Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2412

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
16/02914
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9335, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Olaf H. 1. Deskundigenonderzoek naar betrouwbaarheid getuige die a.g.v. hersenletsel in een zeer laat stadium verklaringen heeft afgelegd. Rapporten sluiten niet uit dat delen verklaring waarheidsgetrouw kunnen zijn en conclusies deskundigen zijn niet van voldoende gewicht om aanvraag gegrond te verklaren. 2. Niet eerder verstrekte informatie t.a.v. alternatieve dader niet te herleiden tot objectieve en toetsbare informatie waar zij hoofdzakelijk is gebaseerd op niet uit eigen waarnemingen afkomstige gegevens en op veronderstellingen. 3. Herzieningsgrond betrouwbaarheid twee andere getuigen onvoldoende gemotiveerd. 4. Verzoek kennisneming brief dan wel gegevensdragers onvoldoende gemotiveerd. HR wijst de aanvraag tot herziening af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Wetboek van Strafvordering 460
Wetboek van Strafvordering 461
Wetboek van Strafvordering 462
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0403
NBSTRAF 2016/236
RvdW 2016/1111
NJ 2017/206

Uitspraak

25 oktober 2016

Strafkamer

nr. S 16/02914 H

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 juli 2005, nummer 20/001927-04, ingediend door J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 De procesgang

1.1.

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Maastricht - de aanvrager ter zake van 1. "moord", 2. "moord", 3. "poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit, en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren" en 4. "Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

1.2.1.

Ten laste van de aanvrager heeft het Hof onder 1, 2 en 3 bewezenverklaard:

"1.
dat hij op 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg op [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] op 13 juli 2003 is overleden;

2.
dat hij op 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer 2] heeft doodgeschoten;

3.
dat hij op 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet op [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten:

- moord op [slachtoffer 1]

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren."

1.2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen, voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"Algemeen:

(...)

Met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde in het bijzonder:

"1.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 9 december 2004 (pagina's 4 en 5 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal), inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op zaterdagmorgen 12 juli 2003 het parkeerterrein van [A] opgelopen. Ik heb er gekeken naar de prijzen die op een lijst vermeld waren en ik heb een paar auto's bekeken. Op een gegeven moment stond [slachtoffer 1] naast mij en wij hebben toen gesproken over een BMW 740i. (...) Op de prijslijst had ik gezien dat de auto voor 13.500 euro te koop stond. Ik heb met [slachtoffer 1] afgesproken dat ik voor de auto 11.250 euro zou betalen. (...) Ik ben toen naar huis teruggelopen om het geld op te halen. Ik heb thuis 11.400 euro uit de lade van de kast gepakt. (...) Vervolgens ben ik te voet voor de tweede keer op weg gegaan naar [A] . (...) Toen ik daar aankwam (...) zei ik tegen [slachtoffer 1] dat ik de BMW 740i nog even ging bekijken en dat ik dacht dat ik de auto wel zou kopen. Samen met [slachtoffer 1] heb ik toen de auto nogmaals bekeken. (...) Ik heb gezegd dat ik de auto wilde kopen. Wij zijn toen naar het postkantoor gereden in de auto van [slachtoffer 1] , een Honda. [slachtoffer 1] (...) gaf mij de overschrijvingspapieren. Ik ben het postkantoor binnengegaan. (...) Vervolgens zijn wij weer samen teruggereden naar het bedrijf van [slachtoffer 1] . Hij parkeerde de auto bij de oprit van het parkeerterrein en samen zijn wij de straat overgestoken naar de oprit van de woning. [slachtoffer 1] vroeg zijn vrouw om koffie in te schenken en even later kwam zij met koffie het kantoortje binnen. Toen kwam ook het meisje het kantoortje in. (...)

Ik had de autopapieren en de sleutels van [slachtoffer 1] gekregen. De autopapieren had ik in de achterzak van mijn broek gestopt. De autosleutels had ik nog in mijn hand toen ik uit de woning wegvluchtte. (...) Ik heb niets gezegd tegen de getuigen die op het parkeerterrein naar een Opel Frontera stonden te kijken, althans ik kan mij dat niet herinneren. (...) Ik ben in de BMW gestapt en ik ben linksaf het terrein afgereden.

2.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep (schouw) op 8 december 2004 (pagina's 2 tot en met 5 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal), inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 1] en ik zijn op 12 juli 2003 om ongeveer 12.55 uur naar het postkantoor gereden. (...) Wij waren rond 13.10 uur terug. (...) [slachtoffer 1] ging achter zijn bureau zitten. Ik zat op een stoel voor het bureau. (...) Toen [slachtoffer 2] even later de koffie kwam brengen, liep ook [slachtoffer 3] het kantoor binnen. [slachtoffer 1] was op dat moment bezig om een aankoopbon voor de BMW uit te schrijven. [slachtoffer 2] verliet daarop het kantoortje. [slachtoffer 3] bleef bij ons in het kantoortje. Zij zat op een stoel ter hoogte van de archiefkast. (...) Toen [slachtoffer 1] de aankoopbon had uitgeschreven, schoof hij deze naar mij toe. (...) Een kopie van het kentekenbewijs stopte hij bij het mapje met de papieren. (...) Ik stond vervolgens op en stopte de autopapieren in mijn linkerachterzak. (...) De autosleutel van de BMW werd door [slachtoffer 1] bovenop de papieren gelegd. Ik heb deze sleutel opgepakt en (...) verliet het kantoortje. (...) Ik liep via de deur met het vliegengordijn de woning in. (...) Ik liep naar buiten via de ingang met het vliegengordijn. (...) Ik rende naar de BMW. (...) Ik heb de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] gezien op het bedrijfsterrein.

3.

Het proces-verbaal van regiopolitie Limburg-Zuid, district Sittard, Afdeling Jeugd- en Zeden-zaken, nummer studioverhoor 2003102215 (als bijlage A4-G-072 gevoegd bij het hiervoor genoemde vierde aanvullend proces-verbaal), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 december 2004 ondertekend door [verbalisant 1] , brigadier/rechercheur Jeugd- en Zedenzaken in de politieregio Limburg-Zuid, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 21 december 2004 hoorde ik in het bureau van regiopolitie Brabant Zuid-Oost een persoon, die mij opgaf te zijn: [slachtoffer 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994. Van dit verhoor werden audiovisuele opnamen gemaakt in een daartoe bestemde ruimte en de gevolgde procedure is bij afzonderlijk proces-verbaal gerelateerd. Derhalve zal worden volstaan met het weergeven van een uitgebreide samenvatting van het verhoor. Bij het verhoor is in het Limburgs dialect gesproken, aangezien [slachtoffer 3] tevoren hiervoor haar voorkeur had uitgesproken. Ik spreek en versta het Limburgs dialect goed.

Daar waar een V staat, stel ik een vraag of ben ik aan het woord.

Daar waar een A staat, geeft [slachtoffer 3] antwoord of is zij aan het woord.

(pagina's 1-2)

V: Ik weet dat er iets gebeurd is met je opa en oma en ik weet dat jij in het ziekenhuis gelegen hebt. Vertel me daar eens alles over.

A: Ik was toen buiten aan het spelen met [getuige 3] (het hof begrijpt dat bedoeld wordt de getuige [getuige 3] ). Ik liep naast opa en die man naar kantoor toe en toen ging opa het kenteken schrijven en zo en toen vroeg opa aan oma of oma koffie ging zetten en toen kwam oma met de koffie binnen en toen ging oma weg en toen zat ik naast opa op het krukje en toen zag ik die man met de hand in zijn zak gaan.

(Opmerking verbalisant: Terwijl [slachtoffer 3] zegt dat ze zag dat die man met zijn hand in de zak ging, doet ze dit voor. Ik zie dat ze met haar rechterhand in haar rechterbroek-zak gaat).

V: Jij zegt dat je met [getuige 3] ging spelen. Waar ging jij met [getuige 3] spelen?

A: Voor bij ons, bij opa.

(pagina's 3-4)

V: En toen gingen jullie naar kantoor. Waar was [getuige 3] ?

