Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2861

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
15/05840
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:955, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:63 Awb, Aanbod getuigenbewijs op ondeugdelijke gronden gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/67.7 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/2795
FED 2017/28 met annotatie van T.A. Cramwinckel
FutD 2016-3071 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 december 2016

nr. 15/05840

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 oktober 2015, nrs. BK‑14/00993 tot en met BK-14/00995, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 12/4298, SGR 12/4299 en SGR 12/4304) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de voor de jaren 2002 en 2003 opgelegde aanslagen in de IB/PVV, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 13 september 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:955).

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Tegen de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de onderhavige aanslagen en beschikkingen heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld.

2.1.2.

Naar aanleiding van een door belanghebbende met de Inspecteur gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) heeft belanghebbende de beroepen bij de Rechtbank ingetrokken.

2.1.3.

Voor het Hof was in geschil of de intrekking van de beroepen ongedaan kan worden gemaakt omdat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Belanghebbende heeft gesteld dat partijen ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ervan zijn uitgegaan dat belanghebbende de vaststellingsovereenkomst zou nakomen, met name de daaruit voor hem voortvloeiende betalingsverplichting jegens de fiscus, door de verkoop van een aantal percelen grond die een bouwbestemming zouden krijgen. De percelen hebben echter geen bouwbestemming gekregen en zijn niet verkocht.

2.1.4.

Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende het Hof schriftelijk verzocht om drie belastingambtenaren als getuigen op de zitting te horen. Het Hof wist dat die belastingambtenaren aanwezig waren buiten de zittingszaal, maar heeft hen niet gehoord.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de beroepen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken, zodat de zaak in beginsel behoort te worden afgewikkeld overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat partijen hebben gedwaald bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Voorts heeft het Hof overwogen dat voor zover belanghebbende met zijn oproep aan drie medewerkers van de belastingdienst om als getuigen ter zitting te verschijnen een getuigenaanbod heeft willen doen, dit aanbod wordt gepasseerd, reeds omdat het niet is gespecificeerd. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting met geen woord heeft gerept over het eventueel horen van de getuigen, laat staan heeft toegelicht wat de getuigen zouden kunnen verklaren, aldus het Hof.

2.3.

Het middel komt op tegen de beslissing van het Hof om het getuigenaanbod te passeren.

2.4.1.

Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. In het algemeen zal echter niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard (zie HR 10 oktober 2014, nr. 13/05775, ECLI:NL:HR:2014:2924, BNB 2014/253).

2.4.2.

Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende niet concreet heeft vermeld waarover de getuigen zouden kunnen verklaren. De stukken van het geding laten echter geen andere conclusie toe dan dat belanghebbendes bewijsaanbod betrekking had op de totstandkoming en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Voorts blijkt uit ’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet dat het Hof belanghebbende heeft gevraagd om opheldering van de vragen die het bewijsaanbod kennelijk bij het Hof opriep. Onder deze omstandigheden kon het Hof niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, tot zijn oordeel komen dat het getuigenaanbod onvoldoende is gespecificeerd. Voor zover het Hof ervan is uitgegaan dat belanghebbende had dienen toe te lichten wat de getuigen zouden kunnen verklaren, berust dat, gelet op wat hiervoor in onderdeel 2.4.1 is vooropgesteld, op een onjuiste rechtsopvatting.

2.5.

Op de hiervoor in onderdeel 2.4 vermelde gronden slaagt het middel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

Voor de behandeling van de zaak na verwijzing is het volgende van belang. Belanghebbende heeft zijn beroep op dwaling onder meer doen steunen op de stelling dat de ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bestaande verwachtingen omtrent (de opbrengst van) een verkooptransactie niet zijn uitgekomen. Die stelling kan belanghebbende echter niet baten omdat een beroep op een uitsluitend toekomstige omstandigheid, naar luid van artikel 6:228, lid 2, BW, geen grond voor vernietiging kan zijn.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 15/05839 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 2976, derhalve € 1488, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2016.