Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2668

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
15/03778
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:444, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:5096, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5b AWR. ANBI. Commerciële tarieven? Het hanteren van een prijs die door abonnees als een in het economische verkeer min of meer normale, gebruikelijke prijs voor het blad ervaren, verhindert niet aan te nemen dat de belanghebbende uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt in de zin van art. 5b, lid 1, aanhef en letter a, onder 1o, AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2016/0878 met annotatie van Sabine de Wijkerslooth-Lhoëst
V-N 2016/62.8 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/2564
NJB 2016/2323
BNB 2017/48 met annotatie van J.P. Boer
FEDD 2017/31 met annotatie van mw. mr. W.A.P. van Roij
FutD 2016-2863 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2850 met annotatie van dr. D. Molenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 november 2016

nr. 15/03778

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X1] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juli 2015, nr. 14/01077, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/6966) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 5b, lid 6, AWR. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 26 mei 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:444).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft ingevolge artikel 2, lid 1, van haar statuten ten doel het uitgeven van een nieuwsblad en het bevorderen van andere publiciteit ten dienste van het verkondigen van “de blijde boodschap van Jezus Christus zoals deze door de Katholieke Kerk wordt overgeleverd”.

2.1.2.

Ingevolge artikel 2, lid 3, van haar statuten tracht belanghebbende haar doel onder meer te verwezenlijken door het vervaardigen, doen vervaardigen, uitgeven, verkopen en anderszins verspreiden van boeken, tijdschriften, brochures, geluidsdragers en audiovisuele geluidsdragers overeenkomstig de doelstelling van de stichting en door alle andere middelen die voor de verwerkelijking van haar doelstellingen dienstig kunnen zijn.

2.1.3.

Belanghebbende geeft een weekblad uit met de naam ‘[J]’ (hierna: [J]). Het [J] kan tegen betaling worden verkregen door (proef)abonnementhouders en is gratis verkrijgbaar voor missionarissen en kloosterlingen. Tevens worden gratis exemplaren ter beschikking gesteld aan kerkparochies. Daarnaast zijn gedeelten van het [J] gratis terug te vinden op de website van belanghebbende. In 2013 hebben per maand 75.000 bezoekers de website bekeken.

2.1.4.

Voor betalende abonnementhouders bedraagt de prijs voor het [J] in 2013 op jaarbasis € 118,50 en in 2014 € 120,95. Per 31 december 2011 bedroeg het aantal abonnementen 8959 en per 31 december 2012 8314. De abonnementsprijs is niet kostendekkend. Sinds haar oprichting in 1983 heeft belanghebbende ieder jaar verlies geleden met de door haar ontplooide activiteiten.

2.1.5.

Voor de financiering van haar activiteiten wordt belanghebbende ondersteund door [X2] Stichting (hierna: de Stichting), statutair gevestigd te [Z]. Sinds de oprichting van belanghebbende heeft de Stichting een groot deel van de geldmiddelen, die zij verkrijgt uit fondsen, subsidies, schenkingen, erfstellingen en andere verkrijgingen, besteed ten behoeve van belanghebbende. In 2007 heeft belanghebbende een bijdrage van € 150.000 van de Stichting verkregen. Met ingang van 2008 is deze bijdrage € 175.000. In 2010 heeft de Stichting € 202.000 bijgedragen en in 2011 € 225.000. De Stichting heeft tevens gratis abonnementen op het [J] verstrekt aan personen die een abonnement niet kunnen betalen en zorgt door middel van incidentele giften voor de dekking van de exploitatietekorten van belanghebbende.

2.1.6.

Belanghebbende heeft de Inspecteur op 28 februari 2013 verzocht te worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI), op welk verzoek op 15 juli 2013 afwijzend is beslist.

2.2.1.

Voor de Rechtbank en het Hof was in geschil of de Inspecteur belanghebbendes verzoek om te worden aangemerkt als ANBI terecht heeft afgewezen.

2.2.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende aan de voorwaarden voor een ANBI voldoet.