A: Buiten.

V: Toen jij met opa en die man naar kantoor liep, waar was oma?

A: Binnen. Maar toen we op kantoor waren, kwam oma wel een keer binnen.

(pagina 5)

V: Waar zat opa op?

A: Op de bureaustoel.

V: Waar zat opa op de bureaustoel?

A: Achter het bureau.

V: Waar zat die meneer?

A: Die zat voor het bureau.

V: Je zegt dat je toen zag dat die man met zijn hand in zijn zak ging. Wat voor zak was dat?

A: De rechterkant.

V: Was dat de zak van zijn hemd of van zijn broek of van zijn jas of anders?

A: Van zijn broek.

(pagina 6)

V: Toen die man de hand in zijn rechterzak deed, haalde hij iets uit die zak, of bleef de hand in de zak of bewoog hij met de hand in de zak of anders?

A: Hij ging een beetje eruit, toen.

V: Die meneer, hoe zag die er uit?

A: Hij had blond haar en een spijkerbroek aan, een lange.

(pagina 7)

V: Wat voor schoenen had die meneer aan?

A: Mannenschoenen.

V: Wat voor kleur?

A: Zwart.

(pagina's 8-9)

V: Je hebt me verteld dat opa is gaan schrijven op een roze papiertje met iets wits ertussen en wit eronder, wat doordrukt. Als opa uitgeschreven is, wat doet opa dan?

A: Dan scheurt hij dat roze papiertje af, dan vouwt hij het dubbel en dan geeft hij hem dat.

V: Wat deed die meneer met het roze papiertje?

A: Hij pakte het en deed het in zijn achterzak.

V: Hebben ze onder elkaar nog iets gezegd of iets gegeven of zijn ze opgestaan of anders?

A: Ze zijn opgestaan en toen hebben ze elkaar een hand gegeven.

V: Wat zei die man?

A: Bedankt.

V: Wat zei opa?

A: Graag gedaan.

V: En is het dan zo dat hij de auto nog moet kopen of is hij gekocht of moet hij dan nog iets anders opschrijven, of anders?

A: Nee, hij moet alleen nog het geld geven.

V: Wanneer moest die meneer het geld geven?

A: Dat weet ik niet. Voordat die meneer het geld gaf, had hij het al gedaan.

V: Wat had hij gedaan?

A: Toen had hij geschoten.

V: Hoe weet je dat?

A: Dat komt me ineens op.

V: Met wat heeft die meneer geschoten?

A: Met een pistool.

V: Wat was dat voor een pistool?

A: Het was een klein pistool, een soort James Bond pistool. Niet zo'n heel kleintje, maar iets groter.

V: Waar had die meneer het pistool?

A: Hij had het in zijn rechterzak.

V: Hoe weet je dat hij het in zijn rechterzak had?

A: Dat komt ineens in mij op. Ik zag een stukje van het pistool.

V: Waar zag je dat kleine stukje?

A: Daar.

(Opmerking verbalisant: [slachtoffer 3] wijst naar haar rechterbroekzak.)

V: Wat voor kleur had dat?

A: Zwart.

(pagina 10)

V: Je hebt gezegd dat toen je daar zat, je zat naast opa die achter het bureau zat en die meneer zat ervoor en oma heeft koffie gebracht. Toen oma koffie had gebracht, waar ging oma toen naartoe?

A: Terug naar binnen.

V: Waar ging oma zitten?

A: Terug in de woonkamer. Oma zat televisie te kijken.

V: Wie was er nog meer binnen bij oma?

A: Niemand.

V: Toen jij met die man en opa op kantoor zat, heb je toen nog andere mensen gezien op het terrein of andere mensen gezien op kantoor of andere mensen gezien op de stoep bij [getuige 3] of anders?

A: Nee, ik heb alleen [getuige 3] een beetje naar voren zien lopen.

V: Je kon [getuige 3] wat korter bij zien komen lopen, je kon oma binnen zien, in de woonkamer zat ze en heb je verder nog iemand anders gezien?

A: Nee.

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige van regiopolitie Limburg Zuid, district Sittard, Basiseenheid Stein-Beek-Schinnen, Afdeling Recherche, proces-verbaalnummer 2003102215-9 (doorgenummerde dossierpagina's 433-436), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 juli 2003 ondertekend door
[verbalisant 2] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 3] , brigadier van politie, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 12 juli 2003 hoorden wij een persoon, die opgaf te zijn [getuige 3] , geboren op [geboortedatum] 1991, als getuige. Nadat wij de getuige hadden medegedeeld waaromtrent wij hem wensten te horen, verklaarde hij als volgt.

Op 12 juli 2003 was ik samen met [slachtoffer 3] , een meisje dat familie is van [slachtoffer 1] , mijn buurman, op de oprit van [slachtoffer 1] buiten aan het spelen. Ik zag [slachtoffer 1] op een gegeven moment met zijn auto, een Honda, vertrekken. Hij kwam een minuut of twintig later terug. Ik zag dat er een andere man bij [slachtoffer 1] in de auto zat. [slachtoffer 1] was de bestuurder en de andere man zat naast hem. [slachtoffer 1] stopte op de stoep voor het bedrijf. Ik zag toen dat [slachtoffer 1] naar binnen ging, dat wil zeggen naar zijn huis aan de [a-straat 1]. Hij liep naar zijn kantoor. Ik zag dat die man naar [slachtoffer 1] liep en via de deur bij [slachtoffer 1] aan het kantoor naar binnen liep, dat wil zeggen dat hij via een tussendeur, een aluminiumdeur, naar binnen liep.

Even later hoorde ik ineens schoten, knallen.

Direct na die knallen zag ik die man, die eerst samen met [slachtoffer 1] in de Honda was gekomen, naar buiten komen. Hij rende heel hard weg in de richting van het terrein waar de auto's van [slachtoffer 1] stonden. Ik zag dat die man naar een BMW rende. Ik zag dat die man in de BMW stapte, aan de bestuurderskant. Hij startte de motor en reed het terrein af. Hij reed heel hard weg.

De man had hoge zwarte schoenen aan met ijzer aan de zijkant. Hij droeg een blauwe spijkerbroek. Ik meen dat de man blond haar had.

Ik zag dat er twee mensen op het terrein waren, een man en een vrouw. (Het hof begrijpt dat bedoeld worden de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .) Ik zag dat die vrouw naar het kantoor ging. Toen hoorde ik de vrouw schreeuwen en heel hard huilen. Ik hoorde de vrouw tegen de man zeggen dat hij 112 moest bellen.

U vraagt mij waar [slachtoffer 3] was gebleven. [slachtoffer 3] was naar binnen gegaan. Zij was binnen.

5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige van regiopolitie Limburg Zuid, district Sittard, proces-verbaalnummer 2003102215-2 (doorgenummerde dossierpagina's 397-400), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 juli 2003 ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisante:

Op 12 juli 2003 hoorde ik een persoon, die opgaf te zijn [getuige 1] , als getuige. Nadat ik de getuige had medegedeeld waarover ik haar wenste te horen, verklaarde zij als volgt.

Op 12 juli 2003 ben ik samen met [getuige 2] richting Sittard gereden. Wij hadden afgesproken om naar een nieuwe auto te gaan kijken bij het bedrijf [A] te Sittard. Toen wij bij het bedrijf waren aangekomen, parkeerde [getuige 2] onze auto. Ik deed vervolgens het portier open en ik hoorde toen een harde knal. Toen ik uit de auto stapte en naast de auto stond hoorde ik weer een harde knal. Wij zijn toen samen het terrein opgelopen van het bedrijf [A] . Toen wij halverwege het terrein waren hoorde ik vervolgens weer een knal. Plotseling zag ik een man de oprit van de woning van [slachtoffer 1] af komen rennen. Ik zag dat die man in onze richting het terrein van [A] oprende en naar een auto rende. Dit was een BMW. Ik zag dat de man aan de bestuurderskant instapte en met grote snelheid het terrein afscheurde.

6.

