Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:252

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
14/03907
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:2305, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:73 (art. 8:88 e.v.) Awb. Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Overzichtsarrest en beslissingen over nog niet behandelde kwesties.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2017/70
AB 2017/266 met annotatie van R. Stijnen
V-N 2016/13.4 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/363
NJB 2016/459
FED 2016/68 met annotatie van E.B. PECHLER
BNB 2016/140 met annotatie van P.G.H. ALBERT
FutD 2016-0427 met annotatie van Fiscaal up to Date
JB 2016/74 met annotatie van L.J.M. Timmermans
NTFR 2016/752 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
USZ 2016/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2016

nr. 14/03907

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de duur van de onderhavige cassatieprocedure.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Aan [A] (hierna: erflaatster) is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd. Erflaatster heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend dat de Inspecteur op 7 oktober 2003 heeft ontvangen.

2.1.2.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de Inspecteur erflaatster bericht dat hij de uitspraak op bezwaar aanhoudt in afwachting van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in een bij dat hof aanhangig gemaakte procedure van haar echtgenoot.

2.1.3.

Op 11 april 2007 heeft de Rechtbank het tegen het hiervoor in 2.1.2 bedoelde bericht gerichte beroepschrift van erflaatster ontvangen.

2.1.4.

Op 17 juli 2007 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan op de voet van artikel 8:54 Awb. De Rechtbank heeft geoordeeld dat zij onbevoegd is omdat de brief van de Inspecteur geen besluit is in de zin van artikel 26 AWR maar slechts een brief is van zuiver informatieve aard. Erflaatster heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Het verzetschrift is op 20 augustus 2007 door de Rechtbank ontvangen.

2.1.5.

Erflaatster is op 11 januari 2008 overleden.

2.1.6.

Bij uitspraak van 4 december 2008 heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard omdat het belanghebbende (naar de Hoge Raad begrijpt: erflaatster) er ten tijde van het indienen van het verzetschrift kennelijk niet om ging de Rechtbank ertoe te bewegen de Inspecteur op te dragen uitspraak op bezwaar te doen dan wel beroep in te stellen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld, dat de Hoge Raad op 9 januari 2009 heeft ontvangen.

2.1.7.

Bij arrest van 12 maart 2010 heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank op verzet vernietigd, het verzet gegrond verklaard, verstaan dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan vervalt en de Rechtbank opgedragen het onderzoek voort te zetten in de stand waarin het zich bevond (zie HR 12 maart 2010, nr. 09/00150, ECLI:NL:HR:2010:BL7169, BNB 2010/156; hierna: het arrest BNB 2010/156).

2.1.8.

Op 16 september 2010 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan.

2.1.9.

Op 30 september 2010 en - na schorsing - op 20 april 2012 is de zaak door de Rechtbank ter zitting behandeld.

2.1.10.

Op 1 juni 2012 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Bij die uitspraak in de hoofdzaak heeft de Rechtbank geoordeeld dat het onderzoek in verband met het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (hierna: het verzoek) op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb) moet worden heropend.

2.1.11.

Op 23 mei 2013 heeft de Rechtbank bij uitspraak op het verzoek beslist, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) wegens overschrijding van de redelijke termijn veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500.

2.1.12.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank in de hoofdzaak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft op 2 oktober 2013 uitspraak op dat hoger beroep gedaan. Op het tegen die uitspraak door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad op 4 april 2014 arrest gewezen (HR 4 april 2014, nr. 13/05322, ECLI:NL:HR:2014:802).

2.2.1.

Tegen de hiervoor in 2.1.11 bedoelde uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld.

2.2.2.

Het Hof heeft, anders dan de Rechtbank, geoordeeld dat bij het bepalen van de omvang van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ook de periode vóór het overlijden van erflaatster in aanmerking moet worden genomen.

2.2.3.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de redelijke termijn, die ter zake twee jaar bedraagt, met drie jaar en twee maanden is overschreden omdat het bezwaarschrift op 7 oktober 2003 is ontvangen en de uitspraak op het verzet op 4 december 2008 is gedaan, zodat de behandeling van het bezwaar en het beroep tezamen vijf jaar en twee maanden heeft geduurd. Na het arrest BNB 2010/156 is het verzoek bij uitspraak van de Rechtbank van 1 juni 2012 toegewezen, zodat de behandeling in die fase van het geding twee jaar en twee maanden heeft geduurd, waardoor de redelijke termijn met een jaar is overschreden, aldus het Hof. De vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan € 4500, waarvan € 4000 is toe te rekenen aan de bezwaarfase en € 500 aan de beroepsfase, aldus nog steeds het Hof. De klachten richten zich onder andere tegen deze oordelen.

