Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2755

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
16/01272
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1149, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw); niet voldaan aan informatieplicht. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.v.m. curatele die na instellen cassatieberoep is opgeheven; bekrachtiging door voormalig curandus. Invloed psychische aandoening op gedrag dat tot beëindiging leidt (verwijtbaarheid). Afzonderlijke toetsing t.a.v. gehuwden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/2308
RvdW 2016/1242
JWB 2016/430
NJ 2016/502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 december 2016

Eerste Kamer

16/01272

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [verzoekster 1] ,

2. [verzoeker 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, thans mr. F.I. van Dorsser.

Verzoekers zullen hierna worden aangeduid als [verzoekster 1] en [verzoeker 2] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaken met insolventienummers C/06/13/118 R en C/06/13/119 R van de rechtbank Gelderland van 7 oktober 2014, 17 juli 2014 en 26 november 2015;

b. het arrest in de zaak 200.181.339 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 februari 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Op 26 april 2016 heeft Advocaat-Generaal R.H. de Bock geconcludeerd tot het in de gelegenheid stellen van [verzoekster 1] om haar voormalig curator op te roepen namens haar als formele partij in het geding te verschijnen en het aanhouden van de procedure jegens [verzoeker 2] .

[verzoekster 1] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, op 9 juni 2016 verklaard het cassatieberoep te bekrachtigen.

Bij aanvullende conclusie heeft de Advocaat-Generaal geconcludeerd tot vernietiging.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verzoekster 1] en [verzoeker 2] zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd.

(ii) Bij beschikking van 25 februari 2011 is [verzoekster 1] onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis (koopverslaving).

(iii) Bij vonnissen van 4 maart 2013 is ten aanzien van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

3.2.1

Medio 2014 heeft de rechter-commissaris de schuldsaneringsregeling voorgedragen voor tussentijdse beëindiging op de grond dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] niet hebben voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en nieuwe schulden hebben laten ontstaan.

Bij vonnis van 17 juli 2014 heeft de rechtbank de beslissing aangehouden in verband met het bericht dat [verzoeker 2] via een uitzendbureau aan de slag kon. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] zich “vanaf heden perfect” dienen te houden aan de voorwaarden van de schuldsaneringsregeling, waaronder de verplichting de bewindvoerder te informeren over alle zaken die hun vermogenspositie kunnen raken. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat [verzoekster 1] onder curatele is gesteld, haar en [verzoeker 2] niet ontslaat van hun informatieplicht jegens de bewindvoerder.

Bij vonnis van 7 oktober 2014 heeft de rechtbank de voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Zij heeft vastgesteld dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] betalingsregelingen hebben getroffen en hen in verband daarmee een laatste kans gegeven de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Daarbij heeft de rechtbank [verzoekster 1] en [verzoeker 2] opnieuw gewaarschuwd zich in de resterende periode van de schuldsaneringsregeling te houden aan de voorwaarden en de bewindvoerder tijdig te informeren over alle zaken die hun vermogenspositie kunnen raken.

3.2.2

Bij vonnis van 26 november 2015 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder alsnog tussentijds beëindigd op de grond dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] hun informatieplicht in het bijzonder ten aanzien van het salaris van [verzoeker 2] niet zijn nagekomen en opnieuw nieuwe schulden hebben laten ontstaan.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Voor zover van belang heeft het hof daartoe overwogen dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] de bewindvoerder niet, althans onvoldoende hebben geïnformeerd over zaken waarvan zij – zeker nadat zij daarop bij herhaling waren gewezen – wisten, dan wel behoorden te weten dat deze voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling van belang waren. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen:

a) dat de bewindvoerder onweersproken heeft gesteld dat zij vanaf 18 augustus 2015 de voor het door haar te berekenen vrij te laten bedrag benodigde inkomensgegevens van [verzoeker 2] niet heeft ontvangen,

b) dat de bewindvoerder er achter heeft moeten komen dat de inkomsten van [verzoeker 2] steeds op de bankrekening van de (in december 2015 overleden) vader van [verzoeker 2] zijn gestort en zo buiten haar zicht zijn gehouden, en

c) dat [verzoekster 1] ter zitting heeft verklaard dat zij met het op de bankrekening van haar schoonvader gestorte geld ook recent nog betalingen heeft verricht en dat zij de bewindvoerder hiervan niet op de hoogte heeft gesteld.

