Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
15/02800
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:860, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:1290, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Beroep op opschortingsrecht in verband met een achteraf ongegronde vordering van een derde, gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst. Uitwerking van HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50 (Ammerlaan/Enthoven). Als gevolg van opschorting genoten rentevoordeel; verplichting tot gehele of gedeeltelijke afdracht daarvan?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 83
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119a
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/1129
NJB 2016/2070
AR 2016/3209
JWB 2016/396
RCR 2017/13
NJ 2017/384 met annotatie van Redactie, J. Hijma
JOR 2017/58 met annotatie van mr. J.J. Dammingh
TvPP 2017, afl. 1, p. 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2016

Eerste Kamer

15/02800

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

CREATIVE INDUSTRY AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

de coöperatie HEREDIUM COÖPERATIE U.A. IN LIQUIDATIE,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J. den Hoed.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als CIA en Heredium.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/13/518673/HA ZA 12-683 van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2012 en 11 december 2013;

b. het arrest in de zaak 200.144.458/01 van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft CIA beroep in cassatie ingesteld. Heredium heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing en in het incidentele beroep tot verwerping.

De advocaten van beide partijen hebben ieder bij brief van 9 september 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

De Hoge Raad verwijst voor de in dit geding vaststaande feiten naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.11.

3.2.1

In cassatie kan, verkort weergegeven, van het volgende worden uitgegaan. Het gaat in dit geding om de rechtsgevolgen van de verkoop op 21 december 2007 van de aandelen in de vennootschap Heredium Magnum B.V. (hierna: Heredium Magnum), door Heredium aan CIA, voor een bedrag van in totaal € 22.500.000,--. Meer in het bijzonder gaat het om de rechtsgevolgen van de opschorting gedurende een periode van ruim drie jaren door CIA van haar resterende betalingsverplichting, zulks in verband met de vordering die een derde, de Belastingdienst - naar achteraf is gebleken: ten onrechte - stelde op CIA te hebben in verband met deze (ver)koop (en daaropvolgende levering).

3.2.2

De tussen partijen gesloten koopovereenkomst omvat onder meer de volgende bepalingen:

OVERWEGENDE

(…)

D. dat Koper na de Levering voornemens is het Registergoed te herontwikkelen tot, een hotel, met minimaal 100 kamers, een centrum voor de creatieve industrie en parkeergarage:

(…)

2.3

Betaling

Koper dient de Koopprijs als volgt te betalen:

(a) EUR (Koopprijs minus EUR 2.000.000) (de “1e Betaling”) op de Leveringsdatum;

(b) EUR 500.000 (…) (de “2e Betaling”) uiterlijk op 31 december 2008; en

(c) EUR 1,500.000 (…) (“de “Finale Betaling”) binnen 5 (…) werkdagen nadat en uitsluitend indien, binnen zes jaren na de Leveringsdatum, de bestemming van het Registergoed, conform de door Koper in overeenstemming met het in Overweging D gestelde in te dienen bouwvergunningsaanvraag, onherroepelijk is vastgesteld.

2.4

Indien Koper in overeenstemming met Artikel 10.4 een Vordering heeft ingediend heeft Koper het recht de betaling van de 2e Betaling en de Finale Betaling op te schorten voor een bedrag ter grootte van de Vordering

(…)

10 VRIJWARING DOOR VERKOPER

10.1

Algemeen

Verkoper dient Koper en [Heredium Magnum] (…) te vrijwaren tegen en volledig schadeloos te stellen ter zake van alle schade die wordt geleden als gevolg van of in verband met een inbreuk op een Garantie (een “Inbreuk”) of een niet-nakoming van enige andere verplichtingen van Verkoper uit hoofde van deze Overeenkomst (niet-nakoming of Inbreuk hierna te noemen: een “Tekortkoming”).

10.2

Vaststelling van de schade

Voor de toepassing van dit Artikel 10 wordt onder “Schade” mede begrepen de totale kosten van alle vergoedingen en op herstel gerichte handelingen die vereist zijn om elk der Gevrijwaarde Partijen in de positie te brengen waarin zij zou hebben verkeerd indien de betreffende Tekortkoming zich niet had voorgedaan. (…) De verplichting tot vergoeding van de Schade omvat mede alle Juridische - en andere - kosten die worden gemaakt in verband met het inschakelen van professionele (interne en externe) adviseurs.