3 Voorafgaande overwegingen

3.1.

Op 10 juni 2011, onder meer in zijn arrest in de zaak nr. 09/02639, ECLI:HR:NL:2011:BO05046, BNB 2011/232 (hierna: het arrest BNB 2011/232), heeft de Hoge Raad aanvaard dat op verzoek een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Sindsdien heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen waarin regels zijn neergelegd met betrekking tot verschillende aspecten van het recht op een dergelijke vergoeding. De Hoge Raad vindt in de behandeling van de onderhavige zaak aanleiding een overzicht te geven van zijn oordelen met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat. Dat hierna in de onderdelen 3.2 tot en met 3.16 te geven overzicht betreft enerzijds oordelen die de Hoge Raad reeds in eerdere arresten heeft gegeven, en anderzijds oordelen over een aantal kwesties die zich met regelmaat in de praktijk voordoen, maar waarover de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken.

a) Basisprincipe

3.2.

De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht (zie het arrest BNB 2011/232).

b) In aanmerking te nemen termijn

3.3.1.

De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur of de heffingsambtenaar (hierna ook kortweg: de inspecteur) het bezwaarschrift ontvangt (zie het arrest BNB 2011/232).

3.3.2.

De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Deze termijn loopt derhalve niet door indien de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, lid 2, Awb heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van het proces (zie HR 20 juni 2014, nr. 13/01045, ECLI:NL:HR:2014:1461, BNB 2014/200; hierna: het arrest BNB 2014/200). Hetzelfde geldt indien de rechter na zijn uitspraak in de hoofdzaak een dergelijke afzonderlijke uitspraak doet naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het sinds 1 juli 2013 geldende, hierna in 3.12 nader te bespreken, artikel 8:91 Awb. Wel heeft ook in dergelijke procedures over vergoeding van immateriële schade te gelden dat de rechter binnen een redelijke termijn uitspraak behoort te doen (in vergelijkbare zin CRvB 4 mei 2010, nrs. 09/3266 t/m 3273 BESLU, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034, AB 2010/296).

3.3.3.

Bij de beoordeling of de in aanmerking te nemen termijn als een redelijke termijn is aan te merken, dient in het licht van de rechtspraak van het EHRM niet alleen te worden gelet op de verschillende in die periode doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure (vgl. HR 26 oktober 1988, nr. 25383, BNB 1989/16).

c) Uitgangspunten voor de vaststelling van de redelijke termijn

3.4.1.

Voor beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:A09006, BNB 2005/337 (hierna: het arrest BNB 2005/337), voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken (zie het arrest BNB 2011/232).

3.4.2.

Dit brengt mee dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen.In de genoemde termijn van twee jaar is tevens de duur van een eventuele verzetprocedure inbegrepen, indien de rechtbank uitspraak doet na vereenvoudigde behandeling op de voet van artikel 8:54 Awb en tegen die uitspraak verzet wordt gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb. In die gevallen eindigt de voor de berechting in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn

(i) indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart: op het moment van de uitspraak waarbij de rechtbank die beslissing neemt, mits tegen die uitspraak niet tijdig beroep in cassatie wordt ingesteld of die uitspraak in cassatie stand houdt;

(ii) indien het verzet gegrond wordt verklaard, hetzij door de rechtbank hetzij door de Hoge Raad: ten tijde van de uitspraak die de rechtbank vervolgens doet nadat zij het onderzoek op de voet van artikel 8:55, lid 9, Awb heeft voortgezet. Indien de rechtbank het verzet bij uitspraak aanvankelijk niet-ontvankelijk of ongegrond heeft verklaard, en zij het onderzoek eerst voortzet nadat de Hoge Raad die uitspraak heeft vernietigd, wordt de duur van de cassatiefase afzonderlijk in aanmerking genomen met inachtneming van hetgeen hierna in 3.4.4 wordt overwogen. De duur van de cassatiefase wordt in die gevallen dus niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de duur van de berechting van de zaak in eerste aanleg.

