Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2829

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
15/02137
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:499, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1378, Bekrachtiging/bevestiging
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBZWB:2014:8359, Afwijzing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting; art. 72, lid 1, letter b, en artt. 84a en 84b Wet MRB 1994; art. 1 Eerste Protocol; art. 6:22 en art. 7:3 Awb; verzoek om prorogatie bij rechtbank betekent niet dat inspecteur uitspraak op bezwaar kan doen zonder belanghebbende te horen en rechtvaardigt evenmin de gevolgtrekking van de rechter dat als gevolg van dit verzuim van de inspecteur aan de zijde van belanghebbende geen sprake is geweest van benadeling; geen schending van art. 1 EP door wijziging oldtimervrijstelling met ingang van 1 januari 2014, en de daarbij getroffen overgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0154 met annotatie van Heleen Elbert
V-N Vandaag 2016/2856
V-N 2017/2.15 met annotatie van Redactie
NJB 2017/221
FED 2017/30 met annotatie van dr. mr. C. Maas
BNB 2017/63 met annotatie van B.A. van Brummelen
FutD 2016-3146
FutD 2016-3147
NTFR 2017/156 met annotatie van
NLF 2017/0360 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2016

nr. 15/02137

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's–Hertogenbosch van 17 april 2015, nr. 14/01064, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland–West–Brabant (nr. AWB 14/3571) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan motorrijtuigenbelasting over het jaar 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat–Generaal C.M. Ettema heeft op 2 juni 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:499).

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Van 20 oktober 2005 tot en met 24 januari 2007 stond in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens een door een benzinemotor aangedreven personenauto (hierna: de auto) op naam van belanghebbende. Op 10 oktober 2009 is de auto wederom op naam van belanghebbende gesteld. Door de tenaamstelling was belanghebbende ingevolge artikel 7, lid 1, letter a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) de houder van de auto.

De auto is op 27 oktober 1978 voor het eerst in gebruik genomen.

2.1.2.

Na de tenaamstelling van de auto op 20 oktober 2005 heeft de Inspecteur op verzoek van belanghebbende bij beschikking van 7 november 2005 (hierna: de vrijstellingsbeschikking 2005) vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend. De vrijstelling (hierna: de oldtimervrijstelling) werd verleend omdat de auto op die datum ouder was dan 25 jaar en was gegrond op artikel 72, lid 1, aanhef en letter b, (tekst 2005) van de Wet in samenhang gelezen met artikel 12 (tekst 2005), aanhef en letter a, en artikel 27 (tekst 2005) van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

2.1.3.

Na de tenaamstelling van de auto op 10 oktober 2009 heeft de Inspecteur bij brief met als aanhef “Vrijstellingsbeschikking Motorrijtuigenbelasting Vrijstelling 25 jaar en ouder” (hierna: de mededeling van 2009) belanghebbende laten weten dat hij voor de auto geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd was aangezien uit het kentekenregister was gebleken dat de auto ouder was dan 25 jaar.

2.1.4.

In december 2013 heeft de Inspecteur schriftelijk aan belanghebbende medegedeeld dat, onder voorbehoud van goedkeuring door de Eerste Kamer van de Staten–Generaal, artikel 72, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet met ingang van 1 januari 2014 zou worden gewijzigd in die zin dat de oldtimervrijstelling alleen nog zou gelden voor motorrijtuigen die voor het eerst in gebruik zijn genomen op of voor 1 januari 1974. Daarbij merkte de Inspecteur op dat belanghebbende per 1 januari 2014 voor de auto motorrijtuigenbelasting naar het algemene tarief zou zijn verschuldigd, aangezien de auto niet aan vorenbedoelde voorwaarde voldeed. Ten slotte wees de Inspecteur op de wettelijke overgangsregeling die in de nieuwe artikelen 84a en 84b van de Wet is voorzien voor motorrijtuigen die voor 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik zijn genomen.

2.1.5.