Het proces-verbaal van verhoor getuige van regiopolitie Limburg Zuid, district Sittard, proces-verbaalnummer 2003102215-3 (doorgenummerde dossierpagina's 406-409), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 juli 2003 ondertekend door [verbalisant 3] , brigadier van politie, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 12 juli 2003 hoorde ik een persoon, die opgaf te zijn [getuige 2] , als getuige. Nadat ik de getuige had medegedeeld waarover ik hem wenste te horen, verklaarde hij als volgt.

Op 12 juli 2003 uur wilde ik met mijn vriendin [getuige 1] bij [slachtoffer 1 en 2] naar een andere auto kijken. Ik parkeerde mijn auto voorbij de ingang van het terrein van [slachtoffer 1] . Op dat moment hoorden wij knallen. Ik heb toen gekeken naar de plaats vanwaar ik dat geluid had gehoord. Dit geluid kwam van de overzijde van de straat. Ik zag op dat moment een jongen van ongeveer 10 jaar welke aldaar op de oprit aan het spelen was.

Ik zag vanuit de oprit van [slachtoffer 1] een persoon komen aanrennen. Ik zag dat hij een auto pakte. Het was een BMW. Die BMW is toen pittig weggereden.

7.

Het proces-verbaal van bevindingen van regiopolitie Limburg Zuid, district Sittard, proces-verbaalnummer 2003102215-6 (doorgenummerde dossierpagina's 058-062), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 juli 2003 ondertekend door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, [verbalisant 6] , agent van politie, [verbalisant 7] , surveillant van politie, en [verbalisant 8] , vrijwillig hoofdagent van hoofdagent, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 12 juli 2003 omstreeks 13.50 uur bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , ons in een opvallend dienstvoertuig op de hoek Valkstraat/Klaverstraat te Sittard. Wij hoorden van de meldkamer dat er zojuist een schietpartij had plaatsgevonden op de Klaverstraat te Sittard. Wij zagen op dat moment op de oprit van een woning, gelegen op de hoek Klaverstraat/Lupinestraat, personen staan. Wij zagen dat deze personen middels armgebaren onze aandacht probeerden te trekken. Wij parkeerden ons dienstvoertuig op de oprit van de betrokken woning (het hof begrijpt: [a-straat 1] ). Wij zagen een deur welke toegang gaf tot een kantoor. Wij zagen dat in dit kantoor een bureau stond waarachter een mannelijk persoon op de bureaustoel zat. Wij zagen dat deze man voorovergebogen met zijn hoofd op het bureaublad lag en dat rondom het hoofd van deze man een plas bloed en braaksel lag.

Tevens zagen wij dat de man schokkende bewegingen maakte en wij hoorden dat hij bij het ademen een rochelend geluid maakte. Wij zagen rechts naast het bureau een kind op de grond liggen. Wij zagen dat dit kind bloed in het gezicht en de hals had en schokkende bewegingen maakte met het hele lichaam en tevens een rochelend geluid maakte bij het ademhalen.

Door de achterdeur kwamen wij in de woning. In de woonkamer zagen wij een vrouwelijk persoon op de grond liggen. Wij zagen een huls op de grond liggen. Ik, verbalisant [verbalisant 7] , heb met een hand in de hals van de vrouw gevoeld naar tekenen van leven. Ik voelde geen tekenen van leven.

Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , gingen na het ontvangen van een melding naar de Klaverstraat te Sittard. Bij een woning aan de [a-straat 1] stapten wij uit en liepen vervolgens achter verbalisant [verbalisant 7] aan. In een kantoortje zagen wij een bureau met achter dit bureau een mannelijk persoon in een bureaustoel. Wij zagen dat de man voorovergebogen met zijn hoofd op het bureaublad lag en dat rondom het hoofd een plas bloed en braaksel lag. Wij zagen naast het bureau een kind op de grond liggen met bloed in het gezicht en de hals. Rondom het kind lag bloed op de grond. Wij zagen een patroonhuls liggen onder de kast aan de zijwand. Onder één van de stoelen tegen de achterwand lag eveneens een patroonhuls. Op dat moment zagen wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , dat de eerste ambulance ter plaatse was. Het ambulancepersoneel ontfermde zich over het kind en de man.

Het mannelijk slachtoffer werd met een ambulance overgebracht naar het ziekenhuis te Maastricht. Het kind werd met de traumahelikopter eveneens overgebracht naar het ziekenhuis te Maastricht.

Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , hebben de woning betreden. Wij zagen een patroonhuls op de grond liggen. Wij zagen in de woonkamer een vrouwelijk persoon op de grond liggen. Aan mij, [verbalisant 5] , werd door een ambulanceverpleegkundige medegedeeld, nadat deze de vrouw had onderzocht had, dat de vrouw dood was.

(...)

15.

Het proces-verbaal van verhoor getuige van regiopolitie Limburg Zuid, divisie/team grootschalige opsporing, proces-verbaalnummer 2003102215-108 (doorgenummerde dossierpagina's 585-591), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 juli 2003 ondertekend door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 10] , brigadier van politie, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 23 juli 2003 hoorden wij een persoon, die opgaf te zijn [getuige 4] , als getuige. Hij verklaarde als volgt:

Op 11 juli 2003 ben ik met [getuige 5] naar [aanvrager] gereden. In zijn woning pakte [aanvrager] een roodkleurige plastic zak met opdruk van het aanrechtblad. Uit deze plastic zak pakte [aanvrager] een pistool. Dit was zo'n wapen waar de patronen in het handvat gaan. [aanvrager] had het pistool in zijn open hand liggen. [aanvrager] deed het pistool weer in de plastic zak.

16.

Het proces-verbaal van verhoor getuige van regiopolitie Limburg Zuid, divisie/team grootschalige opsporing, proces-verbaalnummer 2003102215-145 (doorgenummerde dossierpagina's 593-594), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 augustus 2003 ondertekend door [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , beiden hoofdagent van politie, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 21 augustus 2003 hoorden wij een persoon, die opgaf te zijn [getuige 4] , als getuige. Hij verklaarde als volgt:

Op 11 juli 2003 zijn [getuige 5] en ik naar de woning van [aanvrager] gereden. [aanvrager] liet mij in zijn woning opeens een pistool zien. Hij pakte dit uit een rode plastic zak die op het aanrecht in de keuken lag. Het wapen was zwart van kleur.

17.

Het proces-verbaal van verhoor getuige van regiopolitie Limburg Zuid, divisie/team grootschalige opsporing, proces-verbaalnummer 2003102215-107 (doorgenummerde dossierpagina's 575-581), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 juli 2003 ondertekend door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 10] , brigadier van politie, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 23 juli 2003 hoorden wij een persoon, die opgaf te zijn [getuige 5] , als getuige. Hij verklaarde als volgt:

Ik heb een wapen gezien bij [aanvrager] thuis. Op vrijdag 11 juli 2003 was ik met [getuige 4] . Wij zijn toen met zijn tweeën naar de woning van [aanvrager] gereden. Ik zag dat [aanvrager] voor de koelkast stond en een klein pistool in zijn hand had. [aanvrager] hield het wapen in zijn gestrekte arm voor zich uit. In zijn andere hand had hij een plastic zak. [aanvrager] heeft het wapen toen weer in de plastic zak gedaan. Het was een klein zwart pistool."

1.2.3. '

s Hofs arrest bevat voorts de volgende "Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3":

"In de kern steunt het oordeel van het hof, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, telkens primair tenlastegelegde heeft begaan, op:

- de verklaringen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] , waaruit volgt dat de verdachte de beschikking had over een vuurwapen;

- de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij op 12 juli 2003 op het kantoor van [slachtoffer 1] alsmede in de woning van [slachtoffer 1 en 2] op het adres [a-straat 1] te Sittard is geweest;

- de verklaring van [slachtoffer 3] bij gelegenheid van het studioverhoor, waaruit volgt dat zij op het kantoor van haar opa, [slachtoffer 1] , in de rechterbroekzak van de verdachte een stukje van een pistool zag en dat de verdachte vervolgens dat pistool te voorschijn heeft gehaald

en

- de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] , waaruit volgt dat tijdens de aanwezigheid van de verdachte op het adres [a-straat 1] te Sittard aldaar is geschoten.