De hier bedoelde termijn van twee jaar voor de berechting in eerste aanleg heeft ook te gelden in geschillen over gemeentelijke belastingen of over waarderingen op grond van de Wet WOZ, waarbij geen uitzondering geldt voor gevallen waarin de heffingsambtenaar op grond van artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet of artikel 30, lid 9, van de Wet WOZ uitspraak mag doen na afloop van de voor bezwaarprocedures normaliter op grond van artikel 7:10, lid 1, Awb geldende termijn van zes weken (zie HR 30 oktober 2015, nr. 14/06107, ECLI:NL:HR:2015:3173, BNB 2016/28; hierna: het arrest BNB 2016/28).

3.4.3.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. In deze termijn is de duur van een eventuele verzetprocedure bij het hof inbegrepen. Hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen met betrekking tot de verzetprocedure is van overeenkomstige toepassing.

3.4.4.

Voor de berechting van de zaak in cassatie heeft als uitgangspunt te gelden dat de Hoge Raad uitspraak doet binnen twee jaar nadat beroep in cassatie is ingesteld. In deze termijn is ook het tijdsverloop begrepen dat eventueel gemoeid is met vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke als bedoeld in artikel 28b, lid 1, AWR.

3.4.5.

Indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en het geding verwijst naar een gerechtshof of een rechtbank, heeft als uitgangspunt te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad.

3.4.6.

Indien de rechter het onderzoek bij zijn uitspraak in de hoofdzaak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, lid 2, Awb heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van het proces (vgl. hiervoor in 3.3.2), heeft als uitgangspunt te gelden dat hij uitspraak daarover moet doen binnen een jaar na de uitspraak in de hoofdzaak (zie CRvB 24 september 2015, nr. 10/5114 MPS-S, ECLI:NL:CRVB:2015:3341). Ook voor de behandeling van het hoger beroep of beroep in cassatie naar aanleiding van een dergelijke uitspraak heeft een termijn van een jaar als uitgangspunt te gelden.

Hetzelfde heeft te gelden indien de rechter na zijn uitspraak in de hoofdzaak een afzonderlijke uitspraak doet op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, indien dat verzoek gedurende de procedure in de hoofdzaak is gedaan op de voet van de sinds 1 juli 2013 geldende, hierna in 3.12 nader te bespreken, regeling in Titel 8.4 (artikelen 8:88 en volgende) van de Awb.

3.5.1.

De hiervoor in 3.4.2 tot en met 3.4.6 bedoelde termijnen van een en twee jaar, die gehanteerd moeten worden als uitgangspunt, gelden behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest BNB 2005/337 (onderdeel 4.5). Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van meerbedoelde termijnen, worden onder meer gerekend:

a. de ingewikkeldheid van de zaak, die bijvoorbeeld kan zijn gelegen in de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede in de verknochtheid van de zaak met andere zaken betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n); en

b. de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

Er kunnen zich ook bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van die termijnen in verband met het belang dat voor de betrokkene op het spel staat; zie bijvoorbeeld HR 9 februari 1993, nr. 93293, NJ 1993/603 (inzake een gedetineerde verdachte), en EHRM 8 februari 1996, nr. 20826/92, A and Others v. Denmark, ECLI:CE:ECHR:1996:0208JUD002082692, NJ 1997/286 (inzake een AIDS-patiënt).

3.5.2.

Indien een rechtbank of hof van oordeel is dat de ingewikkeldheid van de zaak, zoals hiervoor bedoeld in 3.5.1 onder a, een bijzondere omstandigheid vormt die een langere duur van berechting rechtvaardigt, volstaat als regel de enkele vaststelling dat de zaak complex is als motivering voor dat oordeel, tenzij die vaststelling in het licht van de gedingstukken zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

3.6.1.

Naar aanleiding van hetgeen hiervoor in 3.5.1 onder b is overwogen, verdient opmerking dat in de termijnen die de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd, rekening is gehouden met de omstandigheid dat in een niet onaanzienlijk deel van de gevallen aan partijen vier weken de tijd wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaar- of beroepschrift, en dat het ook niet ongebruikelijk is dat aan partijen vier weken uitstel wordt verleend voor het indienen van nadere processtukken. Van het tijdsverloop dat daarmee gemoeid is, kan niet worden gezegd dat het wordt veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid (zie het arrest BNB 2014/200).

3.6.2.

Om vergelijkbare redenen als hiervoor in 3.6.1 vermeld, doet zich een bijzondere omstandigheid in beginsel evenmin voor indien de rechter op verzoek van een partij de zitting voor de eerste keer uitstelt (zie het arrest BNB 2014/200). Evenzo doet zich een bijzondere omstandigheid in beginsel niet voor indien de behandeling van een zaak ter zitting moet worden onderbroken omdat een verzoek tot wraking is ingediend (zie HR 7 november 2014, nr. 13/04302, ECLI:NL:HR:2014:3119, BNB 2015/56). Hetzelfde geldt voor de behandeling van een verzoek om geheimhouding op de voet van artikel 8:29 Awb en voor het horen van getuigen.