2.2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende voor het [J] gehanteerde abonnementsprijs, gelet op de omvang en de verschijningsfrequentie, objectief beschouwd als een min of meer commercieel tarief moet worden aangemerkt. Daartoe heeft het Hof aannemelijk geacht dat de abonnees deze prijs ervaren als een in het economische verkeer min of meer normale, gebruikelijke prijs voor het blad. Dusdoende worden de consumptieve particuliere belangen van de abonnees gediend, aldus het Hof. Dat de exploitatie van het [J], bezien vanuit de uitgever, niet kostendekkend dan wel winstgevend is maar reeds vanaf de oprichting in 1983 (sterk) verlieslatend is, maakt dat naar het oordeel van het Hof niet anders.

2.2.4.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbendes kernactiviteit is het uitgeven van een weekblad tegen een min of meer commercieel tarief. Met het uitgeven van het [J] en andere gegevensdragers tegen min of meer commerciële tarieven houdt belanghebbende zich naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en primair bezig met het verkondigen van de blijde boodschap van Jezus Christus. Belanghebbende voldoet daarmee naar het oordeel van het Hof niet aan de wettelijke eis dat zij met haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks en primair een algemeen nut dient te beogen.

2.3.1.

Het eerste middel richt zich tegen ’s Hofs in 2.2.3 weergegeven oordeel dat belanghebbende de consumptieve particuliere belangen van de abonnees dient, omdat de voor het [J] gehanteerde abonnementsprijs als een min of meer commercieel tarief moet worden aangemerkt. Het middel slaagt. Het Hof heeft kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat voor het oordeel dat met de ontplooide werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut is beoogd in de zin van artikel 5b, lid 1, aanhef en letter a, onder 1o, AWR onder meer moet vaststaan dat belanghebbendes werkzaamheden rechtstreeks erop zijn gericht het algemeen nut te dienen. Beslissend voor de beantwoording van de vraag of activiteiten worden verricht tegen tarieven die commercieel van aard zijn, is echter niet hoe die tarieven ervaren worden door degenen die deze tarieven betalen, maar of de tariefstelling is gericht op het behalen van exploitatieoverschotten. De door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheid dat de prijs voor het [J] door de abonnees als een in het economische verkeer normale, gebruikelijke prijs wordt ervaren, staat er niet aan in de weg het uitgeven van het [J] aan te merken als een werkzaamheid die rechtstreeks gericht is op het dienen van het algemeen belang.

2.3.2. ’

s Hofs uitspraak laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende met haar tariefstelling voor het [J] niet streefde naar exploitatieoverschotten. Het Hof heeft immers, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat de abonnementsprijs voor het [J] niet kostendekkend is en dat de exploitatie van het [J] van haar oprichting af ieder jaar tot een verlies leidt. De omstandigheid dat belanghebbende de activiteiten niettemin heeft voortgezet laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende met deze activiteiten geen winstoogmerk heeft.

2.3.3.

Het tweede middel richt zich tegen ’s Hofs in 2.2.4 weergegeven oordeel dat belanghebbende niet voldoet aan de wettelijke eis dat zij met haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks en primair een algemeen nut dient te beogen. Ook dit middel slaagt.

Volgens artikel 2, lid 1, van haar statuten heeft belanghebbende ten doel “het uitgeven van een nieuwsblad en het bevorderen van andere publiciteit ten dienste van het verkondigen van de blijde boodschap van Jezus Christus, zoals deze door de Katholieke Kerk wordt overgeleverd.” Die statutaire bepaling laat geen andere conclusie toe dan dat zowel het uitgeven van dat nieuwsblad als het bevorderen van andere publiciteit ten dienste staan van het verkondigen van bedoelde boodschap. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of belanghebbendes feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het uitgeven van een dergelijk nieuwsblad en het bevorderen van dergelijke andere publiciteit. Bevestigende beantwoording van die vraag leidt tot het oordeel dat belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 5b, lid 3, letter i, AWR, met die werkzaamheden rechtstreeks en primair een algemeen nut beoogt.

2.4.

Gelet op het in 2.3.1 en 2.3.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen 3 en 4 behoeven thans geen bespreking.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.