De verklaringen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4]

Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] afgelegde verklaringen overweegt het hof als volgt.

Anders dan de verdediging acht het hof de door de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] afgelegde verklaringen geloofwaardig. Weliswaar kan aan de verdediging worden toegegeven dat de verklaringen van deze getuigen niet volstrekt eensluidend zijn, onder meer omtrent de grootte van het door de verdachte op 11 juli 2003 aan hen getoonde pistool, maar naar het oordeel van het hof verschillen hun verklaringen niet zo wezenlijk van elkaar dat aan die verklaringen geen geloof kan worden gehecht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte het pistool slechts gedurende een kort tijdsbestek aan [getuige 5] en [getuige 4] heeft voorgehouden en dat [getuige 5] en [getuige 4] daarvan zijn geschrokken.

Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat [getuige 5] en [getuige 4] uit rancune vanwege het teloorgaan van de hennepkwekerij, die zij samen met de verdachte in diens woning hadden opgezet, opzettelijk een valse verklaring tegen de verdachte hebben afgelegd, waarvan zij zich de vérstrekkende consequenties, te weten dat de verdachte als de mogelijke dader van de schietpartij zou worden aangemerkt, bewust moeten zijn geweest. In dit verband is van belang dat de hennepkwekerij noch in de verklaringen van de verdachte, noch in de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] naar voren komt als de aanleiding voor het tonen van het pistool. [getuige 5] en [getuige 4] waren op 11 juli 2003 immers met de Porsche van (de moeder van) [getuige 4] bij de verdachte op bezoek om een tafeltje op te halen, toen de verdachte vroeg om een stukje in die auto te mogen rijden. Nadat hem die toestemming was geweigerd, is de verdachte zijn woning ingegaan, gevolgd door [getuige 5] en [getuige 4] , waarna hij hen in de woning plotseling een pistool voorhield. Zowel [getuige 5] als [getuige 4] zagen dit als een grap, al schrokken zij in meer of mindere mate wel van het getoonde vuurwapen. In aanmerking nemend, dat de sfeer tussen de verdachte en [getuige 5] / [getuige 4] na het incident met het pistool toeliet, dat de verdachte op de bestuurdersplaats van de Porsche mocht plaatsnemen, ziet het hof het tonen van het pistool aan [getuige 5] en [getuige 4] tegen de achtergrond van de weigering om in de Porsche te mogen rijden meer als stoerdoenerij dan als een serieuze bedreiging. Dit neemt echter niet weg, dat hiermee is komen vast te staan dat de verdachte op de avond voor de schietpartij een pistool tot zijn beschikking had.

De verklaring van de getuige [slachtoffer 3]

Met betrekking tot de verklaring die door [slachtoffer 3] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 3] ) op 21 december 2004 tijdens het studioverhoor ten overstaan van brigadier [verbalisant 1] heeft afgelegd, overweegt het hof als volgt.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel, dat de verklaring van [slachtoffer 3] wél als bewijsmiddel kan worden gehanteerd. Hierna zal worden aangegeven op welke wijze het hof die verklaring waardeert en waarom het hof de verklaring geloofwaardig en betrouwbaar acht.

Van genoemd studioverhoor zijn opnamen gemaakt die op DVD zijn opgeslagen, van welke opnamen ook de advocaat-generaal en de verdediging kennis hebben genomen. Het hof heeft deze opnamen zorgvuldig bestudeerd en is op grond daarvan tot de onderstaande waardering gekomen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen, dat bij het hanteren van verklaringen van dergelijke jeugdige minderjarigen voor het bewijs in strafzaken behoedzaamheid vereist is. In dit verband merkt het hof op, dat voorzover de verdediging heeft gesteld, dat de getuigenverklaring van een minderjarige van de leeftijd van [slachtoffer 3] slechts als bewijsmiddel kan worden gehanteerd, indien via een nadere test, af te nemen na de getuigenverklaring, een beoordeling heeft plaatsgehad van de beïnvloedbaarheid van de getuige en de eventuele neiging van de getuige om te verklaren overeenkomstig de wensen of verwachtingen van derden, zoals de familie van de getuige, deze stellingname geen steun vindt in het recht.

Het hof heeft zowel acht geslagen op de wijze van verhoren, zoals de inhoud van de door brigadier [verbalisant 1] gestelde vragen, als op de manier waarop [slachtoffer 3] de vragen heeft beantwoord. Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven, dat [verbalisant 1] tijdens het verhoor van 21 december 2004 geen vragen heeft gesteld waarvan op [slachtoffer 3] enige aandrang zou kunnen zijn uitgegaan om anders te verklaren dan overeenkomstig haar eigen herinnering aan de bewuste gebeurtenissen van 12 juli 2003. Het hof heeft met waardering kennis genomen van de wijze waarop [verbalisant 1] , rechercheur Jeugd- en Zedenzaken, dit verhoor in een voor kinderen bestemde ruimte heeft afgenomen. Naar het oordeel van het hof heeft [slachtoffer 3] zich onbevangen kunnen uiten over hetgeen zij zich omtrent die gebeurtenissen herinnerde.

Voorts is er, gelet op de wijze waarop [slachtoffer 3] toen heeft verklaard, geen enkele aanwijzing dat [slachtoffer 3] op dat moment "voorgeprogrammeerd" was of anderszins de neiging had om met een verklaring die niet strookte met haar eigen herinnering te voldoen aan een wens van een derde. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer 3] ten aanzien van enkele aspecten door haar tante Tiny is geïnformeerd - het gaat om vier kwesties die zijn vermeld op de pagina's 6, 8 en 11 van het proces-verbaal van het betreffende verhoor - maakt hetgeen [slachtoffer 3] overigens heeft verklaard niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig. In tegendeel: [slachtoffer 3] geeft in die vier gevallen desgevraagd telkens direct aan de informatie van die tante te hebben gekregen.

Het gegeven dat [slachtoffer 3] heeft verklaard (zie pagina 9 van het proces-verbaal) niet te weten waarop de man in het kantoor heeft geschoten, getuigt er naar het oordeel van het hof veeleer van dat [slachtoffer 3] niet is voorgeprogrammeerd. Aannemelijk lijkt immers dat, indien [slachtoffer 3] wél was voorgeprogrammeerd, door haar zou zijn verklaard dat de man op haar opa had geschoten.

Overigens moet worden vooropgesteld dat [slachtoffer 3] met "de man in het kantoor", gezien de samenhang tussen haar verklaring en de verklaringen van de verdachte, bezwaarlijk een ander dan de verdachte bedoeld kan te hebben, te meer nu [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij behalve [getuige 3] (de getuige [getuige 3] , toevoeging hof) op de oprit of in het kantoor niemand anders heeft gezien (zie het proces-verbaal onderaan pagina 10).

Voorts wijst het hof op de voor de verdachte belastende mededeling van [slachtoffer 3] - waarop het hof hierna nog nader zal ingaan - dat zij een stukje van een pistool in de rechterbroekzak van de man zag. Deze mededeling brengt [slachtoffer 3] voor het eerst in een tamelijk gevorderd stadium van het verhoor te berde. Naar het oordeel van het hof kan redelijkerwijs niet worden aangenomen, dat een ten tijde van het verhoor tienjarig meisje, indien zij zou zijn voorgeprogrammeerd, dit onderdeel van haar verklaring zo lange tijd voor zich zou hebben gehouden.

Ook het gegeven dat [slachtoffer 3] een voorbehoud maakt ten aanzien van het pistool ("het kan natuurlijk ook zijn beurs zijn, die zwart is"), getuigt er naar het oordeel van het hof niet van dat [slachtoffer 3] 's verklaring is geprogrammeerd. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan is aannemelijk dat [slachtoffer 3] gebleven zou zijn bij haar verklaring, dat zij (een stukje van) een pistool zag. Overigens hecht het hof aan de door [slachtoffer 3] geopperde mogelijkheid dat het iets anders geweest kan zijn dan een pistool, bijvoorbeeld een beurs, geen andere betekenis dan dat [slachtoffer 3] daarmee een hypothetische mogelijkheid heeft aangegeven.