3.7.1.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als voor zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, indien het afwachten van die beslissing redelijk is (zie HR 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636, BNB 2015/34; hierna: het arrest BNB 2015/34).

3.7.2.

De buiten beschouwing te laten termijn die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing in die zaak zelf vangt aan op de dag na verzending van de verwijzingsuitspraak door de nationale rechter. Indien de behandeling van een zaak door de rechter is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, vangt deze buiten beschouwing te laten periode niet eerder aan dan op het moment dat de aanhoudende rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het Hof van Justitie. In beide gevallen eindigt de buiten beschouwing te laten termijn op de dag van openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie (zie het arrest BNB 2015/34 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (grote kamer) van 29 januari 2014, nr. 201302106/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:188, BNB 2015/33; hierna: de uitspraak van de grote kamer van 29 januari 2014).

3.7.3.

Indien de rechter besluit de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, en hij partijen bij zijn schriftelijke kennisgeving omtrent die aanhouding niet in de gelegenheid heeft gesteld hun opvatting daarover binnen een bepaalde termijn kenbaar te maken, dan zal bij de beslissing op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moeten worden beoordeeld of de beslissing van die rechter om de behandeling van de zaak aan te houden redelijk was gelet op de stand van de procedure en de jurisprudentie ten tijde van die schriftelijke kennisgeving. Bij bevestigende beantwoording van die vraag zal de periode tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie, buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. De rechter is alleen gehouden daarop in de motivering van zijn uitspraak in te gaan indien een partij de redelijkheid van het besluit tot aanhouding betwist.

3.7.4.

Het verdient aanbeveling dat de rechter, indien hij partijen in kennis stelt van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, hen daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt eventuele bezwaren tegen die beslissing schriftelijk aan hem kenbaar te maken binnen een door hem gestelde termijn, in de regel zes weken na verzending van de kennisgeving. Indien partijen van de aldus geboden mogelijkheid geen gebruik maken, mag ervan worden uitgegaan dat zij zich kunnen verenigen met de beslissing van de rechter om de zaak aan te houden en heeft als uitgangspunt te gelden dat het afwachten van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie redelijk is. In deze gevallen dient de periode, gelegen tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie, dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden.

In het geval een partij, nadat zij daartoe door de rechter in de gelegenheid is gesteld, bezwaren tegen de aanhouding kenbaar maakt en de rechter besluit de aanhouding desondanks te handhaven, is hetgeen hiervoor in 3.7.3 is overwogen van overeenkomstige toepassing.

3.7.5.

Indien een partij, al dan niet daartoe in de gelegenheid gesteld, haar bezwaren tegen de beslissing tot aanhouding aan de rechter kenbaar maakt, en de rechter naar aanleiding daarvan afziet van verdere aanhouding, heeft tot slot te gelden dat de periode tussen het moment dat de rechter partijen in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden en zijn reactie op de daartegen ingebrachte bezwaren, dient te worden betrokken bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden (zie met betrekking tot het in 3.7.3 tot en met 3.7.5 overwogene de uitspraak van de grote kamer van 29 januari 2014).

3.7.6.

Hetgeen hiervoor in 3.7.1 tot en met 3.7.5 is overwogen met betrekking tot het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, indien het afwachten van die beslissing redelijk is, dient overeenkomstig te worden toegepast indien de inspecteur dan wel de rechter de zaak aanhoudt in afwachting van een uitspraak in een procedure bij een andere rechter dan het Hof van Justitie (vgl. EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 e.a., Coëme, ECLI:CE:ECHR:2000:0622JUD003249296, par. 139-140 en EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88, Hentrich, ECLI:CE:ECHR:1994:0922JUD001361688, par. 61). De eventueel buiten beschouwing te laten periode eindigt dan uiterlijk op de dag van de openbaarmaking van de uitspraak van die andere rechter of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak.

3.8.1.

In het licht van het hiervoor in 3.3.3 geformuleerde uitgangspunt moet worden aangenomen dat een voortvarende behandeling van het hoger beroep onder omstandigheden ertoe kan leiden dat een overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (zie hierna in 3.13.3).

3.8.2.

