Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
14/04219
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2679, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 51 Sv. Afschrift aan de raadsman. De stukken van de beklagprocedure, waaronder het klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv, waren niet aanwezig in het dossier dat de Pr ter beschikking stond bij de behandeling van de strafzaak in 1e aanleg. Het oordeel van het hof dat, gelet daarop, het voorschrift vervat in de 2e volzin van art. 51 Sv t.a.v. de inleidende dagvaarding en de oproeping voor de nadere tz. in 1e aanleg niet is geschonden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/343
NJ 2016/212 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2016/97 met annotatie van mr. drs. C.J.A. de Bruijn
SR-Updates.nl 2016-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 februari 2016

Strafkamer

nr. S 14/04219

LBS/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 juli 2014, nummer 22/004036-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Bij brief van 24 juli 2015 heeft de raadsman het tweede middel ingetrokken.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het namens de verdachte gevoerde verweer dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is wegens schending van art. 51 Sv, heeft verworpen, althans dat 's Hofs oordeel onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van 'witwassen' veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden met aftrek van voorarrest en met verbeurdverklaring van een in beslag genomen geldbedrag van € 25.950,-. In eerste aanleg had de Politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld tot diezelfde straffen.

2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De raadsvrouw voert een preliminair verweer, inhoudende dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is en zij verzoekt de zaak terug te wijzen naar de rechtbank te Rotterdam. Zij voert, onder verwijzing naar de appelmemorie, daartoe aan dat mr. R.V. Hagenaars de verdachte als raadsman heeft bijgestaan in de beklagprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Het op 24 maart 2011 door de raadsman ingediende klaagschrift had tevens als stelbrief in de strafzaak moeten worden opgevat. De stukken van de beklagprocedure waren echter ten onrechte niet in het strafdossier gevoegd waardoor de politierechter er niet van op de hoogte was dat in de strafzaak zich een raadsman had gesteld. In de stukken met betrekking tot de beklagprocedure stond al een parketnummer vermeld en minder dan een week later is de onderhavige strafzaak behandeld. Cliënt heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 augustus 2012 geen afstand gedaan van bijstand van zijn raadsman. Ter onderbouwing van het verweer verwijst de raadsvrouw naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997,517, en een uitspraak van dit hof van 11 juni 2013, rolnummer 22-000518-12. De raadsvrouw legt die uitspraken over aan het hof ter voeging in het dossier.

De voorzitter deelt mede dat uit het dossier blijkt dat de rechtbank op 16 augustus 2011 in de beklagzaak een beschikking (raadkamernummer 11/430) heeft gegeven en dat de zaak daarna naar het archief is gegaan.

In de onderhavige strafzaak is de verdachte voor de zitting van 17 februari 2012 gedagvaard en is de zaak na aanhouding op 20 augustus 2012 inhoudelijk op zitting behandeld. De stukken van de beklagprocedure zaten toen niet in het strafdossier. Die stukken zijn pas later, na het instellen van hoger beroep, door de verdediging opgevraagd en in het strafdossier gevoegd.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat in eerste aanleg de raadsman, blijkens het klaagschrift, als raadsman had moeten worden erkend voor de strafzaak.

Het onderzoek in eerste aanleg is daarom nietig en de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.

De politierechter heeft op 20 augustus 2012 bij verstek vonnis gewezen. Niet blijkt dat aan mr Hagenaars een afschrift van de dagvaarding en oproeping is toegezonden of dat hij anderszins op de hoogte was van de zittingsdata. In het dossier bevindt zich geen stelbrief van de raadsman. Mr. Hagenaars had op 24 maart 2011 namens de verdachte (verzoeker) een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering ingediend. Bij beschikking van 16 augustus 2011 heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard.

Het dossier van de beklagprocedure was ten tijde van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg niet bij het strafdossier gevoegd.

Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat in het dossier dat aan de politierechter ten tijde van de behandeling van de strafzaak ter beschikking stond zich geen stuk bevond op grond waarvan de politierechter kon weten of vermoeden dat de verdachte was voorzien van rechtsbijstand.

De opvatting van de verdediging dat voeging van het beklagdossier in het strafdossier ten onrechte achterwege is gelaten, deelt het hof niet.

Het hof is van oordeel dat geen rechtsregel verplicht om de stukken van een - in casu reeds geruime tijd tevoren afgeronde - beklagprocedure in het strafdossier te voegen.

De door de raadsvrouw overgelegde uitspraak van dit hof ziet op een andere situatie, aangezien in die zaak - anders dan in de onderhavige - de stukken van de beklagprocedure wel in het dossier zaten.

Het hof ziet op grond van het vorenstaande geen reden het onderzoek in eerste aanleg nietig te verklaren en de zaak terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg."

2.4.

Art. 51, tweede volzin, Sv bepaalt dat van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht de raadsman onverwijld afschrift ontvangt, behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv. Voorts geldt dat indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, deze raadsman als zodanig behoort te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161).

2.5.

Het middel neemt in navolging van het gevoerde verweer tot uitgangspunt dat in eerste aanleg art. 51 Sv is geschonden op de grond dat is verzuimd een afschrift van de inleidende dagvaarding en van de oproeping voor de nadere terechtzitting in eerste aanleg aan mr. R.V. Hagenaars te zenden.

2.6.

Blijkens de vaststellingen van het Hof waren de stukken van de beklagprocedure, waaronder het door mr. Hagenaars ingediende klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, niet aanwezig in het dossier dat de Politierechter ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet daarop, het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv ten aanzien van de inleidende dagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting in eerste aanleg niet is geschonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.7.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2016.