Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2837

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
16/02277
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:561, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2445, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP. Mag de rechter bij de beslissing tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ambtshalve en zonder specifieke aanleiding een uittreksel uit het justitiële documentatieregister betreffende de verzoeker opvragen?

Wetsverwijzingen
Wet justitiële gegevens
Wet justitiële gegevens 8
Grondwet
Grondwet 10
Faillissementswet
Faillissementswet 288
Faillissementswet 350
Faillissementswet 356
Faillissementswet 358
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/2
NJB 2017/16
JWB 2016/456
Prg. 2017/28
NJ 2017/99 met annotatie van E.A. Alkema
JBP 2016/106
JOR 2017/114
INS-Updates.nl 2016-0419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2016

Eerste Kamer

16/02277

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, thans mr. K. Aantjes.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaken C/09/503096/FT RK 16/8 en C/09/503096/FT RK 16/9 van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2016;

b. het arrest in de zaak 200.186.469/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Beoordeling van het middel

3.1

[verzoeker] verzoekt in deze procedure toepassing van de schuldsaneringsregeling. Na mondelinge behandeling van de zaak heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

3.2

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het overwoog onder meer dat het ambtshalve een recent uittreksel uit de justitiële documentatie, [verzoeker] betreffende, bij de rechtbank heeft opgevraagd en van haar heeft ontvangen, samen met schriftelijke inlichtingen afkomstig van het CJIB.
Het hof overwoog voorts dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden.

Het hof overwoog in dat verband met name dat [verzoeker], blijkens een e-mail van Plangroep van 18 april 2016, boetes bij het CJIB heeft laten ontstaan en laten oplopen tot een bedrag van circa € 9.000,--. De door Plangroep in het kader van de minnelijke regeling voor schuldeisers gereserveerde gelden zijn aangewend voor de betaling van aan [verzoeker] opgelegde boetes, ter voorkoming van een aangekondigde gijzeling. Door de boetes tot een dergelijke hoogte te laten ontstaan/oplopen en uiteindelijk te (laten) voldoen uit gelden die mede voor (gedeeltelijke) voldoening van zijn overige schuldeisers in het kader van de schuldregeling waren bestemd, heeft [verzoeker] niet te goeder trouw zijn overige schuldeisers onbetaald gelaten. Een en ander geeft geen blijk van een saneringsgezinde houding en staat aan toelating tot de schuldsanering in de weg. (Rov. 5)

Het hof overwoog voorts dat bij het voorgaande nog komt dat [verzoeker] bij vonnis van 8 juli 2015 door de politierechter is veroordeeld tot 140 uur taakstraf/subsidiair 70 dagen hechtenis voor poging tot zware mishandeling op 2 juli 2015. [verzoeker] heeft toegelicht dat het een ‘incident met een verkeersregelaar’ betrof, dat sprake was van zelfverdediging en dat hij in hoger beroep is gegaan.
Wat daarvan ook zij, zolang het hoger beroep nog niet tot een ander, gunstiger resultaat heeft geleid, is het vonnis van de politierechter een gegeven waarvan het hof op dit moment moet uitgaan. Nog daargelaten dat ook dit gebeuren weer haaks staat op een saneringsgezinde houding - een dergelijk geweldsmisdrijf kan licht tot een nieuwe schuld leiden (bijv. jegens de benadeelde) - kan deze straf een obstakel vormen bij het nakomen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ook dit feit en meer in het algemeen de omstandigheid dat [verzoeker] herhaaldelijk in aanraking komt met het straf- en sanctierecht maken dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. (Rov. 6)

Het hof heeft om de hiervoor vermelde redenen, zowel tezamen als afzonderlijk, het bestreden vonnis bekrachtigd (rov. 7).

3.3

Het middel bevat klachten tegen de hiervoor samengevat weergegeven overwegingen van het hof in rov. 5 en 6. De tegen rov. 5 gerichte klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Omdat hetgeen in rov. 5 is overwogen de beslissing van het hof zelfstandig draagt, behoeft de tegen rov. 6 gerichte klacht geen behandeling.