Uit het voorgaande volgt, dat het hof niet de visie van prof. dr. H.F.M. Crombag deelt, zoals verwoord in diens rapport (pagina 4) van 31 maart 2005, dat [slachtoffer 3] wist wat van haar verwacht werd, namelijk het identificeren van de persoon die op haar opa had geschoten.

Evenmin volgt het hof prof. Crombag in de door hem op bladzijde 5 van dat rapport geuite scepsis ten aanzien van de authenticiteit van een deel van [slachtoffer 3] 's herinnering. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Buiten de hierboven genoemde kwesties is de verklaring van [slachtoffer 3] naar het oordeel van het hof op (voor de bewijsvoering essentiële) onderdelen zonder twijfel wél authentiek te noemen. In die gevallen verklaart [slachtoffer 3] bijvoorbeeld "dat het ineens in mij opkomt". Bij het bestuderen van de op DVD opgeslagen videobeelden van het studioverhoor, waarvan ook de advocaat-generaal en de raadslieden van de verdachte kennis hebben genomen, heeft het hof de overtuiging bekomen dat [slachtoffer 3] in die gevallen oprecht en spontaan vertelt wat haar plotseling te binnen schiet. Het hof wijst in dit verband bijvoorbeeld op het gegeven dat [slachtoffer 3] zich plotseling herinnert dat zij een stukje van een pistool in de rechterbroekzak van de man zag (vanaf midden pagina 9 van het proces-verbaal van het studioverhoor). Naar het oordeel van het hof is de herinnering van [slachtoffer 3] aan het stukje van een pistool in de broekzak van de man authentiek. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [slachtoffer 3] in het aanvangsstadium van het studioverhoor (zie het proces-verbaal, onderaan pagina 1 en bovenaan pagina 2) op de uitnodiging van de verbalisante om haar alles te vertellen van hetgeen bij haar opa en oma is gebeurd nog verklaart "ik zag die man met zijn hand in zijn zak gaan" en ook later, wanneer de verbalisante op de in het eerste stadium van het verhoor afgelegde verklaring terugkomt (zie het proces-verbaal, onderaan pagina 5) verklaart [slachtoffer 3] niet meer dan "... en toen zag ik die man met zijn hand in de zak gaan". Pas in een nog later stadium van het studioverhoor (zie het proces-verbaal, midden pagina 9) verklaart [slachtoffer 3] voor het eerst dat de man een pistool in de rechterzak had, waarvan zij een stukje gezien heeft. Volgens de verbalisante wijst [slachtoffer 3] daarbij naar haar rechterbroekzak. Bovendien verklaart [slachtoffer 3] (zie het proces-verbaal, midden pagina 9): "Het was een klein pistool, een soort James Bond-pistool, niet zo'n heel kleintje, maar iets groter," waaruit het hof concludeert dat [slachtoffer 3] niet alleen een klein stukje van het pistool in de rechterbroekzak van de man heeft gezien, maar dat zij tevens het gehele pistool moet hebben gezien, want alleen dan is verklaarbaar dat [slachtoffer 3] de hiervoor genoemde details van het pistool kan opnoemen. En dat [slachtoffer 3] het gehele pistool heeft gezien, is alleen verklaarbaar indien de man, verdachte, het pistool uit zijn broekzak te voorschijn heeft gehaald.

Het hof is bekend met het verschijnsel dat bekend staat als de Wet van Ribot en dat inhoudt dat met het verloop van de tijd de omvang van een gat in de herinnering voor gebeurtenissen rond het oplopen van een hersentrauma kleiner wordt, waardoor het slachtoffer van een trauma in de loop van de tijd weer herinneringen terugkrijgt, die eerder verloren leken. Dit verklaart dat [slachtoffer 3] op 8 december 2004 zich plotseling fragmenten van het gebeurde op 12 juli 2003 herinnerde en het verklaart ook dat pas in de loop van het studioverhoor, mogelijk door de herbeleving van het gebeurde op 12 juli 2003, in [slachtoffer 3] ’s herinnering is teruggekomen dat zij een stukje van het pistool in de rechterbroekzak van de verdachte heeft gezien en dat zij zich de details omtrent het model en de grootte van het pistool kan herinneren.

(...)

De overtuiging van het hof

Op grond van onder meer de hiervoor reeds kort aangeduide bewijsmiddelen - een volledig overzicht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zal in de aanvulling op het verkort arrest worden opgenomen - heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, telkens primair tenlastegelegde heeft begaan.

In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vindt ook de verklaring van de verdachte, dat niet hij, maar een hem onbekende man de schutter is geweest, haar weerlegging.

De overtuiging dat de verdachte als de dader van het onder 1, 2 en 3 telkens primair tenlastegelegde moet worden aangemerkt, wordt in het bijzonder nog versterkt door de ongeloofwaardige verklaringen die de verdachte omtrent het gebeurde heeft afgelegd en diens, in het licht van zijn verklaring dat hij slechts getuige was van de schietpartij, onbegrijpelijke gedragingen.

Het hof acht verdachtes verklaring dat hij, nadat de transactie met [slachtoffer 1] op het kantoor was afgewikkeld, desgevraagd van [slachtoffer 1] toestemming had gekregen om in de woning naar het toilet te gaan, ongeloofwaardig in het licht van de door de getuige [getuige 6] ter terechtzitting van het hof van 9 december 2004 afgelegde verklaring, die onder meer inhoudt (pagina 21 van het proces-verbaal terechtzitting):

"Ik weet zeker dat [slachtoffer 1] niemand gebruik zou laten maken van zijn toilet. Het toilet was zijn heiligdom. Zelfs ik mocht er geen gebruik van maken."

Het hof hecht geloof aan de door deze getuige afgelegde verklaring, die naar eigen zeggen bij [slachtoffer 1 en 2] "kind aan huis" was, hetgeen bevestigd wordt door andere getuigen ( [getuige 7] , dossierpagina 533, en [getuige 8] , dossierpagina 529). In aanmerking nemend dat zelfs een huisvriend van [slachtoffer 1 en 2] geen gebruik mocht maken van het toilet, acht het hof niet geloofwaardig dat [slachtoffer 1] aan een relatief onbekende wel toestemming zou hebben gegeven om naar het toilet te gaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verklaring van de verdachte, dat hij in de woning van [slachtoffer 1 en 2] op zoek ging naar het toilet, slechts ten doel te maskeren dat hij in werkelijkheid de woning van [slachtoffer 1 en 2] heeft betreden (waarbij de verdachte mogelijk sporen, zoals vingerafdrukken, zou achterlaten) om in de woning het slachtoffer [slachtoffer 2] het zwijgen op te leggen, teneinde te voorkomen dat zij de verdachte zou kunnen aanwijzen als degene die in het kantoor op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] had geschoten.

Met betrekking tot de naar het oordeel van het hof onbegrijpelijke gedragingen van de verdachte onderscheidt het hof twee afzonderlijke situaties, te weten de situatie tijdens en de situatie na de schietpartij.

Voor wat betreft eerstgenoemde situatie gaat het om de tijdsspanne waarin de verdachte, nadat hij (naar zijn zeggen) de woning van [slachtoffer 1 en 2] had betreden om naar het toilet te gaan, achter zich plotseling twee schoten hoorde. Hieromtrent heeft de verdachte, onder meer bij gelegenheid van de schouw op 8 december 2004, verklaard dat hij op dat moment naar rechts is weggedoken en zich in de keuken van [slachtoffer 1 en 2] voor de schutter verborgen heeft gehouden. Bij die gelegenheid heeft de verdachte voorts de positie ingenomen die hij volgens zijn verklaring ook op 12 juli 2003 zou hebben ingenomen. De voorzitter heeft hetgeen daarbij door het hof is waargenomen in het proces-verbaal doen opnemen met de woorden:

"de verdachte [neemt] gehurkt, met zijn handen gevouwen op zijn hoofd, (aan de kant van de binnenplaats) tegen het eerste keukenkastje aan en met de rug in de richting van de tussenruimte (toevoeging hof: bedoeld wordt de aanbouw van de woning, waar de eettafel van [slachtoffer 1 en 2] is gesitueerd) gekeerd, de positie in die hij volgens zijn verklaring op 12 juli 2003 heeft ingenomen".

