Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2527

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
14/06230
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:793, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige tegoeden en een auto Audi A6; witwassen? Deels slagende kwalificatieklacht. De HR stelt voorop de nadere motiveringseisen die gelden voor het oordeel dat het verwerven of voorhanden hebben van “onmiddellijk” uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (schuld)witwassen oplevert (vgl. ECLI:NL:HR:2013:2001). Het Hof heeft i.c. geoordeeld dat de Audi A6 niet "onmiddellijk" door eigen misdrijf is verkregen. Gelet daarop en op het vooropgestelde, is ’s Hofs oordeel dat het voorhanden hebben van de auto niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, onjuist. ’s Hofs oordeel dat de tegoeden "onmiddellijk" uit eigen misdrijf afkomstig zijn en dat het enkele voorhanden hebben van die tegoeden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, en dat aan e.e.a. niet afdoet dat deze tegoeden op kennelijk op eigen naam staande en in Nederland aangehouden spaarrekeningen zijn ontstaan door omzetting van contante geldbedragen in giraal geld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De HR herhaalt verder ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2014:2913 en merkt op dat en waarom het onderhavige geval verschilt van het geval dat aan de orde was in ECLI:NL:HR:2014:702. Samenhang met 14/06231.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420quater
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0429
NBSTRAF 2016/245
NJB 2016/2126
RvdW 2016/1163
NJ 2016/479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 november 2016

Strafkamer

nr. S 14/06230

MD/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 november 2014, nummer 20/003308-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ter zake van de beslissing omtrent de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Procesgang

2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op 14 juni 2012 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 247 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. hij in de periode van 1 mei 2012 tot en met 13 juni 2012 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. hij in de maand juni 2012 in de gemeente Weert

a. een geldbedrag van euro 18.000,-,

b. een geldbedrag van euro 1.150,-,

c. een personenauto (merk Audi A6 Quattro, kenteken: [AA-00-BB]) en

d. een tegoed van euro 3.790,10 op de Rabo betaalrekening [001] en een tegoed van euro 9.960,16 op de Rabo spaarrekening [002],

voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het Hof - voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich gedurende lange tijd heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Voorts volgt uit die bewijsmiddelen dat verdachte meer geld heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen contante geldbedragen, de personenauto (middellijk) en de banktegoeden van misdrijf afkomstig zijn, te weten van overtreding(en) van de Opiumwet."

2.3.

Het Hof heeft de verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft omtrent de strafbaarheid dienaangaande het volgende overwogen:

"Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte contante geldbedragen, een personenauto en banktegoeden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die afkomstig waren uit enig misdrijf; uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat deze voorwerpen afkomstig waren uit overtredingen van de Opiumwet.

Indien evenwel niet kan worden vastgesteld dat het voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat van een zodanig voorhanden hebben sprake is geweest. Het bewaren van een deel van het bewezenverklaarde geld in een oven levert geen "verbergen of verhullen" in de zin der wet op en het omzetten van contante geldbedragen in een personenauto en in giraal geld verschilt niet wezenlijk van het enkele voorhanden hebben van die voorwerpen.

Uit dit één en ander trekt het hof het gevolg dat het onder 3 bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen noch als enig ander strafbaar feit.

De verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder c genoemde personenauto (Audi A6) en de onder d genoemde tegoeden niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. Het middel klaagt niet over het oordeel dat het onder 3 bewezenverklaarde voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder a en b genoemde geldbedragen als witwassen kan worden gekwalificeerd.

3.2.

In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de Audi A6 en de tegoeden afkomstig zijn uit enig door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet daarop is voor de beoordeling van het middel het navolgende van belang.

3.3.

In recente rechtspraak over in het bijzonder het "verwerven" of "voorhanden hebben" van "onmiddellijk" uit "eigen" misdrijf afkomstige voorwerpen worden bepaaldelijk eisen gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75.)

3.4.