Met ingang van 1 januari 2014 geldt de oldtimervrijstelling nog slechts voor motorrijtuigen die voor het eerst in gebruik zijn genomen op of voor 1 januari 1974. Eveneens per die datum is de hiervoor in 2.1.4 bedoelde wettelijke overgangsregeling (hierna: de overgangsregeling) in werking getreden. De overgangsregeling houdt in dat met een door een benzinemotor aangedreven motorrijtuig, dat voor 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik is genomen maar waarvan het tijdstip van eerste ingebruikneming nog geen 40 jaar geleden is (hierna ook: een jonge oldtimer), gedurende het kalenderjaar gebruik mag worden gemaakt van de weg tegen een verlaagd tarief van motorrijtuigenbelasting (in 2014 gesteld op € 120). Aan de toepassing van dit verlaagde tarief is de voorwaarde verbonden dat met het motorrijtuig geen gebruik wordt gemaakt van de weg in de maanden januari, februari en december van een kalenderjaar.

2.1.6.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014
– overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen – gebruik gemaakt van de overgangsregeling door voor de auto het hiervoor in 2.1.5 vermelde bedrag van € 120 aan motorrijtuigenbelasting op aangifte te voldoen. Belanghebbende heeft daarna tegen deze voldoening bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft hij de Inspecteur verzocht in te stemmen met het rechtstreeks tegen de voldoening instellen van beroep bij de rechtbank (hierna: het verzoek om prorogatie). De Inspecteur heeft het verzoek om prorogatie alsmede het bezwaar afgewezen. Hij heeft belanghebbende niet daaraan voorafgaand in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden voorbijgegaan aan het verzuim van de Inspecteur belanghebbende de gelegenheid te geven over het bezwaar te worden gehoord, omdat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. In dit kader heeft het Hof met name relevant geacht dat in het verzoek om prorogatie ligt besloten dat belanghebbende geen behoefte had aan overleg met de Inspecteur over de door hem aangevoerde bezwaren.

2.2.2.

Het Hof heeft verworpen belanghebbendes stelling dat hij op grond van de vrijstellingsbeschikking 2005 en de mededeling van 2009 vanaf 1 januari 2014 nog steeds recht heeft op toepassing van de oldtimervrijstelling.

2.2.3.

Het Hof heeft eveneens verworpen belanghebbendes stelling dat het doen vervallen van de oldtimervrijstelling voor motorrijtuigen die op 1 januari 2014 meer dan 25 jaar maar minder dan 40 jaar voorafgaande aan die datum voor het eerst in gebruik zijn genomen, in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever de wettelijke eisen voor de oldtimervrijstelling om zowel budgettaire overwegingen als milieuoverwegingen aangescherpt. Aan die overwegingen heeft de wetgever, aldus het Hof, ten grondslag gelegd de omstandigheden dat zowel het aantal als het gebruik van oldtimers substantieel is toegenomen en dat die groei vooral jonge oldtimers betreft waarmee relatief veel kilometers worden gereden, hetgeen volgens de wetgever erop wijst dat veel van deze auto’s ook voor dagelijks gebruik worden aangewend. Hiermee heeft de wetgever, aldus het Hof, een legitiem doel nagestreefd en is deze keuze – mede in het licht van de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt – niet evident van redelijke grond ontbloot. Voorts voldoet de wijziging van de oldtimervrijstelling naar het oordeel van het Hof ook overigens aan de vereisten van ‘lawfulness’.

2.2.4.

Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beperking van de oldtimervrijstelling en het daarbij getroffen overgangsrecht hebben geleid tot een individuele en buitensporige last op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de wetgever met het doen vervallen van de oldtimervrijstelling voor jonge oldtimers in strijd met artikel 1 EP het vereiste van ‘fair balance’ heeft geschonden.

2.3.1.

Middel 1 is gericht tegen het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof en betoogt dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat belanghebbende door het niet–horen in de bezwaarfase niet is benadeeld.

2.3.2.

Op grond van artikel 7:1a, lid 1, Awb kan de belanghebbende in zijn bezwaarschrift de inspecteur verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Dit verzoek als zodanig betekent niet dat de belanghebbende geacht wordt op de voet van artikel 7:3 Awb te hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. De Inspecteur had – gelet op artikel 25, lid 1, AWR en artikel 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht - belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen om een verzoek te doen te worden gehoord dan wel hem rechtstreeks die gelegenheid moeten geven. De Inspecteur heeft dit nagelaten. Het Hof heeft daarom terecht het handelen van de Inspecteur als een schending van een vormvoorschrift aangemerkt.

2.3.3.

