Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2849

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
15/00812
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1247, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ruchtbaarheid geven ex art. 262.1 Sr (laster). Bewezen is verklaard dat de verdachte aan diverse personen heeft medegedeeld dat zij was verkracht en/of aangerand door de wijkagent Y tijdens haar aanhouding en daardoor in verwachting was geraakt, en tezamen en in vereniging met een ander aan diverse personen heeft medegedeeld dat X haar zoon en andere kinderen seksueel had misbruikt en aan een persoon medegedeeld had dat X in het bezit was van kinderporno, terwijl zij wist dat deze feiten in strijd met de waarheid waren. HR: onder “ruchtbaarheid geven” als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan “het ter kennis van het publiek brengen”. Met zodanig “publiek” is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van “het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven” kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan (ECLI:NL:HR:2008:BC9186, HR 3 november 1964, NJ 1965/109). Het oordeel van het hof dat door mededeling van de in de bewezenverklaring vermelde aantijgingen aan de daarin genoemde personen is gehandeld met het kennelijke doel om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meerdere personen en dat uit de aan deze personen gestelde vragen kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden. Samenhang met 15/00794.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 261
Wetboek van Strafrecht 262
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0433
NBSTRAF 2017/19
RvdW 2017/56
NJB 2017/23

Uitspraak

13 december 2016

Strafkamer

nr. S 15/00812

MD/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 december 2014, nummer 20/003194-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het vierde middel

2.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde - in het bijzonder dat de uitlatingen zijn gedaan met het kennelijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven - blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard:

"2.

dat zij in de periode van 5 februari 2009 tot en met 2 juli 2009 te Nieuwendijk en Werkendam opzettelijk de eer en/of goede naam van [verbalisant 1] , brigadier van politie tevens wijkagent, en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie tevens wijkagent, heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel aan diverse inwoners van Werkendam, onder wie [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , - zakelijk weergegeven - medegedeeld:

- dat zij, verdachte, was verkracht en/of aangerand door de wijkagent op het politiebureau tijdens haar aanhouding, en/of

- dat zij, verdachte, daardoor in verwachting was geraakt,

terwijl verdachte wist dat deze te last gelegde feiten in strijd met de waarheid waren;

3.

dat zij in de periode 1 maart 2009 tot en met 4 maart 2010 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de eer en/of goede naam van [betrokkene 5] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachte en haar mededader met voormeld doel aan diverse personen in Werkendam, te weten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , - zakelijk weergegeven - medegedeeld:

- dat [betrokkene 5] haar, verdachtes, zoon en andere kinderen seksueel had misbruikt,

terwijl verdachte wist dat deze te laste gelegde feiten in strijd met de waarheid waren,

en

dat zij in de periode 1 maart 2009 tot en met 4 maart 2010 te Werkendam opzettelijk de eer en/of goede naam van [betrokkene 5] heeft aangerand door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel aan een persoon in Werkendam, te weten [betrokkene 3] , - zakelijk weergegeven - medegedeeld:

- dat [betrokkene 5] in het bezit was van kinderporno, terwijl verdachte wist dat dit te laste gelegde feit in strijd met de waarheid was."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"E.

Met het oog op de bepleite vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman van de verdachte (...) betoogd dat de in de tenlastelegging nader omschreven uitlatingen door de verdachte niet zijn gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Hiermee wordt immers volgens de Hoge Raad bedoeld het ter kennis brengen van het publiek, waarbij onder 'publiek' een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld wordt. Volgens de verdediging is daarvan in deze zaak geen sprake, nu uit de tenlastelegging volgt dat verdachte de beweerde uitlatingen slechts aan enkele personen in haar naaste omgeving zou hebben gedaan. Verdachte heeft haar uitlatingen bijvoorbeeld niet op het internet gedaan. Door de verdediging is er voorts op gewezen dat uitlatingen die een vertrouwelijk karakter hebben, doordat zij in besloten kring worden gedaan, volgens de literatuur buiten het bereik van het strafrecht moeten blijven, omdat 'een beschuldiging die in de beslotenheid van de huiskamer wordt gedaan, niet is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven'.

F.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

F1.

Onder het begrip 'ruchtbaarheid geven', zoals bedoeld in de delictsomschrijving in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan 'het ter kennis van het publiek brengen'. Met 'publiek' wordt bedoeld een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden. De stelling van de verdediging dat geen bewezenverklaring kan volgen omdat de gewraakte uitlatingen in deze zaak slechts aan enkele concrete personen uit de omgeving van de verdachte zijn gedaan vindt geen steun in de wet en het recht. Het hof neemt hierbij in aanmerking, zoals ook door de rechtbank is overwogen, dat de wetgever ook de zogenoemde 'kruipende laster' strafbaar heeft willen stellen. Het gaat daarbij om het doen van kwaadaardige aantijgingen waarvan verwacht kan worden dat die worden doorverteld en zo een groot publiek zullen bereiken.