Het is gelet op het zojuist genoemde uitgangspunt ook mogelijk dat de voortvarende behandeling van de zaak in een eerdere fase dan de aanleg waarin de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaats gevonden, die termijnoverschrijding compenseert (zie het arrest BNB 2005/337).

d) Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

3.9.1.

In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie (zie de arresten BNB 2011/232 en BNB 2014/200). Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld. Betreft een procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete, dan worden de immateriële schadevergoeding en de boetevermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn naast elkaar toegepast (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234; hierna: het arrest BNB 2011/234).

3.9.2.

De omstandigheid dat het (hoger) beroep of het beroep in cassatie ongegrond is staat aan toekenning van een dergelijke schadevergoeding niet in de weg (vgl. HR 30 november 2012, nr. 11/03462, ECLI:NL:HR:2012:BX4029, BNB 2013/167).

3.9.3.

Voor de beoordeling van het recht op vergoeding van immateriële schade is niet van belang of de belanghebbende al dan niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen (zie het arrest BNB 2013/152).

3.9.4.

Evenmin bestaat grond om een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van een proces af te wijzen vanwege de omstandigheid dat sprake is van een (zeer) geringe kans op succes van de belanghebbende in de desbetreffende procedure (zie het arrest BNB 2014/200).

3.9.5.

Ook de mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belanghebbende ten grondslag liggen aan het geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een gebrek aan medewerking door een partij aan de vaststelling van de feiten kan wel ertoe leiden dat een zaak gecompliceerd wordt, hetgeen een factor is die meeweegt bij het oordeel of de redelijke termijn is overschreden (zie het arrest BNB 2015/34).

3.9.6.

Van een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.9.1 bedoeld kan wel sprake zijn indien de procedure over een zeer gering financieel belang gaat. In dergelijke gevallen kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (zie HR 29 november 2013, nr. 12/04301, ECLI:NL:HR:2013:1361, BNB 2014/5; hierna: het arrest BNB 2014/5).

e) Hoogte van de schadevergoeding

3.10.1.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie het arrest BNB 2011/232). Indien in twee of meer van de hiervoor in 3.4.2 tot en met 3.4.7 bedoelde fasen van de procedure een overschrijding van de redelijke termijn plaatsvindt, dient de afronding - in het licht van het in 3.3.3 overwogene - te worden toegepast op de totale overschrijding in al die fasen gezamenlijk. Het zojuist bedoelde uitgangspunt van € 500 schadevergoeding per half jaar geldt ook indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft (zie het arrest BNB 2014/5).

3.10.2.

In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel (zie HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117).

3.10.3.

De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie HR 30 januari 2015, nr. 14/01954, ECLI:NL:HR:2015:147, BNB 2015/195).

3.11.1.

In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie). Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (zie het arrest BNB 2013/152). In gevallen waarin beroep wordt ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift, wordt voor de toepassing van deze regel de duur van de beroepsfase niet in aanmerking genomen zolang de inspecteur nog geen uitspraak op het bezwaar heeft gedaan.

De zojuist weergegeven regel over een redelijke duur van de bezwaar- en beroepsfase geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als hiervoor in 3.5.1 bedoeld (zie het arrest BNB 2013/152).

3.11.2.

Voormelde regel heeft ook te gelden in gevallen waarin op grond van artikel 25, lid 1, AWR (tekst tot 1 januari 2008) de inspecteur uitspraak moet doen binnen een jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift (zie HR 9 augustus 2013, nr. 12/06009, ECLI:NL:HR:2013:199, BNB 2013/223). Mede met het oog op eenvoud en uitvoerbaarheid heeft deze regel eveneens te gelden in gevallen waarin de termijn waarbinnen een heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar moet doen, als gevolg van het bepaalde in artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet of artikel 30, lid 9, Wet WOZ, langer is dan een half jaar (zie het arrest BNB 2016/28).

f) Formele aspecten

3.12.

In zaken waarin het per 1 juli 2013 ingetrokken artikel 8:73 Awb door het overgangsrecht bij die intrekking zijn werking heeft behouden, kan de rechter een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekennen met overeenkomstige toepassing van die bepaling (zie het arrest BNB 2011/232). In gevallen waarin de verzoekschriftprocedure van de artikelen 8:88 en volgende Awb (tekst sinds 1 juli 2013; hierna: de artikelen 8:88 en volgende Awb) van toepassing is met betrekking tot een besluit, dient die procedure naar analogie te worden toegepast op de vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in een procedure over dat besluit (vgl. ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1259). De genoemde verzoekschriftprocedure is op een dergelijk verzoek tot schadevergoeding alleen dan van overeenkomstige toepassing indien het gaat om de duur van een procedure over een besluit dat is bekendgemaakt nadat de artikelen 8:88 en volgende Awb met betrekking tot dat besluit in werking zijn getreden, zo nodig met inachtneming van het overgangsrecht dat is neergelegd in artikel V van de Wet van 31 januari 2013, Stb. 50 (vgl. eveneens ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1259).