Indien de rechtbank of het hof tot het oordeel komt dat de inspecteur in de bezwaarfase de belanghebbende niet (op de juiste wijze) heeft gehoord alvorens uitspraak op bezwaar te doen, kan de rechtbank of het hof in de uitspraak met toepassing van artikel 6:22 Awb aan dat verzuim voorbijgaan mits de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Van een dergelijke benadeling zal in de regel geen sprake zijn wanneer het verzuim is hersteld doordat de belanghebbende zijn bezwaren in beroep en in hoger beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten, omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de inspecteur en de belanghebbende (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat, en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267, en HR 20 mei 2005, nr. 39816, ECLI:NL:HR:2005:AT5894, BNB 2005/300).

2.3.4.

Indien het Hof aan de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen ten grondslag heeft gelegd de opvatting dat aan een in een bezwaarschrift neergelegd verzoek in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank op voorhand de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de belanghebbende niet is benadeeld, getuigen die oordelen – gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen – van een onjuiste rechtsopvatting.

Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, is onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat het verzoek om prorogatie van belang is om te beoordelen of belanghebbende door het niet–horen is benadeeld. Dat oordeel behoefde – gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen – een nadere motivering, die ontbreekt.

2.3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.4 is overwogen, is middel 1 terecht voorgesteld. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden. ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding, waaronder in het bijzonder het aan het Hof gedane schriftelijke verzoek om een versnelde behandeling en om de zaak af te doen zonder onderzoek ter zitting, laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende met de Inspecteur (uiteindelijk) geen verschil van mening had over de van belang zijnde feiten en/of over de waardering daarvan en dat de geschilpunten enkel de beantwoording van rechtsvragen betroffen en dat belanghebbende in die zin niet is benadeeld.

2.4.1.

De middelen 4, 5 en 6 richten zich tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof.

2.4.2.

Vooropgesteld wordt dat het vaste rechtspraak is van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat belastingheffing is te beschouwen als aantasting van het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP (vgl. onderdeel 7.6 van de conclusie van de Advocaat–Generaal). Dat artikel houdt in, aldus eveneens vaste jurisprudentie van het EHRM, dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn (‘lawfulness’) en een legitiem doel van algemeen belang (‘legitimate aim’) moet dienen. Bij de keuze van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt aan de wetgever een zeer ruime beoordelingsmarge toe (‘an exceptionally wide margin of appreciation’). Verder vereist het bepaalde in artikel 1 EP dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening en aldus een waarborg biedt tegen willekeur (‘arbitrariness’). De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van zijn handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen. Ten slotte brengt de door artikel 1 EP beoogde bescherming mee dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist dat een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten, en dat betrokkenen als gevolg daarvan niet worden getroffen met een individuele en buitensporige last. Dit een en ander houdt ook in dat burgers niet in redelijkheid erop mogen vertrouwen dat wettelijk geregelde aanspraken op belastingvrijstellingen ongewijzigd zullen blijven.

Vergelijk voor het vorenstaande onder meer EHRM 6 november 1980, Sunday Times tegen Verenigd Koninkrijk, no. 6538/74; EHRM 29 april 2008, Burden tegen Verenigd Koninkrijk, no. 13378/05; HR 3 april 2009, nr. 42467, ECLI:NL:HR:2009:BC2816, BNB 2009/268; HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65; EHRM 20 september 2011, Yukos tegen Rusland, no. 14902/04; EHRM 14 mei 2013, N.K.M. tegen Hongarije, no. 66529/11; HR 27 juni 2014, nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523, BNB 2014/219 (hierna: het arrest BNB 2014/219); EHRM 27 oktober 2015, Konstantin Stefanov tegen Bulgarije, no. 35399/05; HR 29 januari 2016, nr. 15/03090, ECLI:NL:HR:2016:124, BNB 2016/164; en HR 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177.

2.4.3.

Middel 4 is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de wetgever bij het afschaffen van de oldtimervrijstelling voor jonge oldtimers heeft voldaan aan de vereisten van precisie en voorzienbaarheid. Het middel voert daartoe aan dat het Hof heeft nagelaten belanghebbendes stelling te behandelen dat te weinig tijd was gelegen tussen de aankondiging van de wijziging van artikel 72 van de Wet (medio december 2013) en de ingangsdatum van die wetswijziging (1 januari 2014), en dat aldus betrokkenen te weinig tijd werd gegeven om tijdig de auto te verkopen en anderszins in vervoer te voorzien.