Naar het oordeel van het hof is het volstrekt onwaarschijnlijk dat iemand, die achter zich knallen hoort, die hij aanstonds herkent als schoten uit een vuurwapen, zou trachten zich op de door de verdachte getoonde wijze verborgen te houden voor het mogelijk van achteren (te weten vanuit de tussenruimte) komend gevaar. In de positie die de verdachte zegt te hebben ingenomen, was hij voor de schutter een weerloos doelwit en ontbrak het de verdachte aan mogelijkheden adequaat te kunnen handelen, indien het gevaar, waarvoor hij naar eigen zeggen beducht was, zich zou realiseren.

De gedragingen van de verdachte na afloop van de schietpartij - uit de verklaringen van onder meer de verdachte zelf, de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] blijkt dat de verdachte na de schietpartij hardlopend de oprit van de woning van [slachtoffer 1 en 2] af kwam, naar de auto op het parkeerterrein van [A] liep, instapte en hard weg reed - kunnen op het eerste gezicht nog worden geduid als gedragingen van iemand die zojuist getuige is geweest van een schietpartij en daardoor in grote paniek is geraakt. Maar in het licht van de volgende feiten en omstandigheden zijn deze gedragingen redelijkerwijs niet als zodanig te duiden.

Zo heeft de verdachte de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] , die op het tegenover de woning van [slachtoffer 1 en 2] gelegen parkeerterrein van [A] een auto aan het bekijken waren en die de verdachte naar eigen zeggen wel heeft gezien, niet gewaarschuwd dat zich in de woning aan de overzijde een man met een vuurwapen ophield. Evenmin heeft de verdachte de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] gevraagd de politie te waarschuwen en medische hulp in te roepen, terwijl hij toch begrepen moet hebben dat er bij de schietpartij in ieder geval gewonden konden zijn gevallen. Ook zelf heeft de verdachte de hulpdiensten niet gewaarschuwd, zelfs niet toen hij zich in de auto van de plaats van het misdrijf had verwijderd en voor hemzelf het gevaar geweken was. Daarentegen is de verdachte naar zijn woning gereden, maar ook daar heeft hij de hulpdiensten niet verwittigd. Evenmin heeft hij de politie of zijn vriendin en haar broer geïnformeerd omtrent hetgeen waarvan hij kort daarvoor getuige was geweest. Wel heeft de verdachte de bagage van zijn vriendin en haar broer in de auto geladen, waarna zij onmiddellijk naar Roemenië zijn vertrokken.

Naar het oordeel van het hof passen deze gedragingen bij een dader, die tracht aan zichzelf de straffeloosheid te verzekeren, en niet bij een getuige die in paniek verkeert naar aanleiding van hetgeen hem is overkomen. Dit oordeel wordt versterkt door het gedrag van de verdachte gedurende de dagen na de schietpartij. In dit verband noemt het hof:

- het gegeven dat de verdachte zijn beste vriend, [betrokkene 1] , een dag te vroeg opbelt om hem te feliciteren met zijn verjaardag ( [betrokkene 1] is geboren op [geboortedatum] ) en het gegeven dat de verdachte met een betrekkelijk onnozele vraag - in ieder geval afgezet tegen de ernst van hetgeen hem korte tijd daarvoor was overkomen - over het aantal PK's van de auto telefonisch contact opneemt met een vriend/collega, [betrokkene 2] . Naar het oordeel van het hof kan de verdachte met deze telefoongesprekken geen andere bedoeling hebben gehad dan zich op slinkse wijze via [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te laten informeren omtrent de ontwikkelingen in Sittard;
- het gegeven dat de verdachte, wanneer hij in de loop van de middag en avond van 12 juli 2003 wordt opgebeld door [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , en [betrokkene 4] , zich volstrekt van den domme houdt met betrekking tot de schietpartij. Zelfs zegt de verdachte tegen zijn werkgever, [betrokkene 4] (zie telefoontap op dossierpagina's 305 en 306) dat de schietpartij moet hebben plaatsgevonden nadat hij, verdachte, bij [A] was weggegaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zich op deze manier uit te laten slechts ten doel gehad te voorkomen dat hij in verband werd gebracht met de schietpartij;
- het gegeven dat de verdachte, hoewel hij zijn vriendin en haar broer in Wenen heeft achtergelaten met de bedoeling aanstonds naar Nederland terug te keren en zich bij de politie te melden, eerst nog twee dagen in Recklinghausen (Duitsland) bij [betrokkene 5] blijft bivakkeren. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voor deze vertraging geen redelijke uitleg gegeven, hoewel hij begrepen moet hebben - ook als zijn lezing zou worden gevolgd dat hij van de schietpartij slechts getuige was geweest - dat de politie in Nederland hem dringend wilde spreken. Niet uitgesloten moet worden geacht dat de verdachte deze tijd nodig heeft gehad om sporen uit te wissen (zoals het [laten] uitwassen van het T-shirt, dat hij ten tijde van de schietpartij droeg; zie in dit verband de verklaring van [betrokkene 5] op dossierpagina 1548) en om het verhaal te bedenken dat hij vanaf dat moment als de waarheid is gaan presenteren.

(...)

De verklaring van verdachte

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de aannemelijkheid van de verklaring van verdachte, dat niet hij, maar een hem onbekende man de schutter is geweest, wordt ondersteund door:

A) het ontbreken van forensisch bewijs;

B) de aannemelijkheid van een andere persoon als dader;

C) de resultaten van de schouw op 8 december 2004;

D) de psycholoog prof. dr. Bullens.

(...)

Ad B)

In het kader van de stelling dat aannemelijk is dat een ander dan de verdachte de dader is, stelt de verdediging stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de waarnemingen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] niet de mogelijkheid uitsluiten dat een ander dan de verdachte verantwoordelijk is voor de delicten onder 1, 2 en 3 en dat deze derde via de achterzijde de woning heeft verlaten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De eerste rechter heeft de verklaringen van genoemde getuigen gebruikt in het kader van de constructie van het bewijs, dat geen ander dan de verdachte via de voorzijde de woning van [slachtoffer 1 en 2] heeft verlaten. Voor wat betreft de achterzijde van de woning heeft de rechtbank deze mogelijkheid uitgesloten geacht op basis van het door de technisch rechercheur [verbalisant 13] op de tuinpoort ca. uitgevoerde sporenonderzoek, waaruit hem geen sporen van overklimming waren gebleken.

(...)

In het kader van de stelling dat aannemelijk is dat een ander dan de verdachte de dader is, heeft de verdediging voorts nog aangevoerd, dat in het dossier een verklaring ligt van de getuige [getuige 9] (dossierpagina 1759), waaruit volgt dat hij korte tijd na de schietpartij in de brandgang achter de woning van [slachtoffer 1 en 2] een man zag lopen, die zijn rechterhand in de rechterbroekzak hield en daarin mogelijk iets vasthield. De verdediging stelt vervolgens dat het door deze getuige opgegeven signalement van de betreffende man vrijwel naadloos aansluit op het door de verdachte opgegeven signalement van de schutter.

Het hof overweegt hieromtrent:

In de visie van de verdediging wijken de beide signalementen uitsluitend van elkaar af voor wat betreft de gezichtsbeharing. Uit de tabel op dossierpagina 1755 blijkt dat er in ieder geval ook voor wat betreft de (lengte van de) broek een wezenlijk verschil bestaat tussen de opgegeven signalementen. Daar komt nog bij dat de getuige [getuige 9] de man in de brandgang heeft gezien op het moment dat de traumahelicopter reeds was gearriveerd (dit was om circa 14.20 uur; zie dossierpagina 0054), derhalve circa 50 minuten nadat de schietpartij had plaatsgevonden (om 13.34 uur was de schietpartij gemeld bij de Centrale Ambulance Post, zie dossierpagina 007). Het hof acht niet aannemelijk dat de dader zich zou hebben blootgesteld aan het risico van ontdekking door zich gedurende zo lange tijd op of nabij de plaats van het misdrijf op te houden. Op grond van het vorenstaande (...) gaat het hof niet mee in de veronderstelling dat de man in de brandgang mogelijk de schutter zou kunnen zijn.