(…)

10.4.

Procedure voor vorderingen

Verkoper dient binnen 30 (…) kalenderdagen na ontvangst van een vordering tot vergoeding van Schade (een “Vordering”) ter zake van een Tekortkoming (i) (…) het onbetwiste gedeelte van de Vordering te betalen (…) en (ii) indien Verkoper een deel van de Vordering betwist, Koper daarvan (…) in kennis te stellen (…). Koper en Verkoper dienen binnen 20 (…) kalenderdagen na de datum van de Kennisgeving te trachten hun meningsverschil op te lossen en overeenstemming over het betwiste bedrag te bereiken, bij gebreke waarvan Koper het recht heeft om een procedure in te stellen.

(…)

10.14

Verrekening met 2e Betaling en Finale Betaling

Partijen komen overeen dat vrijwaringsbetalingen (met inbegrip van, doch niet beperkt tot, een betaling door Verkoper uit hoofde van Artikelen 10, 11 en 12 van deze Overeenkomst) verrekend zullen worden met de 2e - en (indien van toepassing de Finale Betaling indien de aansprakelijkheid van Verkoper in het hoogste ressort is vast komen te staan of Verkoper schriftelijk haar aansprakelijkheid hiervoor heeft erkend.

(…)

12.1

Overdrachtsbelasting

Overdrachtsbelasting die in verband met het aangaan van deze Overeenkomst en de tenuitvoerlegging daarvan verschuldigd is of wordt, dient zodra dit verschuldigd is als volgt betaald te worden:

(…)

(b) indien in alle andere gevallen dan genoemd onder (a) overdrachtsbelasting (inclusief boetes en renten) verschuldigd is of wordt, zal Verkoper deze voldoen.

(…)

17. BOETE

Indien één van Partijen in gebreke blijft met de bepalingen van deze Overeenkomst zal deze Partij de andere Partij een éénmalige direct opeisbare boete verschuldigd zijn van:

(a) EUR 500.000 indien één van Partijen in gebreke blijft met de bepalingen van

Art. 2 (Koop en Levering);

(…)

18.2

Overdracht rechten en verplichtingen

Geen van de Partijen heeft het recht om zijn rechten en verplichtingen, op grond van de Overeenkomst geheel of gedeeltelijk over te dragen (…)”.

3.2.3

Tot het vermogen van Heredium Magnum behoorde een gebouw aan de Keizersgracht/Prinsengracht te Amsterdam. CIA en Heredium zijn bij het sluiten van de overeenkomst ervan uitgegaan dat ingevolge deze koopovereenkomst geen overdrachtsbelasting was verschuldigd omdat het gebouw niet door Heredium aan CIA zou worden overgedragen en dus niet van eigenaar veranderde. Niettemin is in art. 12.1 onder (b) van de koopovereenkomst bepaald dat als toch overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn, Heredium deze zou voldoen. De aandelen zijn aan CIA geleverd op 20 februari 2008.

3.2.4

Bij brief van 22 december 2008 heeft (de raadsman van) CIA Heredium op de hoogte gesteld van een aantal tekortkomingen als bedoeld in art. 10 van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, waaronder met name een aangekondigde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van omstreeks € 2.700.000,--. De raadsman van CIA heeft medegedeeld dat zijn cliënt, vanwege deze tekortkomingen, de betaling van de contractueel verschuldigde tweede termijn van de koopsom zou opschorten.

3.2.5

Bij brief van 19 januari 2009 heeft de Belastingdienst Amsterdam aan CIA naheffingsaanslagen aangekondigd van in totaal € 2.790.000,-- exclusief heffingsrente en mogelijke boete. Bij beschikking van 10 februari 2010 heeft de Belastingdienst Amsterdam aan CIA, waarin Heredium Magnum door een fusie was opgegaan, een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. CIA heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag. De rechtbank heeft de beschikking waarbij de naheffingsaanslag was opgelegd, vernietigd en de aanslag op nihil gesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 24 mei 2012, dat op 7 juli 2012 onherroepelijk is geworden, het door de Belastingdienst ingestelde beroep tegen het vonnis van de rechtbank verworpen.