Middel 4 faalt. Anders dan waarvan het middel uitgaat, houden de hiervoor in 2.4.2 omschreven vereisten van precisie en voorzienbaarheid van wetgeving niet in dat de fiscale wetgever bij het bepalen van het tijdstip van inwerkingtreding van nieuwe wetgeving rekening moet houden met de tijd die betrokkenen nodig hebben om schadebeperkende maatregelen te treffen (zie het arrest BNB 2014/219, onderdeel 4.3.6). Ook is de wetswijziging waarbij de toepassing van de oldtimervrijstelling is beperkt tot motorrijtuigen van 40 jaar en ouder en waarbij een overgangsmaatregel is getroffen voor (bepaalde) motorrijtuigen waarvoor de oldtimervrijstelling met ingang van 1 januari 2014 ophield te gelden, niet onvoldoende precies en evenmin zo onvoorzienbaar dat belastingplichtigen hun gedrag niet op de wet konden afstemmen.

2.4.4.

Middel 5 is gericht tegen ’s Hofs oordeel dat de wetgever een legitiem doel heeft nagestreefd met de wijziging van de oldtimervrijstelling. Het middel voert daartoe aan dat uit het bij het bezwaarschrift gevoegde rapport van Stichting Autobelangen van september 2013 blijkt dat de door het Hof omschreven constateringen van de wetgever omtrent de toename van het aantal oldtimers in Nederland en de toename van het gebruik van dat aantal oldtimers onjuist zijn geweest, aangezien uit dit rapport naar voren komt dat minder dan 35 percent van de jonge oldtimers dagelijks wordt gebruikt en dat de toename en het gebruik van oldtimers wordt veroorzaakt door slechts een beperkte groep door een dieselmotor aangedreven auto’s, welk probleem reeds voor de wetswijziging van 2014 is opgelost.

Ook middel 5 faalt. Het voorstel tot wijziging van de oldtimervrijstelling is opgenomen in het Belastingplan 2014, dat op 19 september 2013 is aangeboden aan de Tweede Kamer. Het doel van die wijziging is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3) uitvoerig toegelicht. Blijkens deze memorie van toelichting is met de afschaffing van de oldtimervrijstelling voor motorrijtuigen, die ouder zijn dan 25 jaar maar jonger dan 40 jaar, beoogd niet alleen op dat moment bestaande milieuvervuiling te beperken maar juist ook een rem te zetten op de toename van milieuvervuiling als gevolg van het anders toenemende aantal oldtimers en tegelijkertijd om opbrengsten te genereren voor de schatkist. Daarbij is erop gewezen dat de aankondiging in het Regeerakkoord in 2013 om de oldtimervrijstelling te wijzigen vrijwel direct ertoe heeft geleid dat het aantal importen van vaak relatief jonge oldtimers op diesel en LPG, sterk is afgenomen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat met de onderhavige wetswijziging een legitiem doel in het algemeen belang is nagestreefd en dat deze wetswijziging niet van iedere redelijke grond is ontbloot. Dat heeft evenzeer te gelden voor de keuze van de wetgever om de oldtimervrijstelling te beperken tot auto's die 40 jaar of ouder zijn en voor diens keuze om bij jonge oldtimers geen onderscheid te maken tussen zogenoemde hobby–auto's en auto's voor dagelijks gebruik.

Daarom is juist het oordeel van het Hof dat de wetgever met de wetswijziging een legitiem doel nastreeft en dat dit doel – mede in het licht van de zeer ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt – niet van iedere redelijke grond is ontbloot.

2.4.5.

Middel 6 is gericht tegen het hiervoor in 2.2.4 omschreven oordeel van het Hof dat de wetswijziging niet heeft geleid tot een individuele en buitensporige last en dat is voldaan aan het vereiste van ‘fair balance’. Het middel herhaalt daartoe het in dit verband voor het Hof gehouden betoog en voert aan – verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, nr. 08/02324, ECLI:NL:HR:2010:BL1943, BNB 2010/335 – dat het Hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling of de wetswijziging heeft geleid tot een buitensporige last.

2.4.6.