(...)"

1.3.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0216, NJ 2006/649, het tegen het arrest van het Hof ingestelde cassatieberoep verworpen.

1.4.

Op 26 juni 2013 heeft mr. J.W.H. Peters een verzoek als bedoeld in art. 461, eerste lid, Sv ingediend om nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening. Aangaande dit verzoek heeft de Adviescommissie afgesloten strafzaken op de voet van art. 462, derde lid, Sv geadviseerd tot het doen van nader onderzoek. De Procureur-Generaal heeft dit advies overgenomen en nader onderzoek doen verrichten. In dat kader heeft de Advocaat-Generaal Hofstee een deskundige (gedrags)neurologie doen benoemen (prof. dr. C. Jonker) die ter zake heeft gerapporteerd, heeft hij een aantal getuigen doen horen ( [getuige 10 t/m 13] ) en onderzoek laten doen naar sporen van hulzen. De Procureur-Generaal heeft zich bij monde van de Advocaat-Generaal op het standpunt gesteld dat uit het nader onderzoek geen grond is gebleken voor een herzieningsaanvraag als bedoeld in art. 460, eerste lid, Sv.

2 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Beoordeling van de aanvraag

3.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling (hierna: novum).

3.2.

Het gaat hier om een veroordeling van de aanvrager ter zake van een dubbele moord op het echtpaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en poging tot doodslag op hun kleindochter [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] is hierbij met een vuurwapen door haar hoofd geschoten.

3.3.1.

De herzieningsaanvraag behelst een beroep op gegevens die - naar wordt gesteld - op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen niet bestaanbaar schijnen in dier voege dat het ernstige vermoeden ontstaat dat, waren zij ten tijde van de behandeling van de zaak door het Hof in 2003 bekend geweest, het onderzoek van de zaak ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

De Hoge Raad begrijpt de aanvraag aldus dat daarin naar de kern bezien een beroep wordt gedaan op een drietal herzieningsgronden:

(i) er zijn ernstige twijfels gerezen over de waarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] (de gronden onder de nummers 1, 6 en 10);

(ii) er is een alternatieve dader (de gronden onder de nummers 5, 7, 8, 11 tot en met 15);

(iii) er zijn ernstige twijfels gerezen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] (de gronden onder de nummers 2, 3 en 4).

3.3.2.

Daarnaast bevat de aanvraag verschillende verzoeken om kennis te nemen van bescheiden of gegevensdragers (de gronden onder de nummers 9, 16 en 17).

3.4.1.

Bij de beoordeling van de aangevoerde gronden moet worden vooropgesteld dat voor de beantwoording van de vraag of zij het hiervoor onder 3.1 aangeduide ernstige vermoeden wekken de gehele bewijsvoering van het Hof van belang is. Het gaat er dus om of een aangevoerde grond, gelet op de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de door het Hof gegeven nadere bewijsoverwegingen, een dergelijk vermoeden wekt.

3.4.2.

De Hoge Raad stelt voorts het volgende voorop.

Naar luid van art. 460, tweede lid, Sv dient de aanvraag de gronden te vermelden waarop deze berust. De aanvraag zal dus naar behoren gemotiveerd dienen te zijn. Dat vindt bevestiging in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot het huidige art. 460 Sv heeft geleid (Kamerstukken II, 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 32).

Hieruit - bezien in samenhang met de omstandigheid dat ingevolge art. 460 Sv de indiening van herzieningsaanvragen is voorbehouden aan rechtsgeleerde raadslieden en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad - volgt dat uitsluitend een herzieningsaanvraag welke aan deze motiveringseis voldoet, in behandeling kan worden genomen.

Een aanvraag die daaraan niet beantwoordt, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld en moet daarom buiten behandeling blijven. Dat betekent dat ingeval een op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv steunende aanvraag een beroep doet op een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling,

a. de aanvraag een nauwkeurige omschrijving dient te behelzen van bedoeld gegeven (hierna: het novum), en dat dus niet kan worden volstaan met een verwijzing naar bijgevoegde bescheiden waaruit zo een novum zou moeten blijken;

b. de aanvraag de redenen moet vermelden waarom het novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden;

c. de aanvraag, indien deze ertoe strekt de bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie dient uiteen te zetten

(i) waarom welk onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde bescheiden leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduid gedeelte van de bewijsvoering, en

(ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak destijds zou hebben geleid tot een vrijspraak.

Slechts indien de aanvraag aan deze eisen voldoet, is de Hoge Raad in staat de gegrondheid ervan adequaat te beoordelen (vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:922, NJ 2014/353).

4 Beoordeling van de tweede herzieningsgrond

4.1.

De Hoge Raad vangt aan met de bespreking van de meest verstrekkende herzieningsgrond, te ontlenen aan hetgeen is aangevoerd onder de nummers 5, 7, 8, 11 tot en met 15, te weten dat niet de aanvrager maar een persoon genaamd [betrokkene 6] de dader is.

4.2.

Blijkens de gedingstukken is deze stelling, die in zoverre niet nieuw is, door het Hof verworpen. Uit de overwegingen van het Hof valt af te leiden dat, nu in het huis geen mogelijke dader is aangetroffen, getuigen alleen de aanvrager rennend het huis hebben zien verlaten meteen nadat zij schoten hadden gehoord waarna hij met grote snelheid in een auto wegreed, een eventuele andere dader het huis dus aan de achterzijde moet hebben verlaten, doch dat die mogelijkheid op grond van technisch sporenonderzoek en de onaannemelijkheid dat de dader lang ter plaatse zou zijn blijven wachten, uitgesloten moet worden geacht.

4.3.

De in de aanvraag onder de genoemde nummers vervatte verklaringen en geschriften (brieven en e-mails) bevatten weliswaar niet eerder verstrekte informatie dat de genoemde [betrokkene 6] de eigenlijke dader is, doch dat is niet te herleiden tot objectieve en toetsbare informatie waar zij hoofdzakelijk is gebaseerd op niet uit eigen waarnemingen afkomstige gegevens en op veronderstellingen. Daarbij komt dat de verklaring van [getuige 10] (onder 11) een ontkenning inhoudt van de verklaring van [getuige 12] (onder 7 en 13) omtrent verstrekte informatie over het daderschap van [betrokkene 6] . Mede gelet op de gronden waarop het Hof de aanwezigheid van een andere dader uitgesloten heeft geacht, leveren de thans gepresenteerde verklaringen en geschriften geen gegeven op dat het ernstige vermoeden wekt als hiervoor onder 3.1 vermeld.

5 Beoordeling van de eerste herzieningsgrond

5.1.

In de aanvraag zijn onder 1, 6 en 10 omstandigheden naar voren gebracht die volgens de aanvraag ernstige twijfel oproepen aan de waarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] , wier verklaring tijdens het studioverhoor het Hof als bewijsmiddel heeft gehanteerd. Daarbij gaat het om de verklaring van [slachtoffer 3] dat zij heeft gezien dat de koper van de auto (zijnde de aanvrager) op de plaats delict een pistool in zijn rechterbroekzak had en daarmee heeft geschoten, welke verklaring zij gedurende de behandeling van de zaak in hoger beroep tijdens een studioverhoor bij de politie heeft afgelegd aan de hand van, naar haar zeggen, teruggekeerde herinneringen. Ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg was nog geen verklaring van haar beschikbaar geweest, omdat zij zich als gevolg van ernstig hoofdletsel door het schot in haar hoofd niets meer van de gebeurtenissen op 12 juli 2003 had kunnen herinneren.

