Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2899

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
16/00645
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:41, lid 6, Awb. Griffierechtnota niet betaald. Verschoonbaar verzuim?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0145 met annotatie van Jits Berns
V-N Vandaag 2016/2864
V-N 2017/2.6 met annotatie van Redactie
FED 2017/37 met annotatie van mr. E. Thomas
BNB 2017/59
FutD 2016-3148
NTFR 2017/86 met annotatie van mr. M.H. Hogendoorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2016

nr. 16/00645

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2015, nr. BRE 15/506, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 30 april 2015 betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Geertruidenberg voor het jaar 2014 betreffende de onroerende zaak [c-straat 1] te [Z] . De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Bij het indienen van het beroepschrift bij de Rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde), kantoor houdend op het adres [a-straat 1] te [Q] aan de Rechtbank verzocht om alle correspondentie met betrekking tot dit beroep aan hem te verzenden “p/a [C] (h.o.d.n. [D] ) [b-straat 1] te [R] ”.

2.1.2.

De griffier van de Rechtbank heeft op 6 maart 2015 per aangetekende post een nota griffierecht aan de gemachtigde verzonden waarin een termijn van vier weken wordt gesteld voor de betaling. De nota werd verzonden aan het adres [a-straat 1] te [a-straat 1] .

2.1.3.

Volgens de informatie die door de griffier van de Rechtbank is ingewonnen, is de nota griffierecht op 11 maart 2015 aan de gemachtigde in persoon uitgereikt.

2.1.4.

Het griffierecht is niet betaald. In verband daarmee heeft de Rechtbank bij uitspraak van 30 april 2015 het beroep op de voet van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.5.

In zijn tegen voormelde uitspraak van de Rechtbank gerichte verzetschrift verklaart de gemachtigde dat hij in verband met de gevolgen van hersenletsel een administratiekantoor opdracht heeft gegeven om zijn dossiers en financiële administratie op orde te houden. Dat administratiekantoor is gevestigd op het adres [b-straat 1] te [R] . Aangezien de nota griffierecht in afwijking van zijn verzoek naar zijn kantooradres in [Q] werd gezonden, is het verschoonbaar dat betaling daarvan is uitgebleven, zo stelde de gemachtigde.

2.1.6.

Bij de bestreden uitspraak op verzet heeft de Rechtbank geoordeeld dat de gemachtigde in beginsel niet naar behoren is uitgenodigd om het griffierecht te voldoen omdat de nota niet naar het door hem opgegeven adres is verzonden. Dat gebrek is echter geheeld doordat de gemachtigde de herinneringsnota persoonlijk heeft ontvangen. Dat hij daarna niet adequaat heeft gehandeld is voor zijn rekening en risico, aldus de Rechtbank. De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard.

2.2.

De middelen richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen voormelde oordelen van de Rechtbank.

2.3.1.

Naar de Rechtbank heeft vastgesteld, heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat hij in persoon voor de ontvangst van de herinneringsnota heeft getekend. Het oordeel van de Rechtbank, dat de onjuistheid van het toezendadres is geheeld, aangezien de herinneringsnota de gemachtigde heeft bereikt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De termijn voor het betalen van het verschuldigde griffierecht ving dus aan met de ontvangst van de herinneringsnota.

2.3.2.

Vaststaat dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald. Ingevolge artikel 8:41, lid 6, Awb wordt, indien het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) is betaald, het beroep niet ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Voor zijn verzoek de voor hem bestemde post naar een administratiekantoor te zenden, heeft de gemachtigde als reden opgegeven dat zijn gedrag door hersenletsel is ontregeld. In het licht daarvan had de Rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het verzet niet mogen uitspreken zonder zich uit te laten over de verschoonbaarheid van het verzuim. Het eerste en derde middel slagen derhalve in zoverre.

2.3.3.

Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.3.4.

Gelet op hetgeen onder 2.3.2 is overwogen kan de bestreden uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Het verzet zal opnieuw moeten worden behandeld. Het eerste en derde middel kunnen daarom voor het overige thans buiten behandeling blijven.

3 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door de verwijzingsrechter zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van de behandeling van het verzet een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

verwijst het geding naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.