Ook middel 6 faalt. Anders dan het middel betoogt, geeft het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat de aan de orde zijnde beperking van de oldtimervrijstelling en de daarbij getroffen overgangsregeling geen individuele en buitensporige last voor betrokkenen betekenen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De door het middel daartoe aangevoerde omstandigheden, te weten (i) het aan toepassing van de overgangsregeling verbonden verbod om in de maanden januari, februari en december met de oldtimer gebruik te maken van de openbare weg in Nederland, (ii) de waardedaling van een oldtimer als gevolg van de wetswijziging, en (iii) de overgang van een vrijstelling naar het algemene tarief van (voor het onderhavige jaar) € 1124 dan wel het op grond van de overgangsregeling verschuldigde tarief van (voor het onderhavige jaar) € 120, kunnen niet de conclusie dragen dat de wetgever met de onderhavige wetswijziging het risico heeft aanvaard dat ten minste een substantieel deel van de houders van jonge oldtimers als gevolg van die wetswijziging een individuele en buitensporige last ondervindt. De wetgever is derhalve op het niveau van de regelgeving gebleven binnen de hem toekomende zeer ruime beoordelingsmarge.

’s Hofs oordeel dat vorenbedoelde omstandigheden evenmin leiden tot een individuele en buitensporige last voor belanghebbende, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover middel 6 in dit kader aanvoert dat het in de overgangsregeling opgenomen "verbod" om in de maanden januari, februari en december met een jonge oldtimer in Nederland gebruik te maken van de openbare weg in strijd is met het in de Europese Unie verankerde recht op het vrije verkeer van personen, wordt dat argument verworpen. De overgangsregeling betreft motorrijtuigen die in Nederland zijn geregistreerd. Lidstaten hebben de vrijheid om van personen die op hun grondgebied wonen en met een motorrijtuig gebruik maken van de openbare weg op hun grondgebied, een binnenlandse belasting als de motorrijtuigenbelasting te heffen. Wanneer een lidstaat in dat kader een lager belastingtarief dan het algemene tarief heft op voorwaarde dat de belastingplichtige gedurende een zekere periode met het motorrijtuig geen gebruik maakt van de openbare weg in die lidstaat, vormt dat een interne situatie waarin op het hiervoor bedoelde recht op het vrije verkeer van personen in zoverre geen beroep kan worden gedaan.

2.5.1.

De middelen 2 en 3 richten zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen. Middel 2 betoogt dat de vrijstellingsbeschikking 2005 onherroepelijk is komen vast te staan, dat deze nimmer is ingetrokken en dat de wisseling van houderschap met ingang van 24 januari 2007 niet betekent dat de vrijstellingsbeschikking 2005 is komen te vervallen. Middel 3 betoogt dat de mededeling van 2009 nimmer is ingetrokken en dat wetswijziging niet betekent dat die als een vrijstellingsbeschikking aan te merken mededeling haar werking heeft verloren.

2.5.2.

De aan belanghebbende als houder van de auto gegeven vrijstellingsbeschikking 2005 is gegrond op de toenmalige wetgeving op grond waarvan de inspecteur op verzoek vrijstelling van motorrijtuigenbelasting toekende voor motorrijtuigen van 25 jaar en ouder.

Sedert 1 januari 2007 bepaalt de Wet niet langer dat de oldtimervrijstelling na een daartoe gedaan verzoek bij beschikking van de inspecteur van toepassing is. De vrijstelling geldt sindsdien van rechtswege wanneer aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan. Dit betekent dat de vrijstellingsbeschikking 2005 met ingang van 1 januari 2007 haar rechtskracht heeft verloren en dat de mededeling van 2009 niet kan worden aangemerkt als een krachtens de wettelijke bepalingen gegeven beschikking. Op grond hiervan falen de middelen 2 en 3.

Daarbij wordt opgemerkt dat belanghebbende aan de vrijstellingsbeschikking 2005 noch aan de mededeling van 2009 het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de oldtimervrijstelling ook na 1 januari 2014 voor de auto van toepassing zou blijven. De inhoud van zowel de vrijstellingsbeschikking 2005 als de mededeling van 2009 laat geen andere conclusie toe dan dat deze niet meer was dan een weergave van de toentertijd geldende wettelijke bepalingen met betrekking tot de oldtimervrijstelling. Uit die inhoud kon bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk zijn ontstaan dat de oldtimervrijstelling voor de auto zou blijven gelden wanneer de wettelijke bepalingen zo zouden worden gewijzigd dat de oldtimervrijstelling op grond van de wet niet langer van toepassing zou zijn.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice–president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.