3.2.6

Ingevolge een overeenkomst tussen partijen heeft CIA op 4 oktober 2012 een bedrag van € 1.800.000,-- aan Heredium voldaan als deelbetaling op de 2e Betaling en de Finale Betaling. Daarnaast heeft zij € 250.000,-- in depot gestort tot zekerheid voor de nakoming van eventueel uit de onderhavige procedure voortvloeiende betalingsverplichtingen aan Heredium.

3.3.1

In dit geding heeft Heredium in conventie gevorderd dat CIA zou worden veroordeeld tot betaling van (i) € 2 miljoen, althans € 200.000,--, uit hoofde van de 2e Betaling en de Finale Betaling, en (ii) € 500.000,-- als boete, beide vermeerderd met de wettelijke (handels)rente.

3.3.2

De rechtbank heeft CIA in conventie veroordeeld aan Heredium een bedrag te betalen van € 84.390,51 met de wettelijke handelsrente.

3.3.3

Het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd en CIA veroordeeld aan Heredium diverse (in het dictum van zijn arrest gespecificeerde) betalingen te doen, met de wettelijke handelsrente over die bedragen. Het hof overwoog daartoe, voor zover in cassatie nog van belang:

“3.1 Heredium verzet zich in grief 1 in het principaal hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank voor zover inhoudende dat CIA niet de gevorderde wettelijke rente en contractuele boete is verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat CIA vanaf het tijdstip van de aankondiging van de naheffingsaanslagen - eind 2008 - de nakoming van haar verbintenis tot betaling mocht opschorten en dat deze bevoegdheid tot (vlak voor) haar betaling van € 1.800.000,00 heeft voortgeduurd, zodat zij niet in verzuim is geraakt.

Heredium voert in grief 1, kort samengevat, het volgende aan. Heredium bestrijdt, zo begrijpt het hof, niet langer dat CIA de 2e Betaling en de Finale Betaling op grond van de koopovereenkomst heeft mogen opschorten nadat CIA bij brief van haar raadsman van 22 december 2008 bij Heredium een (tegen)vordering had ingediend. Waar het om gaat is de vraag wat de gevolgen moeten zijn wanneer, zoals in deze zaak, het beroep op opschorting achteraf onterecht blijkt te zijn gedaan. Heredium beantwoordt deze vraag, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, aldus dat de opschorting door CIA op eigen risico is geschied en dat CIA daarom de nadelige gevolgen van de opschorting dient te dragen. Deze nadelige gevolgen zijn dat CIA wanprestatie heeft gepleegd en dat zij de rente dient te vergoeden over de periode dat de betaling vertraagd is. Ook is CIA, aldus Heredium, de boete verschuldigd.

3.2

Het hof overweegt als volgt. In deze zaak doet zich niet voor (het ‘normale’ geval) dat de vordering achteraf niet blijkt te hebben bestaan of een geringere omvang blijkt te hebben dan ten tijde van de opschorting werd verondersteld. De opschorting door CIA vond zijn rechtvaardiging in een op dat moment bestaande fiscale claim. Deze claim was opeisbaar en invorderbaar en vormt een niet meer weg te denken realiteit. Dit zo zijnde kan niet worden gezegd dat CIA, door in die omstandigheden een beroep op opschorting te doen, handelde op eigen risico en, nu achteraf door de belastingrechter is beslist dat de naheffing ondeugdelijk was, door het beroep op opschorting te doen zich schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie. Daarom is geen sprake van verzuim van CIA. In hoeverre CIA als gevolg van dit oordeel op niet te rechtvaardigen wijze in een voordeliger positie wordt gebracht dan wanneer de fiscale claim zich niet zou hebben voorgedaan en in hoeverre dit gevolg aan de hand van de redelijkheid en billijkheid dient te worden bijgesteld, zal hierna, onder 3.6, onder ogen worden gezien.

(…)

3.6

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies.

