Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
15/04957
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2202
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:5553
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Is een op geautomatiseerde wijze vaststellen van een gedraging (i.c. het niet hebben van een geldige APK vastgesteld middels registervergelijking) een gedraging vastgesteld door een bevoegd ambtenaar in de zin van art. 3.2 WAHV?

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak vastgesteld dat de administratieve sanctie aan betrokkene is opgelegd door een ambtenaar die met het toezicht op de naleving van het desbetreffende voorschrift is belast.

Tekst noch strekking van art. 3.2 WAHV, zoals daarvan mede blijkt uit de wetsgeschiedenis, beperken de bevoegdheid tot sanctieoplegging van die ambtenaar tot gevallen waarin, alvorens de sanctie wordt opgelegd, is onderzocht of sprake is van, al dan niet door betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden die een nadere beoordeling vergen.

Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar in de zin van art. 3.2 WAHV is opgelegd nu sprake is van een volledig geautomatiseerd proces waarin in alle zaken een sanctie wordt opgelegd en waarbij onvoldoende is uitgesloten dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een nadere beoordeling vergen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. HR vernietigt in het belang der wet de bestreden uitspraak.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 72
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994
Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0092 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NBSTRAF 2016/100 met annotatie van mr. dr. J.W. van der Hulst
JWR 2016/21 met annotatie van J.W. van der Hulst
VR 2016/32
RvdW 2016/342
NJB 2016/457
NJ 2016/404

Uitspraak

16 februari 2016

Strafkamer

nr. S 15/04957 CW

KD/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, nummer WAHV 200.143.322, van 22 juli 2015 in de zaak van:

[betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1950.

1 Procesgang en bestreden uitspraak

1.1.

De vordering van de Advocaat-Generaal houdt omtrent de procesgang het volgende in:

"Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd wegens het voor een motorrijtuig van 3500 kg of minder niet afgegeven zijn van een keuringsbewijs (artikel 72, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994); feitcode K045a). Deze gedraging zou blijkens een registercontrole van de RDW zijn verricht op 18 april 2013. Tegen deze inleidende beschikking is de betrokkene tevergeefs opgekomen bij de officier van justitie. De betrokkene heeft vervolgens tegen de beslissing van de officier van justitie beroep ingesteld bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland. Bij beschikking van 27 januari 2014 heeft deze kantonrechter de inleidende beschikking aldus gewijzigd dat als omschrijving van de gedraging moet worden gelezen "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren" (artikel 72, tweede lid, sub b, WVW 1994; feitcode K045b) en is het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De betrokkene heeft vervolgens tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het Hof."

1.2.

Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de Kantonrechter gegrond verklaard, en de beslissing van de Kantonrechter, de beslissing van de Officier van Justitie, alsmede de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, vernietigd.

2 Het cassatieberoep

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

3 Wettelijk kader en wetsgeschiedenis

3.1.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende wettelijk kader van belang.

- Art. 72 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):

"1. Voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven.

2. Het keuringsbewijs dient:

a. te voldoen aan de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering,

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en

c. behoorlijk leesbaar te zijn.

3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:

a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en

b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig."

- Art. 2, eerste en derde lid, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: WAHV):

"1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, De Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet kunnen op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.

(...)

3. Voor elke gedraging bepaalt de in het eerste lid bedoelde bijlage de aan de Staat te betalen geldsom. Deze geldsom kan per gedraging niet meer zijn dan het bedrag van de geldboete van de eerste categorie."

- Bedoelde Bijlage houdt, voor zover hier van belang, in:

“Feit

Overtreden

artikel

Tarief in euro per feit en per

categorie

Voor een kentekenplichtig motorrijtuig van

3500 kg of minder

1 (…)

8

K 045 a

-is geen keuringsbewijs afgegeven

72 lid 1 WVW 1994

130

130

K 045 b

- heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid

verloren

72 lid 2 sub b W

130

130”

- Art. 3, eerste en tweede lid, WAHV:

"1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt."

- Art. 2 Besluit WAHV:

"1. Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn belast:

a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering;

b. de ambtenaren die een basisopleiding volgen aan een onderwijsinstelling, ressorterend onder het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, uitsluitend gedurende hun praktijkstage bij de politie; en

c. de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 141, aanhef en onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering.

2. Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn mede belast:

a. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten, dan wel tot het opsporen van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten;

b. de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover die ambtenaren bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet worden aangewezen voor de opsporing van de bij of krachtens die wetten strafbaar gestelde feiten, dan wel voor het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, van de wet bedoelde voorschriften."

3.2.

Aan de wetsgeschiedenis kan, voor zover hier van belang, het volgende worden ontleend.

( i) De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WAHV (Stb. 1989, 300), houdt onder meer in:

"Par. 4 Doelstellingen van het wetsvoorstel

Het wetsontwerp beoogt een vereenvoudiging aan te brengen in de wijze van afdoening van enkele veel voorkomende verkeersovertredingen van lichte aard. De uitgangspunten die ons bij deze vereenvoudiging voor ogen staan, zijn de volgende:

I. De nieuwe regeling dient de werklast van de politie, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht in belangrijke mate terug te dringen.

II. De nieuwe wijze van handhaving dient een deugdelijke rechtsbescherming van de betrokkene te waarborgen.

III. De bestaande ineffectiviteit van de tenuitvoerlegging van opgelegde boeten dient te worden weggenomen.

ad I. Verbetering doelmatigheid politieel en justitieel optreden bij de afdoening van lichte verkeersovertredingen

(...)

In het onderhavige wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld de beslissing om de rechter in te schakelen uitdrukkelijk door de betrokkene te laten nemen. Voorts kent het wetsvoorstel de betrokkene de mogelijkheid toe om, indien hij het niet eens is met de gegeven beschikking door de politieambtenaar, bij de officier van justitie in beroep te gaan tegen deze beschikking. Dat voortaan de politie-boete voor de soort zaken waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft, wordt vervangen door een beschikking, hangt samen met het administratiefrechtelijke karakter van het wetsvoorstel.

Dit systeem levert drieërlei voordelen op. In de eerste plaats bespaart deze opzet de politie veel werk, aangezien de huidige wijze van registratie van geconstateerde overtredingen komt te vervallen. Eveneens zal de verhoorprocedure van het huidige strafrechtelijke stelsel vervallen. In plaats daarvan komt een systeem waarbij de politieambtenaar slechts de geconstateerde gedraging (datum, plaats, korte omschrijving van de gedraging volgens de bijlage bij de wet) en de gegevens van degene die of van het voertuig waarmee die gedraging is verricht, moet vastleggen. Voorts dient hij ervoor te zorgen dat deze gegevens onverwijld in het Bekeuringen Afhandeling Systeem (hierna: BAS) worden ingevoerd. Na invoering in dit systeem worden geheel automatisch - dus zonder dat de politie daarbij wordt betrokken - achtereenvolgens de volgende handelingen uitgevoerd:

- het opvragen van de tenaamstelling van het kenteken bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer in Veendam, indien er sprake is van constatering van de gedraging op kenteken;

- het opmaken en verzenden van de beschikking, waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, samen met een acceptgirokaart voor de betaling van het bedrag van de administratieve sanctie;

- het bewaken van de betalingstermijn(en);

- het afboeken van de zaak zodra de betaling van de administratieve boete is ontvangen;

- het zo nodig opmaken en verzenden van een acceptgirokaart voor de betaling van de boete plus de wettelijke verhoging van 25%;

- het zo nodig opmaken en verzenden van een acceptgirokaart voor de betaling van de boete plus de wettelijke verhoging van 50% van het reeds verhoogde bedrag;

- het vervaardigen van een afschrift van de beschikking, waarbij de administratieve boete is opgelegd, en een overzicht van de door het BAS verrichte administratieve handelingen alsmede het verzenden daarvan naar het parket, indien de boete inclusief de verhogingen onbetaald blijven. Momenteel moeten de bovenomschreven administratieve handelingen door de politie worden verricht hetgeen zeer tijdrovend is.

(...)

ad II. De rechtsbescherming van de verkeersovertreder

(...)