3.4

De Hoge Raad overweegt echter als volgt naar aanleiding van de tegen rov. 6 gerichte klacht. Deze klacht houdt kort gezegd in dat de rechter niet gerechtigd is – zoals de rechtbank in dit geval blijkens de stukken van het geding heeft gedaan - ambtshalve een uittreksel uit het justitiële documentatieregister betreffende de verzoeker tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op te vragen, indien daarvoor geen aanleiding is, zoals volgens de klacht in het geval van [verzoeker].

3.5.1

Art. 11 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (WJD, geldend van 1 juni 2003 tot 31 maart 2004) hield in dat verstrekking van een uittreksel uit het justitiële documentatieregister aan de in dat artikel genoemde rechterlijke ambtenaren alleen plaatsvindt ten behoeve van de strafrechtspleging. In art. 15 WJD was bepaald dat ook aan anderen dan hen die zich met de strafrechtspleging bezig houden, gegevens worden verstrekt, indien zij met een publieke taak zijn belast.

3.5.2

In art. 8 van de Wet Wijziging van de regels betreffende de registratie van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de registratie van persoonsdossiers (Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, Kamerstukken II 1995 - 1996, 24 797, hierna ook: Wjsg) is in grote lijnen de inhoud van art. 11 WJD overgenomen. In art. 9 Wjsg is hetzelfde gebeurd met betrekking tot art. 15 WJD, met dien verstande dat aan de nieuwe bepaling aanvankelijk de voorwaarde werd toegevoegd dat verstrekking alleen dan plaatsvindt voor zover dit voor een goede taakuitoefening noodzakelijk is en het openbaar belang dit vordert.

3.5.3

In de nota van wijziging werd art. 8 Wjsg echter als volgt gewijzigd:

“Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Ten behoeve van de rechtspleging worden justitiële gegevens verstrekt aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen.”

De daarbij behorende toelichting houdt het volgende in:

“In onderdeel K wordt art. 8 geherformuleerd. Daarbij is het doel waarvoor de rechterlijke ambtenaren justitiële gegevens kunnen verkrijgen verruimd. Rechterlijke ambtenaren hebben immers niet alleen behoefte aan justitiële gegevens in strafzaken, maar ook in bijvoorbeeld civielrechtelijke zaken. (…) Deze mogelijkheid is thans neergelegd in het eerste lid.”

(Kamerstukken II 1999-2000, 24 797, nr. 8, p. 17)

3.5.4

Uit het vorenstaande volgt dat de wet het thans mogelijk maakt om uittreksels als hier bedoeld aan rechterlijke ambtenaren te verstrekken, zonder dat aan bijzondere voorwaarden behoeft te zijn voldaan. Blijkens de toelichting is in dit verband mede gedacht aan civielrechtelijke zaken.

3.6.1

Door de verstrekking van een uittreksel wordt evenwel inbreuk gemaakt op het in art. 8 lid 1 EVRM en art. 10 lid 1 Grondwet gewaarborgde recht op bescherming van het privéleven en op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Volgens art. 8 lid 2 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer het economisch welzijn van het land of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens art. 10 lid 1 Grondwet dienen beperkingen op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer plaats te vinden bij of krachtens de wet.

3.6.2

De wettelijke regeling van de schuldsanering strekt ertoe om tegen te gaan dat een natuurlijk persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen, tot in lengte van jaren kan worden achtervolgd met zijn schulden, en om deze persoon uitzicht te bieden weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Met de wet is voorts beoogd faillissementen van natuurlijke personen zo veel mogelijk terug te dringen. (Kamerstukken II 1992-1993, 22 969, nr. 3)

Uitgangspunt van deze regeling is dat vorderingen van schuldeisers door toepassing van die regeling zoveel mogelijk worden gefixeerd. Indien de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd op de voet van art. 356 lid 2 Fw, zijn vorderingen van schuldeisers ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, niet langer afdwingbaar voor zover deze vorderingen onvoldaan zijn gebleven (art. 358 lid 1 Fw).

3.6.3

De toepassing van de schuldsaneringsregeling dient dus met name het belang van natuurlijke personen die in een problematische financiële situatie verkeren, en maakt inbreuk op de rechten van hun schuldeisers. Mede omdat deze schuldeisers niet de mogelijkheid hebben om in de schuldsaneringsprocedure voor hun belangen op te komen, kunnen hun rechten rechtvaardigen dat in die procedure tot op zekere hoogte inbreuk wordt gemaakt op de bescherming van het privéleven van de schuldenaar.