3.6.1

De gevorderde boete op grond van art. 17 sub a van de koopovereenkomst is niet verschuldigd, aangezien CIA op goede gronden haar betalingsverplichtingen heeft opgeschort. De primaire vordering wordt voor het overige als volgt toegewezen. CIA heeft als gevolg van haar beroep op opschorting vanaf eind 2008 tot 4 oktober 2012 de beschikking gehad over het door haar opgeschorte bedrag van € 2.000.000,00. Heredium heeft onbetwist gesteld dat CIA aldus rente hierover heeft bespaard en zij betrokken is geraakt in het ondernemersrisico van CIA. Gelet hierop brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat CIA een – gelet op de omstandigheden van het geval: redelijke – rente over dit bedrag aan Heredium (vgl. HR 15 april 1994, NJ 1994, 628) vergoedt. Het hof bepaalt het percentage van de door CIA aldus verschuldigde rente op de helft van het percentage van de wettelijke handelsrente.

(…)

3.7.

In grief 2 in het principaal hoger beroep bestrijdt Heredium de toewijzing door de rechtbank van de door CIA in reconventie gevorderde schadevergoeding wegens inbreuk op de belastinggaranties tot een bedrag van € 100.000,00 en wegens strijd met het cessieverbod in art. 18.2 van de koopovereenkomst ad € 15.609,49.

3.8.

Heredium meent dat de belastinggaranties niet inhouden dat gegarandeerd is dat de Belastingdienst geen naheffingsaanslag overdrachtsbelasting zal opleggen, althans dat CIA niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de schending van de garanties.

Het hof oordeelt als volgt. CIA heeft de stelling van Heredium niet bestreden dat door CIA een zogeheten “ruling” (met de belastingdienst) is gevraagd en verkregen op grond waarvan partijen er allebei vanuit gingen en mochten gaan, dat er bij de transactie geen overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn en dat in art. 12.1 sub b van de koopovereenkomst is vastgelegd dat, mocht dat onverhoopt anders komen te liggen, Heredium die belasting zou dragen. De belastingdienst is bij brief van 22 februari 2010 aan CIA (“Aankondiging naheffingsaanslag overdrachtsBelasting”) op de ‘ruling’ teruggekomen. Ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst deed zich dus niet de situatie voor zoals volgens partijen voorzien in art. 10.4 van de garanties. Er was toen immers geen verschil van inzicht omtrent de verschuldigde overdrachtsbelasting met de belastingdienst noch dreigde dat. Ook zijn (uiteindelijk) geen verplichtingen tot betaling van overdrachtsbelasting voor CIA ontstaan, waarop art. 10.3 van de garanties volgens partijen ziet.
CIA heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat (tussen partijen is overeengekomen dat) de belastinggaranties ook een regeling inhouden voor de onderhavige situatie, waarin onvoorzien een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt opgelegd die uiteindelijk door de belastingrechter is vernietigd. Geconstateerd moet worden dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een leemte bevat voor het geval dat CIA aanzienlijke kosten heeft gemaakt om die naheffingsaanslag te laten vernietigen, terwijl indien zij die kosten niet had gemaakt de naheffingsaanslag in stand zou zijn gebleven en Heredium de overdrachtsbelasting zou hebben moeten dragen. Naar het oordeel van het hof vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat deze kosten voor rekening komen van Heredium, omdat zij de materieel belanghebbende was dat de naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente en boete vernietigd zouden worden. (…)”

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

Onderdeel 1 keert zich met diverse klachten tegen rov. 3.2. De onderdelen 1a en 1d voeren aan dat CIA, achteraf bezien, wel degelijk in verzuim verkeerde met voldoening van het nog verschuldigde restant van de koopprijs. De aan CIA opgelegde naheffingsaanslag is immers in rechte met terugwerkende kracht vernietigd. Deze aanslag moet dus rechtens worden geacht nooit te hebben bestaan. Een beroep op een opschortingsrecht geschiedt op eigen risico. Daarom is het gevolg van het feit dat dit beroep achteraf ongegrond blijkt, dat de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim komt. Ten onrechte heeft het hof anders beslist. Onderdeel 1b klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zich hier niet het normale geval voordoet van, kort gezegd, opschorting in een tweepartijenrelatie. Onderdeel 1c voert aan dat het hof ten onrechte zijn oordeel heeft toegelicht met de overweging dat de claim van de belastingdienst een niet meer weg te denken realiteit vormde, en dat de opschorting door CIA haar rechtvaardiging vond in een op dat moment bestaande fiscale claim.