3.13.1.

Overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb brengt mee dat om vergoeding van immateriële schade moet worden verzocht. Hetzelfde geldt bij overeenkomstige toepassing van de artikelen 8:88 en volgende Awb. Indien een belanghebbende zich voor de rechter erover beklaagt dat deze de redelijke termijn heeft overschreden, moet die klacht worden aangemerkt als een zodanig verzoek.

3.13.2.

Indien reeds vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting door een rechtbank of hof sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, moet een op overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb gebaseerd verzoek om vergoeding van immateriële schade als regel uiterlijk op de zitting worden gedaan. Hetzelfde heeft te gelden indien de redelijke termijn nog niet is overschreden op het moment van de zitting maar wel zal zijn overschreden op het moment waarop de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, bedoeld in artikel 8:66, lid 1, Awb, verstrijkt.

Voormelde regel lijdt uitzondering indien de rechtbank of het hof de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak niet in acht heeft genomen en daardoor de redelijke termijn verder is overschreden dan ten tijde van de zitting kon worden voorzien. In dat geval kan de belanghebbende tot het tijdstip waarop die rechter uitspraak doet heropening van het onderzoek verlangen teneinde alsnog een beroep te doen op overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek te doen tot vergoeding van daaruit voortvloeiende immateriële schade. Het verzoek hoeft dan niet beperkt te blijven tot immateriële schade die het gevolg is van het tijdsverloop na de zitting (vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799, BNB 2013/134).

Indien echter de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade verlangd. In deze gevallen moet de rechtbank of het hof ambtshalve beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en zo nodig na heropening van het onderzoek ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen (vgl. ABRvS 10 februari 2010, 200902107/1/V6, ECLI:RVS:2010:BL3354).

3.13.3.

Met betrekking tot het tijdsverloop in bezwaar en beroep laat het hiervoor in 3.13.2 overwogene onverlet dat een belanghebbende ook voor het eerst in hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb kan verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens dat tijdsverloop. De belanghebbende kan zich daardoor echter wel in een nadeliger positie plaatsen dan wanneer hij dat verzoek reeds bij de rechtbank had gedaan. Indien de belanghebbende namelijk reeds in de beroepsfase heeft verzocht om vergoeding van de door een overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade, moet de rechtbank op dat verzoek beslissen en, behoudens bijzondere omstandigheden, een vergoeding van immateriële schade toekennen. Wordt in een zodanig geval in hoger beroep geklaagd over die beslissing of over het ontbreken daarvan, dan is voor de beoordeling van die klachten niet van belang hoe voortvarend het hoger beroep is behandeld. Indien dat verzoek evenwel voor het eerst voor het hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij – in het licht van het hiervoor in 3.3.3 overwogene – de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (zie HR 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).

3.13.4.

Een met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb gedaan verzoek dat is gegrond op de duur van de fase van bezwaar en beroep en de fase van hoger beroep kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan (vgl. HR 19 april 2013, nr. 11/02685, ECLI:NL:HR:2013:BX0942, BNB 2013/154).

3.13.5.

Wel kan bij de Hoge Raad een verzoek worden gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de cassatieprocedure. Ook dan brengt het beginsel van de rechtszekerheid mee dat op dit verzoek wordt beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb, in zaken waarin dit artikel van toepassing is; daaraan kan niet afdoen dat artikel 8:73 Awb op de cassatieprocedure in artikel 29 AWR niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het verdere processuele debat naar aanleiding van een dergelijk verzoek vindt plaats met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor het incidentele beroep in cassatie.

3.13.6.

Het is mogelijk een verzoek om vergoeding van immateriële schade met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb voor het eerst te doen nadat de Hoge Raad de uitspraak van een rechtbank of hof heeft vernietigd en het geding heeft verwezen. In deze gevallen kan het verzoek echter geen betrekking hebben op een vergoeding van immateriële schade die ziet op de duur van de fasen van het proces die voorafgingen aan het arrest van de Hoge Raad. In zoverre komt de Hoge Raad terug van hetgeen is overwogen in onderdeel 5 van zijn arrest van 11 mei 2012, nr. 10/02081, ECLI:NL:HR:2012:BW5393, BNB 2012/207.