5.2.

Ter onderbouwing van de herzieningsgrond zijn bij de aanvraag gevoegd een op verzoek van de aanvrager opgemaakt neuropsychologisch rapport van dr. A.W.C.J. Hendriks en prof. dr. H.H.J. Kolk (onder 1), een uitlating van [slachtoffer 3] in een uitzending van Hart van Nederland van 28 mei 2013 (onder 6) en de hiervoor reeds genoemde pro justitia rapportage van prof. dr. C. Jonker, (gedrags)neuroloog (onder 10).

Het rapport van Hendriks en Kolk houdt als conclusie in:

"Op grond van wat bekend is over de gevolgen van ernstig traumatisch hersenletsel in het algemeen bij kinderen, de hersenbeschadigingen van [slachtoffer 3] binnen het kogeltraject en buiten het kogeltraject, de aanzienlijke kans op bijkomende hersenschade als gevolg van zuurstoftekort, en de invloed van bewustzijnsverlagende en spierontspannende medicatie, toegediend direct na het ontstaan van het hersenletsel, is het zeer waarschijnlijk dat [slachtoffer 3] geen herinneringen heeft aan de echte gebeurtenissen voorafgaand aan de schietpartij."

Steun voor het oordeel dat sprake is van "false memories" ontleent de aanvrager aan voormelde uitlating van [slachtoffer 3] :

"Toen ik in het ziekenhuis lag kwam de recherche ook naar ons toe en hebben ze mij ook gevraagd van ehh wat is er gebeurd???, toen wist ik inderdaad ook nog niks. Maar aan het begin van de maand toen was ik veel bij mijn tante en die hebben een kapsalon en toen, daar praatte ik altijd veel met de klanten en op een gegeven moment heb ik, begon ik gewoon, kwam er in één keer van het ene op het andere moment kwam er steeds meer naar boven terug."

Voormeld rapport van Jonker houdt als conclusie in:

"In aanmerking genomen de omvang van het letsel in de frontaalkwabben, de waarschijnlijkheid dat er secundair schade is opgetreden aan de temporale kwabben dan wel aan de vezelverbindingen tussen frontaalkwab en temporaalkwab, het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de relatie tussen frontaalkwabletsel en retrograde amnesie, en de aanwezigheid van het frontaalsyndroom ten tijde van het audio verhoor, is het onwaarschijnlijk dat de herinneringen aan het schietincident van [slachtoffer 3] , weergegeven in het studioverhoor van 21 december 2004, volledig berusten op een authentieke weergave van de gebeurtenissen."

5.3.1.

Eerder waren nog geen neuropsychologische en (gedrags)neurologische deskundigenrapporten overgelegd, zodat beide rapporten in zoverre een nieuw gegeven vormen. Het gaat er vervolgens om, gelijk hiervoor onder 3.4.1 overwogen, of de resultaten van deze onderzoeken tegen de achtergrond van de gehele bewijsvoering van het Hof het hiervoor onder 3.1 aangeduide ernstige vermoeden wekken. Dit is niet het geval.

5.3.2.

Uit de conclusies van de rapporten blijkt dat de deskundigen slechts een oordeel hebben gegeven over de door hen ingeschatte mate van waarschijnlijkheid dat de verklaring van [slachtoffer 3] - in aanmerking genomen het haar toegebrachte hersenletsel - volledig juist is. Aldus sluiten die conclusies niet uit dat delen van de verklaring van [slachtoffer 3] waarheidsgetrouw kunnen zijn. In dat verband neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof ermee bekend was dat [slachtoffer 3] als gevolg van het schietincident op 12 juli 2003 ernstig hersenletsel had opgelopen en dat zij pas in een zeer laat stadium verklaringen heeft afgelegd over wat zij zich na verloop van tijd is gaan herinneren over dit schietincident, alsmede dat in het dossier van verschillende zijden kritische opvattingen zijn opgetekend over de vraag in hoeverre aannemelijk is dat [slachtoffer 3] na verloop van tijd alsnog authentieke herinneringen zou krijgen aan het gebeurde. Desondanks heeft het Hof gemotiveerd geoordeeld dat het de verklaringen van [slachtoffer 3] als geloofwaardig aanmerkt.

Daarbij komt dat ook voor zover de conclusies van de deskundigen - erop neerkomend dat zij het onwaarschijnlijk achten dat de herinneringen van [slachtoffer 3] volledig berusten op een authentieke weergave van het gebeurde - als een nieuw gegeven kunnen worden aangemerkt, daarvan niet kan worden gezegd dat het van voldoende gewicht is om de aanvraag gegrond te verklaren. Wat er zij van de waarde die het Hof aan de verklaring van [slachtoffer 3] heeft toegekend, ook zonder die verklaring kan uit het beschikbare bewijsmateriaal - waaruit onder meer blijkt van de aanwezigheid van de aanvrager op de plaats van het delict en van verdachte omstandigheden waaronder hij het huis heeft verlaten - redelijkerwijs worden afgeleid dat de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op de diverse gronden waarop het Hof de ontkenning van de aanvrager ongeloofwaardig heeft geacht.

Een en ander leidt tot het oordeel dat de deskundigenrapporten niet een ernstig vermoeden kunnen opleveren in de zin als hiervoor onder 3.1 bedoeld.

6 Beoordeling van de derde herzieningsgrond

6.1.

De onder 2, 3 en 4 gepresenteerde gegevens hebben betrekking op de verklaringen die de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] hebben afgelegd. Deze houden in dat zij de dag voorafgaand aan het schietincident hebben waargenomen dat de verdachte een pistool vasthield. De nadere gegevens zouden steun bieden aan de stelling van de aanvrager dat ernstig getwijfeld moet worden aan de waarheid van de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] .

6.2.

Ter onderbouwing van deze stelling is in de aanvraag (onder 2) verwezen naar een artikel van Fawcett e.a. uit 2013 over het "weapon focus effect" en (onder 3) naar beschouwingen over 'likelihoods' en 'likelihood'-verhoudingen, beschreven in hoofdstuk VI van het boek van prof. T. Derksen, "Verkeerde plaats, verkeerde tijd, de zaak [aanvrager] ". Nog daargelaten dat niet het artikel van Fawcett maar een artikel van Kramer, Buckhout en Eugenio uit 1990 is bijgevoegd, voldoet het aangevoerde niet aan de ingevolge art. 460, tweede lid, Sv geldende eis. Niet wordt met voldoende precisie uiteengezet waarom het gestelde tot herziening moet leiden (zoals hiervoor onder 3.4.2 bedoeld). Hetzelfde geldt voor zover de aanvraag sub 3 voorts nog beschouwingen bevat over mogelijk bestaande rancunes bij [getuige 5] en [getuige 4] jegens de aanvrager. De in dat verband getrokken conclusie "(n)och de verklaringen, noch het gedrag van [getuige 5] en [getuige 4] geven uitsluitsel over hun gevoelens ten opzichte van verzoeker" is onvoldoende stellig en te onbepaald.

6.3.

Het aangevoerde onder 4, dat betrekking heeft op een interview van prof. dr. H.F.M. Crombag met de officier van justitie waaruit zou blijken dat [getuige 5] en [getuige 4] "risicoloos de waarheid konden spreken, maar ze konden ook risicoloos liegen", treft hetzelfde lot nu niet met voldoende precisie is uiteengezet waarom het gestelde tot herziening moet leiden.

7. Beoordeling van het verzoek tot kennisneming van een brief dan wel gegevensdragers

De onder de nummers 9, 16 en 17 geformuleerde gronden ontberen een nauwkeurige omschrijving van het onder 3.1 bedoelde gegeven. Zij voldoen daarmee niet aan hetgeen hiervoor onder 3.4.2 is vooropgesteld. Er wordt immers zonder enige duiding geciteerd uit dan wel verwezen naar bijlagen.

8 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de in de aanvraag aangevoerde gegevens noch afzonderlijk, noch in samenhang beschouwd, een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Dat brengt mee dat de aanvraag kennelijk ongegrond is.

9 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2016.