4.2

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50 ( [A/B] ), onder meer – met verwijzing naar art. 6:83, aanhef en onder c, BW - geoordeeld dat een achteraf geheel of ten dele ongegrond gebleken beroep op een opschortingsrecht meebrengt dat degene die dit beroep deed, terstond als schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim kwam te verkeren.

4.3

In het onderhavige geval heeft de koper CIA zich tegenover de verkoper Heredium beroepen op een opschortingsrecht in verband met de vordering die een derde, de Belastingdienst, stelde op haar – CIA - te hebben in verband met de tussen partijen gesloten koop en levering van het aandelenpakket in Heredium Magnum.
In een zodanig geval brengt het enkele feit dat de door de derde ingeroepen vordering achteraf ongegrond is gebleken, in de verhouding tussen partijen niet zonder meer mee dat degene die de voldoening van zijn tegenprestatie in verband met die door een derde gestelde vordering geheel of gedeeltelijk heeft opgeschort, geacht moet worden terstond als schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim te verkeren. Het oordeel dat een partij bij een overeenkomst als schuldenaar in verzuim verkeert, impliceert immers dat zij - toerekenbaar - tekortschiet, dat wil zeggen dat haar handelen (of nalaten) in enig opzicht ten achter bleef bij hetgeen de overeenkomst in de gegeven omstandigheden van haar vergde (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 p. 258). Het antwoord op de vraag wát de overeenkomst in de gegeven omstandigheden van de schuldenaar vergde - en dus ook of hij tegenover zijn contractuele wederpartij tekortschoot door de voldoening van zijn prestatie voorshands geheel of ten dele op te schorten – kan slechts worden gegeven door uitleg van die overeenkomst met inachtneming van alle op dat moment relevante omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren in een geval als het onderhavige met name de vraag voor wiens risico het optreden van de derde komt, mede gelet op de deugdelijkheid van de onderbouwing van de door de derde ingeroepen vordering en eventuele bijzondere contractuele bepalingen.

4.4.1

Het hof heeft in rov. 3.8 (slot) van zijn arrest - onbestreden in cassatie - geoordeeld dat de kosten die CIA heeft gemaakt om de fiscale naheffingsaanslag te laten vernietigen, voor rekening komen van Heredium, omdat zij de materieel belanghebbende erbij was dat de naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente en boete vernietigd zouden worden. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat de oplegging van deze fiscale naheffingsaanslag in de verhouding tussen partijen voor risico kwam van Heredium.

4.4.2

Het hof heeft voorts in rov. 3.2 zakelijk weergegeven geoordeeld dat in dit geval de fiscale naheffingsaanslag - die opeisbaar en invorderbaar was en een niet meer weg te denken realiteit vormde – een voldoende onderbouwde vordering was die de opschorting rechtvaardigde van de verplichtingen van CIA de overeengekomen 2e Betaling en de Finale Betaling aan Heredium te voldoen. De omstandigheid dat achteraf kwam vast te staan dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd, bracht daarin geen wijziging, aldus nog steeds het hof.