3.13.7.

Ook is het mogelijk een verzoek om vergoeding van immateriële schade met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb voor het eerst te doen nadat de Hoge Raad een uitspraak op verzet heeft vernietigd en het verzet gegrond heeft verklaard, waardoor de rechter wiens uitspraak door het gegrond verklaarde verzet is komen te vervallen het onderzoek moet voortzetten in de stand waarin het zich bevond. In die gevallen vindt een voortzetting plaats van de fase van bezwaar en beroep, die in beginsel binnen twee jaar moet zijn afgerond (zie hiervoor in 3.4.2). In verband daarmee kan in deze gevallen een eerst na cassatie ingediend verzoek om vergoeding van immateriële schade ook betrekking hebben op het tijdsverloop voorafgaande aan de cassatiefase.

3.13.8.

Een met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb gedaan verzoek om vergoeding van immateriële schade kan geen betrekking hebben op vertraging die eventueel optreedt in een volgende fase van de procedure bij een andere rechterlijke instantie. Ter verkrijging van schadevergoeding vanwege het tijdsverloop in die fase van de procedure zal een afzonderlijk verzoek moeten worden gericht tot de desbetreffende rechterlijke instantie. Hetzelfde heeft te gelden voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn die optreedt in de fase van de procedure nadat de rechter het onderzoek op de voet van artikel 8:73, lid 2, Awb heeft heropend om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van de procedure.

3.14.1.

Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.

3.14.2.

In de hiervoor in 3.14.1 bedoelde gevallen rijst de vraag wie het griffierecht en de proceskosten voor de procedure bij de rechtbank moet(en) vergoeden indien de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden. Indien die overschrijding met inachtneming van het hiervoor in 3.11.1 overwogene

(i) uitsluitend is toe te rekenen aan het bestuursorgaan, zal de vergoeding van deze bedragen ook moeten plaatsvinden door dat orgaan;

(ii) uitsluitend is toe te rekenen aan de rechter, zal de vergoeding van deze bedragen moeten plaatsvinden door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie);

(iii) zowel aan het bestuursorgaan als aan de rechter is toe te rekenen, zal de vergoeding van deze bedragen deels moeten plaatsvinden door het bestuursorgaan en deels door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.

g) Diversen

3.15.

Hetgeen hiervoor in de onderdelen 3.2 tot en met 3.14 is overwogen geldt zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten (vgl. het arrest BNB 2011/234 met betrekking tot een besloten vennootschap).

3.16.

Indien de belanghebbende tijdens de procedure overlijdt en de procedure ten name van diens erfgenamen wordt voortgezet, belet artikel 6:106, lid 2, BW niet dat aan die erfgenamen in verband met de lange duur van de procedure een schadevergoeding wordt toegekend. Indien de erflater geen verzoek daartoe heeft gedaan, kan dat verzoek alsnog worden gedaan door de erfgenamen. De aan de erfgenamen toe te kennen vergoeding van immateriële schade kan mede betrekking hebben op het tijdsverloop van de procedure toen de erflater nog partij was. De in aanmerking te nemen termijn met betrekking tot de desbetreffende fase van de procedure wordt in deze gevallen ook ten aanzien van de erfgenamen geacht te zijn aangevangen op het moment waarop door de erflater tegen het besluit van de inspecteur bezwaar is gemaakt, onderscheidenlijk (hoger) beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld (vgl. HR 17 oktober 2014, nr. 13/06130, ECLI:NL:HR:2014:2981, BNB 2015/39).

4 Beoordeling van de klachten

4.1.

Het cassatieberoep klaagt erover dat het Hof de Inspecteur niet heeft veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht in de hogerberoepsprocedure. Voor zover het gaat om de procedure tot vaststelling van de vergoeding van immateriële schade faalt deze klacht, aangezien voor die procedure geen griffierecht van belanghebbende is geheven, ook niet in hoger beroep en evenmin in cassatie. Voor zover het gaat om het griffierecht in de hoofdzaak is deze klacht, gelet op hetgeen hiervoor in 3.14.1 is overwogen, gegrond. Aangezien de vergoeding van immateriële schade die het Hof diende toe te kennen betrekking had op het tijdsverloop in de bezwaar- en de beroepsfase tezamen, en de overschrijding van de redelijke termijn in die fase zowel aan het bestuursorgaan als aan de rechter is toe te rekenen, zal de vergoeding van het in hoger beroep in de hoofdzaak betaalde griffierecht naar analogie met hetgeen hiervoor in 3.14.2 is overwogen voor de helft moeten plaatsvinden door de Inspecteur en voor de helft door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie).