Uit de hiervoor onder 2.2 en 2.3 weergegeven overwegingen omtrent de bewezenverklaring en de kwalificatie volgt dat naar het oordeel van het Hof de Audi A6 niet "onmiddellijk" door eigen misdrijf is verkregen. Gelet daarop alsmede op hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld, is het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van deze auto niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, onjuist. Het middel klaagt daarover terecht.

3.5.1.

Uit evenbedoelde overwegingen vloeit ten aanzien van de tegoeden op spaarrekeningen voort dat het Hof heeft geoordeeld dat deze "onmiddellijk" uit eigen misdrijf afkomstig zijn en dat het enkele voorhanden hebben van die tegoeden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, en dat aan een en ander niet afdoet dat deze tegoeden op kennelijk op eigen naam staande en in Nederland aangehouden spaarrekeningen zijn ontstaan door omzetting van contante geldbedragen in giraal geld.

3.5.2.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, houdt onder meer het volgende in:

"Onmiddellijk of middellijk; indirecte opbrengsten

Zoals hiervoor aangegeven beslaan witwastrajecten veelal vele achtereenvolgende stappen, waarbij de uit misdrijf afkomstige voorwerpen worden omgezet in andere, die op hun beurt worden omgezet, enzovoort. Om ook handelingen aan het eind van het traject effectief te kunnen aanpakken, dient een desbetreffende strafbepaling niet alleen het witwassen van de directe opbrengsten uit misdrijf strafbaar te stellen, maar ook het witwassen van een voorwerp dat indirect, middellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Ook meergenoemde internationale overeenkomsten gaan uit van een ruim begrip 'opbrengsten'. De helingbepalingen van artikel 416, eerste lid, en 417bis, eerste lid, Sr kunnen op dit punt problemen opleveren, omdat wordt aangenomen dat onder «een door misdrijf verkregen goed» niet valt het indirect verkregene - hetgeen voor gestolen geld is gekocht -, zodat ten aanzien daarvan geen sprake kan zijn van heling (J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 op art. 416). Om zeker te stellen dat de artikelen 420bis en 420quater zich ook uitstrekken tot witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten, zijn daarin de woorden 'onmiddellijk of middellijk' (afkomstig uit) opgenomen."

alsmede:

"«Omzetten» wordt door Van Dale omschreven als: (geld en goederen) verwisselen met een andere geldswaarde of met zekere handelsartikelen. Het gaat om die handelingen (vervanging, ruil, investering) waardoor de betrokkene een ander voorwerp verkrijgt dat het voordeel uit het oorspronkelijke misdrijf belichaamt. Het hiervoor genoemde kopen van luxegoederen kan dus behalve «gebruik maken» ook «omzetten» opleveren. Omzetten zal veelal tot doel hebben de criminele opbrengsten weer in het legale verkeer te investeren."

(Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 17, resp. 15).

Uit de memorie van toelichting blijkt dat met het gebruik van de term 'middellijk' is beoogd ook gevallen waarin sprake is van witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten van een misdrijf binnen het bereik van de delictsomschrijvingen van de art. 420bis en 420quater Sr te brengen, bijvoorbeeld de omzetting van uit misdrijf afkomstige voorwerpen in andere voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302). Bovendien is voor "omzetten" méér vereist dan het enkele storten van contant geld op een op eigen naam staande en in Nederland aangehouden bankrekening (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500).

3.5.3.

Opmerking verdient nog dat het onderhavige geval verschilt van het geval dat aan de orde was in HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302. In die zaak ging het namelijk om het voorhanden hebben van banktegoeden die in buitenlandse valuta op buitenlandse rekeningen ten name van de verdachte werden aangehouden. Deze tegoeden waren ontstaan als gevolg van het omzetten van bedragen die door slachtoffers waren gestort op bankrekeningen ten name van een ander dan de verdachte.

3.5.4.

Voor zover het middel klaagt over de kwalificatiebeslissing ten aanzien van het voorhanden hebben van de banktegoeden, faalt het.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde voor zover het betreft de onder c genoemde Audi A6, en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2016.