In enkele commentaren op de voorstellen van de commissie en ook in enkele ingewonnen adviezen is de suggestie gewekt dat er bij de beoordeling door de kantonrechter van het ingestelde beroep niet sprake zou zijn van een volledige toetsing. Zo zou in het voorontwerp van de commissie de beoordelingsvrijheid van de rechter worden beperkt in verband met de beroepsgronden (zie artikel 9, tweede lid) en zou, naar het voorkomt, de rechter bovendien in een bepaald opzicht slechts tot een marginaal oordeel kunnen komen. Daarentegen zou aan de officier van justitie wel duidelijk een ruime toetsingsbevoegdheid zijn toegekend.

In het onderhavige wetsontwerp, dat op bovenvermeld punt geheel overeenstemt met het voorontwerp van de commissie, is de beoordelingsmarge voor de officier van justitie en de kantonrechter gelijk. Beide instanties hebben de bevoegdheid de beslissing van de politieambtenaar tot oplegging van de administratieve sanctie respectievelijk de beslissing van de officier van justitie volledig te toetsen. De bewoordingen van de ter zake voorgestelde wetteksten laten daaromtrent geen twijfel bestaan. Zo bepaalt artikel 7, eerste lid, tweede volzin, dat de officier van justitie, indien hij bevindt dat de gestelde gedraging niet is verricht of, buiten het geval van artikel 5, degene tot wie de beschikking van de politieambtenaar is gericht, de gestelde gedraging niet heeft verricht, de beschikking vernietigt. In artikel 7, tweede lid, wordt de officier van justitie de bevoegdheid verleend om de kwalificatie van de gedraging te wijzigen, indien die kwalificatie in de beschikking onjuist is geschied. De uitoefening van deze bevoegdheid kan meebrengen dat het bedrag van de administratieve sanctie wordt verlaagd, doch ook verhoogd. Het beroep op de officier van justitie is een administratief beroep, waarbij de hoofdregel is, dat het hoger orgaan, alle ter zake doende feiten en omstandigheden opnieuw overwegende, datgene doet wat het lager orgaan had behoren te doen.

(...)

Artikel 9 bevat ter zake een voorziening. In het tweede lid van dat artikel zijn de gronden opgenomen welke in beroep kunnen worden aangevoerd.

De kantonrechter kan de beslissing van de officier van justitie volledig toetsen.

(...)

Resumerend: de rechter heeft een volledige toetsingsbevoegdheid ten aanzien van de vragen of de gedraging inderdaad is verricht; of het bedrag van de administratieve sanctie in overeenstemming met de wettelijke regeling is bepaald dan wel of zich omstandigheden voordeden welke de officier van justitie hadden moeten doen afzien van het opleggen van een administratieve sanctie en ten slotte of de persoonlijke omstandigheden van dien aard zijn dat betaling van de administratieve sanctie niet geheel kan worden gevergd.

(...)

Uitgangspunt is dat niet alleen die gedragingen worden gespecificeerd die voor administratieve afdoening in aanmerking komen, maar dat tevens per gedraging het bedrag van de sanctie wordt bepaald. Daarbij gaat het uitsluitend om gedragingen van geringe ernst, die eenvoudig te constateren zijn en, gelijk zulks ook bij het besluit politietransactie het geval is, waarover niet snel discussie kan ontstaan tussen de politieambtenaar en de overtreder. Alleen gedragingen, die aan bovenaangeduide criteria voldoen, komen voor een administratiefrechtelijke handhaving in aanmerking."

(Kamerstukken II 1987/88, 20 329, nr. 3, p. 8, 10, 16-17, 22)

(ii) De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 469, tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (vervanging in Mulder-zaken van beroep in cassatie door hoger beroep bij het gerechtshof Leeuwarden), houdt onder meer in:

"De toevoeging in artikel 3, tweede lid, van de woorden 'of op geautomatiseerde wijze' beoogt te waarborgen dat het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van een gedraging die op geautomatiseerde wijze, zoals door registervergelijking of door een trajectsnelheidsmeter wordt geconstateerd onder de Wet Mulder mogelijk is, ondanks het ontbreken van menselijke tussenkomst daarbij.

Het betreft hier in de eerste plaats de zogenoemde trajectcontrole (...).

