat uit de werkzaamheid tot het in artikel 3.16, lid 2, aanhef en letter f, Wet IB 2001 vermelde bedrag van € 1500.

2.3.

Het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.2 vermelde oordelen en betoogt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de artikelen 3.94 en 6.27, lid 1, Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 6.28, lid 1, letter c, Wet IB 2001. Het middel betoogt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, gewezen onder de werking van de Wet IB 1964, die evenzeer van toepassing is voor winstgenieters als voor degenen die inkomsten uit arbeid genieten, volgt dat eerst van belang is vast te stellen of de uitgaven voor scholing in de persoonlijke sfeer liggen. Dit is, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet veranderd door de invoering van de Wet IB 2001. Dat betekent, aldus het middel, dat studie–uitgaven slechts dan als ondernemingskosten in aftrek kunnen worden gebracht indien zij zijn opgeroepen door cursussen of opleidingen die slechts strekken tot het in stand houden van de vakbekwaamheid.

2.4.1.

Het middel slaagt. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is met de invoering van het bepaalde in artikel 3.16, lid 2, letter f, Wet IB 2001 niet beoogd verandering te brengen in de behandeling van kosten van cursussen en opleidingen voor studie en beroep binnen het begrip ondernemingskosten zoals uitgelegd onder de werking van de Wet IB 1964. Deze bepaling strekt enkel ertoe de aftrek van reis– en verblijfkosten in verband met daarin bedoelde cursussen, opleidingen, congressen en dergelijke, zo deze kosten al op de winst in mindering kunnen worden gebracht, te beperken tot een bedrag van € 1500. Voor de Wet IB 2001 is blijven gelden dat kosten van cursussen, (beroeps)opleidingen en studie alleen dan in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van de winst uit onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid, indien die kosten strekken tot het op peil houden van reeds verworven vakkennis (vgl. voor dit een ander onder meer HR 9 oktober 1957, nr. 13316, BNB 1957/303, en het arrest BNB 1996/11). Onder het op peil houden moet worden begrepen de aanvulling van kennis die is geboden om te voorkomen dat de bestaande ondernemingsactiviteit respectievelijk de bestaande werkzaamheid aan economische betekenis inboet. Daarentegen kunnen kosten van cursussen, (beroeps)opleidingen en studie bij de bepaling van de winst uit onderneming of het resultaat uit een werkzaamheid niet in aanmerking worden genomen indien die kosten ertoe strekken nieuwe vakkennis te verwerven en zodoende de vakbekwaamheid uit te breiden waardoor ook de aard van de producten en/of diensten van de bestaande ondernemingsuitoefening respectievelijk de bestaande werkzaamheid uitbreiding ondergaat.

2.4.2.

Uit hetgeen hiervoor in 2.4.1 is geoordeeld volgt dat het oordeel van het Hof dat niet van belang is of belanghebbende met de cursus en/of de rechtenstudie een nieuwe bevoegdheid heeft verkregen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5.

Gelet op het hiervoor in 2.4.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.