Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2424

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
16/00370
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:5186, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Als de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is de hogerberoepsrechter gehouden te beoordelen welk boetebedrag in de omstandigheden van het geval passend en geboden is, en kan de boete lager uitvallen ook als de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld. Uitzondering als bedoeld in BNB 2015/78.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:46
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2594 met annotatie van Fiscaal up to Date
USZ 2016/427
JB 2016/232
NLF 2016/0579 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts
V-N 2016/55.4
V-N Vandaag 2016/2299
BNB 2016/238
FED 2017/13

Uitspraak

28 oktober 2016

nr. 16/00370

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 11 december 2015, nrs. 15/00195 tot en met 15/00249, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 13/5416 tot en met AWB13/5470) betreffende aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting zware motorrijtuigen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is transportondernemer. Zij is houder in de zin van artikel 5 van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: de Wet BZM) van tientallen zware motorrijtuigen als bedoeld in artikel 3, aanhef en letter a, van de Wet BZM.

2.1.2.

In de maanden april 2013 en mei 2013 is op verschillende data geconstateerd dat met drie van deze zware motorrijtuigen gebruik werd gemaakt van de autosnelweg zonder dat de verschuldigde belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM) vóór de aanvang van dat gebruik op aangifte was voldaan. Daarop heeft de Inspecteur aan belanghebbende veertig naheffingsaanslagen in de BZM opgelegd van elk € 8. Daarbij heeft de Inspecteur op de voet van artikel 13, lid 1, van de Wet BZM per naheffingsaanslag een boetebeschikking gegeven van € 246.

2.1.3.

De naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen ingediend bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

2.1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikkingen vernietigd, en elk van de boetebeschikkingen verminderd tot een bedrag van € 100.

2.1.5.

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

2.2.

Voor het Hof was uitsluitend in geschil of de boetebeschikkingen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat terecht veertig boetebeschikkingen zijn gegeven. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het belastbare feit voor de Wet BZM het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig is en dat het meermalen gebruikmaken van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig zonder dat de BZM vóór de aanvang van dat gebruik is voldaan, evenzovele malen een verzuim vormt. Van afwezigheid van alle schuld bij belanghebbende is naar ’s Hofs oordeel voorts geen sprake, zodat moet worden geoordeeld dat belanghebbende veertig verzuimen in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet BZM heeft begaan, waardoor belanghebbende in beginsel een boete beloopt van € 160 per verzuim.

2.3.2.

In het kader van de beoordeling van de vraag of de hoogte van de boeten in dit geval passend en geboden is, heeft het Hof aannemelijk geacht:

(i) dat belanghebbende met betrekking tot de drie zware motorrijtuigen waarmee voormelde verzuimen zijn begaan, het oogmerk had om de verschuldigde BZM over een tijdvak van een jaar te betalen vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg met die zware motorrijtuigen,

(ii) dat dit niet is gebeurd vanwege een fout van een bij belanghebbende werkzame werknemer die hiervoor verantwoordelijk was, en

(iii) dat belanghebbende alsnog jaarvignetten heeft aangevraagd zodra haar van deze fout was gebleken.

Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de begane verzuimen steeds, per zwaar motorrijtuig, zijn terug te voeren op één fout. Het Hof heeft daarop de bedragen van de boeten zodanig verder verminderd dat in totaal een bedrag aan boeten resteert van € 160 per zwaar motorrijtuig, en heeft dat bedrag verdeeld over het aantal verzuimen dat per zwaar motorrijtuig is beboet.

2.4.1.

Het tweede middel betoogt onder meer dat de hogerberoepsrechter een boete niet op een lager bedrag mag vaststellen dan de rechter in eerste aanleg heeft gedaan wanneer de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld.

2.4.2.

De partij die niet tijdig hoger beroep instelt en evenmin binnen de daarvoor geldende termijn incidenteel hoger beroep instelt, kan door de uitspraak van de hogerberoepsrechter niet in een gunstiger positie komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank. Dat is slechts anders in het geval waarin de beslissing van de hogerberoepsrechter een kwestie betreft waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen (zie HR 19 december 2014, nr. 13/06296, ECLI:NL:HR:2014:3610, BNB 2015/78, rechtsoverweging 2.3.3).

2.4.3.

In het onderhavige geval doet zich een hiervoor in de slotzin van 2.4.2 bedoelde uitzondering voor. Ingeval de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is het gerechtshof gehouden te beoordelen welk boetebedrag naar de omstandigheden van het geval passend en geboden is. Indien dat bedrag lager is dan het boetebedrag dat uit de uitspraak van de rechtbank voortvloeit, dient het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en de boete op dat lagere bedrag vast te stellen (in dezelfde zin CRvB 11 december 2014, nr. 14-3106 TW, ECLI:NL:CRVB:2014:4214).

2.4.4.

Op grond van hetgeen hiervoor in 2.4.2 en 2.4.3 is overwogen, faalt het tweede middel in zoverre. Het tweede middel voor het overige kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.5.

Het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de hoogte van de veertig boeten betreffende de onderhavige drie zware motorrijtuigen verder heeft verminderd tot in totaal € 160 per zwaar motorrijtuig. Het middel faalt. Het Hof heeft bij zijn oordeel omtrent de vraag welk boetebedrag voor elk van de veertig verzuimen passend en geboden is, terecht acht geslagen op alle feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Het Hof heeft geen rechtsregel geschonden door bij dat oordeel tevens van belang te achten dat de verschillende verzuimen steeds, per zwaar motorrijtuig, zijn terug te voeren op één fout die, zodra deze belanghebbende was gebleken, is hersteld. ’s Hofs oordeel geeft mitsdien geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.