Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2666

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
15/04990
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:6779, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5b AWR. ANBI. Onbegrijpelijk hofoordeel over de vraag of werkzaamheden van de instelling rechtsreeks erop zijn gericht het algemeen nut te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2016/0876 met annotatie van Sabine de Wijkerslooth-Lhoëst
V-N 2016/62.10 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/2562
BNB 2017/49 met annotatie van J.P. BOER
FED 2017/33 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
FutD 2016-2863 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/3002 met annotatie van dr. D. Molenaar
NTFR 2016/2853 met annotatie van dr. D. Molenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 november 2016

nr. 15/04990

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 september 2015, nr. 14/01142, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 13/282) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 5b, lid 6, AWR. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman van 28 juli 2016 in de zaak 15/05483 (ECLI:NL:PHR:2016:785).

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbendes doel luidt volgens artikel 2 van haar statuten:

“1. De stichting heeft ten doel: het scheppen van mogelijkheden voor minimaal vierhonderd personen om gezamenlijk tweemaal per dag het TM- (HR: Transcendente Meditatie) en TM-sidhiprogramma, zoals geleerd door [A], te beoefenen, om op deze wijze een zodanige invloed uit te oefenen op het collectieve bewustzijn van de Nederlandse bevolking, dat negatieve tendenzen gaan verdwijnen en worden omgebogen in positieve ontwikkelingen.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

A) projecten te ontwikkelen, die bovengenoemde doelstellingen doen realiseren, zoals:

a. woongelegenheid voor een dergelijke groep;

b. huisvesting om het gezamenlijke meditatieprogramma te beoefenen;

c. werkgelegenheid;

d. het voorwaarden scheppen voor onderwijs op basis van de systematische ontwikkeling van het bewustzijn voor de betrokkenen;

e. het voorwaarden scheppen voor mogelijkheden voor recreatie en gezondheidszorg.

B) Het verstrekken van informatie over de genoemde doelstelling.”

2.1.2.

In 1988 is belanghebbende begonnen met het realiseren van [C], een wijk in [Z]. In [C] zijn in totaal 200 woningen. Dit betreffen koop- en huurwoningen. [C] huisvest ca. 300 huishoudens van merendeel mediterenden en ‘sidha’s’. Belanghebbende regelt, als bewonersorganisatie, de toelating tot [C]. Inschrijving voor een woning in [C] is pas mogelijk als een overeenkomst is gesloten met belanghebbende.

2.1.3.

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het onderhouden van [C] en haar voorzieningen door het verstrekken van subsidies aan de basisschool, de biologische winkel en het vegetarische restaurant. Daarnaast organiseert en ondersteunt belanghebbende TM-activiteiten, die ook vanuit het buitenland worden bezocht.

2.1.4.

Niet alle inwoners van [C] nemen actief deel aan de TM-activiteiten. Dagelijks nemen circa 100 mensen in [C] deel aan de Transcendente Meditatie die tweemaal daags wordt gehouden. Teneinde de doelstelling van de gemeenschap te bereiken dienen dagelijks 400 mensen deel te nemen aan de meditatiebijeenkomsten. Alle inwoners van [C] zijn aan belanghebbende een maandelijkse bijdrage verschuldigd, ongeacht of zij deelnemen aan de TM‑activiteiten. De bijdrage wordt aangewend om de voorzieningen in [C] in stand te houden.

2.1.5.

In het beleidsplan van belanghebbende voor de periode 2011-2021 van oktober 2011 staat onder meer dat belanghebbende zich wil richten op het genereren van publiciteit over het nut van de transcendente meditatie en de TM-sidhitechniek voor de maatschappij, op de ondersteuning van de bouw van nieuwe huizen en op het professionaliseren van de beoefenaars van de TM‑sidhitechniek en de ondersteuning van de activiteiten in [C].

2.1.6.

Belanghebbende heeft sinds 1 januari 2008 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI).

2.1.7.

De Inspecteur heeft een onderzoek ingesteld naar de ANBI-status van belanghebbende en heeft op 26 september 2011 en op 20 januari 2012 een ‘bedrijfsbezoek’ gebracht.

2.1.8.

De Inspecteur heeft bij beschikking van 6 maart 2012 aan belanghebbende meegedeeld dat zij per 1 juli 2012 niet langer zal worden aangemerkt als een ANBI.

2.2.

Voor het Hof was onder meer in geschil of de werkzaamheden van belanghebbende rechtstreeks erop zijn gericht het algemeen nut te dienen. Voor het Hof was niet in geschil dat de statutaire doelstelling van belanghebbende voldoet aan de in artikel 5b AWR gestelde vereisten.

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat bij de door belanghebbende verrichte activiteiten primair de persoonlijke ontwikkeling van de deelnemers voorop staat, zodat het particuliere belang en niet rechtstreeks het algemeen nut wordt gediend. Hoogstens is mogelijk sprake van een gunstig maatschappelijk neveneffect van de activiteiten, aldus het Hof. De activiteiten zelf dienen naar ’s Hofs oordeel niet rechtstreeks het algemeen belang. Belanghebbende heeft bovendien de door haar gestelde positieve effecten op onder andere de (afname van de) criminaliteit, economische vooruitgang en de positieve ontwikkeling van de verkeersveiligheid naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt.

2.4.1.

Tegen dit oordeel richt zich het middel met onder meer een motiveringsklacht.

2.4.2.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Artikel 5b, lid 1, aanhef en letter a, onder 1°, AWR vereist onder meer dat de desbetreffende instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt. Een instelling beoogt het algemeen nut als kan worden vastgesteld dat haar werkzaamheden rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen nut als omschreven in artikel 5b, lid 3, AWR te dienen. Daarbij moet niet slechts worden gelet op de statutaire doelstelling van de instelling, maar ook op haar feitelijke werkzaamheden.

2.4.3.

Het Hof is kennelijk, en in cassatie onbestreden, ervan uitgegaan dat belanghebbende volgens haar statutaire doelstelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt. De door het Hof vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbendes activiteiten in ieder geval deels binnen haar statutaire doelstelling vallen. Tegen die achtergrond is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk ’s Hofs oordeel dat geen van belanghebbendes feitelijke activiteiten rechtstreeks erop is gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR genoemd algemeen nut te dienen. Daarbij verdient opmerking dat voor het beogen van het algemeen nut niet vereist is dat gunstige maatschappelijke effecten van de activiteiten van de instelling aannemelijk worden gemaakt. Het middel slaagt in zoverre.

2.4.4.

Gelet op het in 2.4.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek in volle omvang. Bij een bevestigende beantwoording van de vraag of de feitelijke activiteiten van belanghebbende ten minste deels gericht zijn op het dienen van het algemeen belang, zal het verwijzingshof zich moeten buigen over de vraag of aan het zogenoemde kwantitatieve criterium is voldaan, dat wil zeggen of het op het algemeen nut gerichte deel van de activiteiten ten minste 90 percent van haar totale activiteiten vormt.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op €3348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.