Dit moet [verzoekster 1] en [verzoeker 2] zwaar worden aangerekend en is, mede gelet op de door de bewindvoerder en de rechtbank aan [verzoekster 1] en [verzoeker 2] gegeven waarschuwingen en de hen geboden kansen om zichzelf te verbeteren en de regels van het schuldsaneringstraject wel naar behoren na te komen, reeds voldoende om de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] tussentijds te beëindigen. (rov. 3.4)

Daarnaast hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] nieuwe schulden en een boedelachterstand laten ontstaan van (ten minste) € 14.000,--, zonder een concreet voorstel te hebben gedaan waarmee die achterstand zou kunnen worden ingelopen, terwijl geenszins kan worden uitgesloten dat dit bedrag nog verder zal oplopen. Ook op grond daarvan dient de schuldsaneringsregeling tussentijds te worden beëindigd. (rov. 3.5)

Ontvankelijkheid

3.3.1

[verzoekster 1] stond onder curatele toen de toepassing van de schuldsaneringsregeling werd uitgesproken (zie hiervoor, 3.1 (ii en iii)). De curatele is bij beschikking van 21 maart 2016 met ingang van die datum opgeheven (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal van 26 april 2016, onder 3). Ten tijde van het instellen van het cassatieberoep (op 8 maart 2016) stond [verzoekster 1] dus nog onder curatele.

3.3.2

Een onder curatele gestelde is niet bekwaam proceshandelingen te verrichten (behoudens in zaken van curatele; zie art. 1:381 lid 2 in samenhang met lid 6 BW). Proceshandelingen van een onder curatele gestelde zijn evenwel vatbaar voor bekrachtiging hetzij door de curator, hetzij, in het geval de curatele wordt opgeheven en de curandus zijn procesbekwaamheid herkrijgt, door de voormalig curandus zelf. Het gevolg van bekrachtiging is dat de proceshandelingen worden geacht van de aanvang af geldig te zijn geweest. Bedoelde bekrachtiging heeft mede betrekking op de eerdere instanties. (Vgl. HR 29 november 1957, NJ 1958/15 en HR 20 november 1987, ECLI:NL:HR:AD0051, NJ 1988/279).

3.3.3

Bij de instelling van het onderhavige cassatieberoep was [verzoekster 1] nog procesonbekwaam en ontbrak de medewerking van de curator. Na de opheffing van de curatele heeft [verzoekster 1] de instelling van het cassatieberoep evenwel bekrachtigd. Zij is dus ontvankelijk in dat beroep.

Het middel

3.4.1

Het middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] geen verwijt kan worden gemaakt van de tekortkomingen die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, nu [verzoekster 1] destijds onder curatele stond, welke omstandigheid door het hof niet kenbaar in zijn beoordeling is betrokken.

3.4.2

Voor de toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw is vereist dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt (zie laatstelijk HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2348, NJ 2016/453). Indien een schuldenaar aanvoert dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van gedragingen die op zichzelf genomen grond opleveren voor tussentijdse beëindiging, omdat hij lijdt aan een psychische aandoening, mag in beginsel van hem worden gevergd dat hij verklaart waarom zijn aandoening eraan in de weg stond – eventueel met hulp van derden – (alsnog) aan zijn verplichtingen te voldoen (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2286, NJ 2016/451).

3.4.3

Het hof heeft onderkend dat [verzoekster 1] onder curatele stond, maar kennelijk geoordeeld dat zij onvoldoende heeft toegelicht waarom het – herhaalde waarschuwingen ten spijt – niet nakomen van haar informatieplicht haar in verband met haar geestelijke gesteldheid niet kan worden verweten. In aanmerking genomen dat [verzoekster 1] herhaaldelijk is gewaarschuwd dat zij zich in het vervolg (“perfect”) diende te houden aan de voorwaarden van de schuldsaneringsregeling en dat zij er door de rechtbank op is gewezen dat de ondercuratelestelling haar niet van de informatieplicht jegens de bewindvoerder ontsloeg, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Nu het niet nakomen van de informatieplicht de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zelfstandig draagt, behoeven de klachten die zien op de verwijtbaarheid van het laten ontstaan van nieuwe schulden geen bespreking.

3.4.4

Voor zover het middel met een beroep op de ondercuratelestelling van [verzoekster 1] opkomt tegen de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker 2] , faalt het reeds omdat het miskent dat een verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van in gemeenschap van goederen gehuwde echtelieden (evenals een verzoek tot toelating tot die regeling) ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk dient te worden beoordeeld (vgl. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002/259 en HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6933, NJ 2004/638).

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 2 december 2016.