Voor zover het hof uit het dossier kan opmaken heeft de verdachte de uitlatingen over de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en aangever [betrokkene 5] gedaan tegenover 'betrekkelijk willekeurige personen'. Uit het gegeven dat de verdachte de uitlatingen deed tegenover betrekkelijk willekeurige personen - en dus niet tegenover personen die op de een of andere wijze betrokken waren bij de vermeende kwaadaardige gedragingen van de verbalisanten en aangever - kan naar het oordeel van het hof reeds worden afgeleid dat de verdachte de kennelijke bedoeling had om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven.

F2.

Met betrekking tot feit 2 overweegt het hof in dit verband voorts nog als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in een kort tijdsbestek tegen meerdere personen in haar omgeving heeft verteld dat zij verkracht was door de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en dat zij daarvan aangifte had gedaan. Niet blijkt dat de verdachte daarbij heeft benadrukt dat haar mededelingen in vertrouwen werden gedaan of geheim dienden te blijven. In tegendeel: uit de vraag van de verdachte aan de getuige [betrokkene 1] 'of zij soms al iets gehoord had in Werkendam', waarop de verdachte de getuige vertelde dat zij was aangerand of verkracht door de wijkagent, kan naar het oordeel worden afgeleid dat het de verdachte er juist om te doen was dat haar verhaal over de aanranding of verkrachting door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in Werkendam bekend zou worden.

F3.

Met betrekking tot feit 3 overweegt het hof voorts nog dat het kennelijke doel om aan de aantijgingen ruchtbaarheid te geven naar het oordeel van het hof bevestiging vindt in het gegeven dat, nadat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] - verdachtes moeder - aangever [betrokkene 5] ten overstaan van de getuige [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hadden beschuldigd van het plegen van ontucht met verdachtes zoon en andere kinderen, op enig moment door die medeverdachte aan de getuige [betrokkene 4] is gevraagd of zij al meer wist over de beschuldiging van [betrokkene 5] (hof: aangever [betrokkene 5] ). Hieruit volgt dat het de verdachte en haar moeder er kennelijk om te doen was dat door hen tegenover de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] gedane uitlatingen verder verspreid en door een breder publiek besproken zouden worden."

2.3.

De te dezen toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt:

- art. 261, eerste lid, Sr:

"Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."

- art. 262, eerste lid, Sr:

"Hij die het misdrijf van smaad (...) pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

2.4.1.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Onder "ruchtbaarheid geven" als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan "het ter kennis van het publiek brengen". Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.1 Van "het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven" kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan.2

2.4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of een mededeling wordt gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van het publiek te brengen kan van belang zijn of verwacht mag worden dat de ontvanger van de (smadelijke) mededeling daar vertrouwelijk mee omgaat. Dat laatste was niet het geval bij een uitlating die op een (afgeschermde) sociaalnetwerksite was geplaatst die voor meerdere personen zichtbaar was, terwijl zij naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over die uitlating konden beschikken3, en evenmin in het geval waarin de verdachte contact had met een dagbladjournalist die aandacht had voor de kwestie waarop de uitlating betrekking had en waarover reeds gepubliceerd was.4In beide zaken getuigde het oordeel van het Hof dat was gehandeld met het kennelijke doel om aan de mededeling ruchtbaarheid te geven niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.4.3.

Indien de ontvanger een ambt bekleedt dat met discretie pleegt te worden uitgeoefend, kan zich licht het geval voordoen dat het oordeel dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan de mededeling ruchtbaarheid te geven nadere motivering behoeft. Als voorbeelden kunnen worden genoemd faxen over gedragingen van de curator in een faillissement die waren toegezonden aan diens kantoor en in afschrift aan de Rechter-Commissaris in het faillissement5, en een brief aan de burgemeester over gedragingen van een vorige bewoner6.

Onder omstandigheden kan ook een nadere motivering zijn vereist indien de relatie met de ontvanger zodanig is dat de verdachte in redelijkheid mag verwachten dat deze de mededeling niet zal verspreiden in een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden. Dat deed zich bijvoorbeeld voor bij een brief van de ex-vriendin van de aangever over diens gedragingen jegens zijn kind, gericht aan de moeder van het kind die door deze ter kennis was gebracht van de aangever en de huisarts7, en bij een op aanraden van een leidinggevende van een kinderdagverblijf verstuurde e-mail naar het algemene e-mailadres van dat kinderdagverblijf teneinde medewerkers van dat verblijf met het oog op een ongestoorde Sinterklaasviering op de hoogte te stellen van hetgeen zich met de ex-partner had afgespeeld.8

2.5.

Het oordeel van het Hof dat door mededeling van de in de bewezenverklaring vermelde aantijgingen aan de daarin genoemde personen is gehandeld met het kennelijke doel om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven, geeft - gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meerdere personen en dat uit de aan deze personen gestelde vragen kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het vijfde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 162 uren, subsidiair 81 dagen hechtenis, bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016.

1 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

2 HR 3 november 1964, NJ 1965/109.

3 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325.

4 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7947, NJ 2012/382.

5 HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2198, NJ 2001/183.

6 HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770, NJ 2004/691.

7 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

8 HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337.