4.5

In de formulering van het hiervoor in 4.2 weergegeven arrest [A/B] houdt het hiervoor in 4.4.1 en 4.4.2 zakelijk weergegeven oordeel van het hof in dat het beroep van CIA op een opschortingsrecht niet achteraf geheel of ten dele ongegrond is gebleken, ook al is de beschikking waarbij de naheffingsaanslag is opgelegd, uiteindelijk door de rechter vernietigd.
Dit oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd.
Op zichzelf terecht voeren de onderdelen 1a en 1d aan dat de vernietiging van de naheffingsaanslag terugwerkende kracht had, zodat – achteraf bezien - deze aanslag in de verhouding tussen de Belastingdienst en CIA nimmer de daarmee beoogde rechtsgevolgen heeft gehad. Maar in de verhouding tussen partijen bij de koopovereenkomst - CIA en Heredium - was en bleef deze naheffingsaanslag in de periode dat zij nog niet (onherroepelijk) was vernietigd, mede bepalend voor hetgeen die overeenkomst in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van CIA vergde. Ingevolge art. 12.1, aanhef en onder (b), van de koopovereenkomst was Heredium immers in de verhouding tussen partijen de materieel belanghebbende bij het door CIA tegen de naheffingsaanslag gevoerde verweer omdat de genoemde bepaling meebracht dat Heredium in relatie tot CIA het risico droeg van het slagen of falen van dit verweer. De opschorting was dus – ook achteraf bezien, met inachtneming van de vernietiging van de naheffingsaanslag – in de relatie tussen partijen gerechtvaardigd, zodat CIA door die opschorting niet tegenover Heredium tekortschoot.

4.6

Het vorenstaande betekent dat de hiervoor in 4.1 vermelde klachten van de onderdelen 1a-1d falen.

4.7

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het principale beroep

5.1

Onderdeel 1 van het middel is met diverse klachten gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 3.6.1 van zijn arrest. Onderdeel 1.1 klaagt dat uit het feit dat het hof heeft vastgesteld dat CIA niet in verzuim is, volgt dat zijn oordeel onverenigbaar is met art. 6:119a BW en dat de door het hof vermelde redenen waarom CIA toch de helft van het percentage van de wettelijke handelsrente zou moeten afdragen, onjuist of onbegrijpelijk zijn. Onderdeel 1.2 voegt daaraan toe dat hooguit het bedrag dat CIA daadwerkelijk aan rente over het niet betaalde bedrag heeft genoten, voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dit bedrag is niet (zonder meer) gelijk aan de helft van het percentage van de wettelijke handelsrente.

5.2

Bij de beoordeling van de onderdelen wordt vooropgesteld dat de omstandigheid dat CIA naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden op goede gronden haar verplichting tot betaling van het nog resterende gedeelte van de koopprijs heeft opgeschort, meebrengt dat zij niet in verzuim verkeerde met de nakoming van deze verbintenis (zie hiervoor in 4.3-4.6). De klacht van onderdeel 1.1 dat hieruit volgt dat het oordeel van het hof onverenigbaar is met art. 6:119a BW, berust echter op een onjuiste rechtsopvatting omdat voor de toepasselijkheid van deze bepaling niet is vereist dat de schuldenaar in verzuim verkeert (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.17.2). Bovendien mist deze klacht feitelijke grondslag omdat het hof niet deze bepaling heeft toegepast, maar een op (de aanvullende werking van) de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gebaseerde beslissing heeft gegeven, mede gelet op art. 6:212 BW. Klaarblijkelijk zag het hof daartoe aanleiding op de grond dat weliswaar de opschorting van de resterende betalingsverplichting door CIA in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was, maar dat daaruit niet zonder meer volgt dat het met genoemde maatstaven in overeenstemming is dat CIA ook het daardoor behaalde rentevoordeel in zijn geheel mag behouden.

5.3.1

Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven omdat Heredium niet een op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gebaseerde rentevergoeding heeft gevorderd voor het geval CIA niet in verzuim zou zijn geweest. Zij heeft uitsluitend de wettelijke handelsrente gevorderd over het bedrag dat CIA - naar haar stelling - eerder aan haar had moeten voldoen dan in feite is geschied, aldus het onderdeel.

5.3.2

Laatstgenoemde klacht treft doel. Het hof kon weliswaar tot het oordeel komen dat de toegewezen rentevordering viel binnen de grenzen van de rechtsstrijd (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.29), maar het heeft een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven nu tussen partijen geen debat heeft plaatsgevonden over het rentevoordeel dat CIA in feite heeft gehad als gevolg van de opschorting van het nog verschuldigde restant van de koopprijs.

5.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Heredium in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CIA begroot op € 6.612,02 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Heredium in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CIA begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. de Groot, M.V. Polak, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 4 november 2016.