Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2772

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/03601
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1208, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:4333, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotiveringklacht, art. 359.6 Sv. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2016:2191. Het Hof heeft uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus in overeenstemming met art. 359.6 Sv i.h.b. de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/48
SR-Updates.nl 2017-0022
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2016

Strafkamer

nr. S 15/03601

AGE/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 17 juni 2015, nummer 24/000250-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de strafoplegging in het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

2.2.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van "een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd", veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van twaalf weken. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft drie kinderpornografische afbeeldingen van een zeer jong meisje vervaardigd. Op deze afbeeldingen zijn, in drie verschillende posities, telkens nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen van dat meisje in beeld gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat de nadelige gevolgen die een slachtoffer van het vervaardigen van dergelijke foto's zowel in psychische als in lichamelijke zin kan ondervinden doorgaans bijzonder ingrijpend zijn. Door aldus te handelen lijkt verdachte zich niet te hebben bekommerd om het zeer jonge slachtoffer. Het meisje werd voorts door verdachte opgevangen in de kinderopvang "[A]" waarvan verdachte eigenaar was en was aldus aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd. Met name dit gegeven rekent het hof verdachte zeer zwaar aan.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2015 blijkt dat verdachte - op een transactie in 1989 na ter zake van een ander delict - niet met justitie is aanraking is gekomen.

Omtrent verdachte is op 21 juli 2011 door drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, ter zake van (onder meer) het onder 5 ten laste gelegde een psychologisch rapport uitgebracht. Dit rapport houdt als conclusie onder meer in, zakelijk weergegeven:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling en mogelijk van een ziekelijke stoornis. Verdachte neigt er toe problemen te externaliseren en/of om te zetten in impulsief gedrag. Hij heeft een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en narcistische trekken ontwikkeld. Dit was ook al ten tijde van (onder meer) het onder 5 ten laste gelegde. Er wordt geadviseerd om betrokkene voor (onder meer) het onder 5 ten laste gelegde, indien bewezen, licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het hof neemt de conclusie dat de verdachte het onder 5 bewezenverklaarde feit in licht verminderde mate kan worden toegerekend, over en maakt die tot de zijne.

Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 13 weken, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.

Er is echter sprake van - kort gezegd - 'undue delay' in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op 1 februari 2012 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld. Weliswaar houdt een deel van de sindsdien verstreken tijd verband met door het hof te nemen beslissingen op de onderzoekwensen van verdachte en de vervanging van de toenmalige raadsvrouw door de huidige raadsman, doch dit rechtvaardigt niet een dergelijke lange duur van de behandeling in hoger beroep. Dit betekent dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden. In verband met voormelde overschrijding zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen in die zin, dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken zal worden opgelegd."

2.3.1.

Art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv luidt:

"Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid."

2.3.2.

In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het in art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv weergegeven vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437).

2.3.3.

Het Hof heeft met zijn hiervoor weergegeven overweging uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald.

2.3.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het vierde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf weken.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze elf weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2016.