De rechter die over de toelating tot (of de beëindiging van) de schuldsaneringsregeling heeft te oordelen, dient de (tegengestelde) belangen van de schuldenaar en zijn schuldeisers in zijn afweging te betrekken. Bij deze afweging kan van belang zijn dat de rechter beschikt over een recent uittreksel uit de justitiële documentatie, de schuldenaar betreffende. Onder omstandigheden kan een zodanig uittreksel immers gegevens bevatten die van belang zijn voor een oordeel over de saneringsgezindheid van de schuldenaar. Schriftelijke inlichtingen van het CJIB betreffen alleen openstaande schulden en zijn in dit verband niet altijd toereikend.

3.6.4

Op zichzelf is niet ondenkbaar dat de wetgever het opvragen van een uittreksel uit de justitiële documentatie in een schuldsaneringsprocedure in alle gevallen gerechtvaardigd zou achten. Uit art. 8 Wjsg en de daarop gegeven, hiervoor in 3.5.3 weergegeven, toelichting kan evenwel niet worden afgeleid dat dit het geval is. Ook uit de wettelijke bepalingen van de Faillissementswet betreffende de schuldsanering blijkt dat niet. Tot de in de Faillissementswet genoemde weigerings- en beëindigingsgronden behoort immers niet een strafrechtelijke veroordeling van de schuldenaar van welke aard dan ook. Het standaard in alle gevallen waarin over toelating tot (of beëindiging van) de schuldsaneringsregeling wordt beslist, opvragen van een uittreksel uit de justitiële documentatie, ontbeert daarom de noodzakelijke wettelijke grondslag (vgl. HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2359, NJ 2004/599, rov. 3.6).

3.6.5

Gelet op het voorgaande brengt de mede op grond van art. 8 lid 2 EVRM te stellen eis van, kort gezegd, proportionaliteit mee dat een voldoende zwaarwegende grond dient te bestaan voor het opvragen van het uittreksel. De rechter kan zijn bevoegdheid om een uittreksel uit de justitiële documentatie op te vragen dan ook slechts gebruiken indien in de omstandigheden van het geval zodanige grond bestaat. De rechter moet die grond dan vermelden in zijn uitspraak.

3.6.6

Op grond van art. 8 lid 2 EVRM is mede vereist dat de schuldenaar kan voorzien dat de rechter in een procedure als de onderhavige over dit uittreksel beschikt en wat daarvan de consequenties voor de beoordeling van zijn verzoek zullen zijn, zodat hij zijn gedrag daarop kan afstemmen (zie onder meer EHRM 25 april 1979, nr. 6598/74, EHRM 4 mei 2000, nr. 28451/95 en EHRM 29 juni 2006, nr. 11 901/02). De rechter kan waarborgen dat aan deze voorwaarde is voldaan door de (advocaat van de) schuldenaar specifiek hierover tijdig voor de mondelinge behandeling te informeren. Als de rechter niet het uittreksel voor de zitting heeft opgevraagd, kan hij in hetgeen bij de mondelinge behandeling van het verzoek voorvalt, aanleiding zien om dit uittreksel alsnog op te vragen. Hij dient dan de schuldenaar daarover ter terechtzitting te informeren, met vermelding van de gronden daarvoor.

3.6.7

De inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie kan uitsluitend worden meegewogen in verband met de in art. 288 lid 1 onder b en c en lid 2 onder c Fw vermelde toelatingsvoorwaarden en weigeringsgronden, dan wel de in art. 350 lid 3 onder c-g Fw bedoelde beëindigingsgronden.

3.6.8

In verband met de eisen van hoor en wederhoor zal de rechter eventuele uit het uittreksel blijkende contra-indicaties voor toepassing van de schuldsaneringsregeling (of indicaties om deze te beëindigen) tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek met de schuldenaar moeten bespreken om hem in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, dan wel hem in de gelegenheid te stellen om daarop naderhand tijdens een voorgezette behandeling te reageren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 9 december 2016.