Voor zover het gaat om het griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank in de hoofdzaak, verdient opmerking dat de Rechtbank in haar uitspraak in de hoofdzaak vergoeding van het griffierecht heeft gelast. Die uitspraak is door het Hof in de hoofdzaak bevestigd.

4.2.

Bij zijn hiervoor in 2.2.3 weergegeven overwegingen is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat een redelijke termijn voor de Rechtbank om na het arrest BNB 2010/156 opnieuw te beslissen, een jaar en twee maanden bedroeg. Dat uitgangspunt is onjuist. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen dient voor de behandeling van deze zaak in eerste aanleg het tijdsverloop in aanmerking te worden genomen tot het moment waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan nadat het verzet gegrond is verklaard en zij het onderzoek op de voet van artikel 8:55, lid 9, Awb heeft voortgezet. Daarbij behoort de duur van de cassatiefase niet in aanmerking te worden genomen. Indien het Hof een ander uitgangspunt heeft gehanteerd, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat bijzondere omstandigheden in dit geval meer dan twee jaar voor het totale tijdsverloop in eerste aanleg rechtvaardigden, heeft het zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd, aangezien het Hof niets heeft vastgesteld omtrent dergelijke omstandigheden. De klachten slagen in zoverre.

4.3.

Voor zover de klachten betogen dat de bezwaarfase langer heeft geduurd dan waarvan het Hof is uitgegaan, behoeven zij gelet op hetgeen hierna in 4.5.2 wordt overwogen geen behandeling.

4.4.

Voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 en 4.2 is overwogen kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4.5.2.

De berechting van deze zaak in eerste aanleg is aangevangen op 7 oktober 2003, toen de Inspecteur het bezwaarschrift ontving, en is – gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen - geëindigd toen de Rechtbank op 1 juni 2012 uitspraak deed in de hoofdzaak. Van deze periode van in totaal 8 jaar en bijna 8 maanden, moet de duur van de cassatieprocedure tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet (1 jaar en iets meer dan 2 maanden) buiten beschouwing blijven, zodat de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn 7 jaar en afgerond 6 maanden (90 maanden) bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die voor deze fase van de procedure een tijdsverloop van meer dan twee jaar rechtvaardigen. In deze fase is de redelijke termijn daarom overschreden met 5 jaar en afgerond 6 maanden (66 maanden), is 5½ jaar. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 5500. Hetgeen hiervoor in 3.11.1 is overwogen brengt mee dat van het tijdsverloop in eerste aanleg alleen de periode vanaf de uitspraak op bezwaar (16 september 2010) tot de uitspraak van de Rechtbank op 1 juni 2012, derhalve een tijdsverloop van afgerond 20 maanden, kan worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (90 - 20 =) 70 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet bij gebreke van bijzondere omstandigheden een periode van (70 - 6 =) 64 maanden aan de Inspecteur worden toegerekend en een periode van (20 – 18 =) 2 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding voor deze fase van de procedure 64/66 deel van € 5500 te betalen (€ 5333) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 2/66 deel (€ 167).

5 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Verzoek om schadevergoeding

Tussen de ontvangst van het beroepschrift in cassatie door de Hoge Raad op 4 augustus 2014 en de bekendmaking van dit arrest is een periode van meer dan een jaar verstreken. Dat is langer dan de termijn die in een procedure als de onderhavige als regel als redelijk is aan te merken (zie onderdeel 3.4.6 hiervoor). Aangezien de redelijke termijn voor de behandeling in cassatie in dit geval met - naar boven afgerond – een jaar is overschreden, zal de Hoge Raad aan belanghebbende ter zake daarvan een vergoeding van immateriële schade toekennen van € 1000, te betalen door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie).

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank,

wijst de bij de Rechtbank en de Hoge Raad ingediende verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,

veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 5333,

veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de beroepsfase (met inbegrip van de verzetprocedure) toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 167, de aan de onderhavige cassatiefase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1000, en de helft van het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de hoofdzaak voor het Hof ten bedrage van € 115, dus € 57,50, derhalve tezamen € 1224,50, en

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie in de hoofdzaak betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt de helft van het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de hoofdzaak voor het Hof ten bedrage van € 115, dus € 57,50.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice‑president R.J. Koopman, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.