Daarnaast maakt deze wijziging het mogelijk door middel van de zogenaamde registervergelijking te constateren of tijdig aan de algemene periodieke keuring (APK) is voldaan. Deze vergelijking vindt op geheel geautomatiseerde wijze plaats door de Dienst wegverkeer (RDW). In het kentekenregister wordt namelijk bijgehouden wanneer de APK afloopt. Blijkt dan dat de APK niet tijdig is uitgevoerd, dan wordt dit doorgegeven aan het CJIB, waarna betrokkene een beschikking ontvangt. Ook hiervoor geldt dat de waarneming van de gedraging door het systeem op een lijn gesteld mag worden met de waarneming door een ambtenaar."

(Kamerstukken II 1997/98, 25 927, nr. 3, p. 11)

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd in de zin van art. 3, tweede lid, WAHV, nu sprake is van een volledig geautomatiseerd proces dat weliswaar onder verantwoordelijkheid van een ambtenaar staat, maar waarin in alle met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken een sanctie wordt opgelegd en waarbij onvoldoende is uitgesloten dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een nadere beoordeling vergen.

4.2.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"4. In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld.

5. Het hof heeft in zijn arrest van 20 februari 2014 (WAHV 200.119.209, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2014:1236) ter zake van de op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging 'niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden', waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld, geoordeeld dat op grond van de in die zaak door de advocaat-generaal verstrekte informatie niet kon worden vastgesteld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd. Dit leidde tot vernietiging van de beschikking waarbij de sanctie was opgelegd. Het hof heeft vervolgens in zijn arrest van 5 juni 2014 (WAHV 200.138.964, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:4324) ter zake van eenzelfde gedraging als hiervoor genoemd, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB eveneens de verbalisantcode 404040 is vermeld, op grond van door de advocaat-generaal verstrekte nadere informatie geoordeeld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd. Net als bij registercontroles met betrekking tot de verzekeringsplicht, waarop voornoemde jurisprudentie betrekking heeft, wordt de onderhavige gedraging waar de keuringsplicht aan de orde is eveneens vastgesteld door middel van registervergelijking, zodat in de onderhavige zaak ook de vraag voorligt of de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de WAHV is opgelegd.

6. De advocaat-generaal heeft in deze zaak, in zijn verweerschrift, nadere informatie verschaft over de gehanteerde werkwijze bij het vaststellen van gedragingen en het opleggen van sancties als deze. De advocaat-generaal heeft betoogd dat deze werkwijze toelaatbaar is in het kader van de wettelijke regeling. De advocaat-generaal is van mening dat wel kan worden vastgesteld dat de sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar.

7. Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende bepalingen van belang.

8. Artikel 3, eerste lid, van de WAHV bepaalt dat met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren belast zijn.

9. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren, zo bepaalt het tweede lid van dit artikel, zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

10. In artikel 2, tweede lid, onder a, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 zijn de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten dan wel tot het opsporen van de bij of krachtens de WVW 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten, belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WAHV.

11. Het hof stelt voorop dat de WAHV niet bepaalt dat administratieve sancties alleen kunnen worden opgelegd door ambtenaren die zelf de gedragingen hebben vastgesteld. Administratieve sancties kunnen ook worden opgelegd ter zake van op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen. Wel bepaalt de wet dat sancties enkel mogen worden opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaren.

12. Uit de vanwege de advocaat-generaal verstrekte informatie leidt het hof af dat gedragingen als de onderhavige op volledig geautomatiseerde wijze worden vastgesteld. Dit gebeurt door middel van registercontrole, waarbij verschillende door de RDW beheerde registers met elkaar worden vergeleken. Indien het systeem, na verschillende tussenstappen, constateert dat voor een bepaald voertuig geen sprake is van een geldig keuringsbewijs, wordt, wederom automatisch, een overdrachtsbestand gemaakt waarin zijn opgenomen de gegevens over de gedraging, de kentekenhouder en het sanctiebedrag.

13. Dit bestand wordt vervolgens naar het CJIB gezonden, waarna het CJIB de beschikking verzendt. Het verzenden van het overdrachtsbestand naar het CJIB moet, naar het oordeel van het hof, worden geduid als de beslissing tot oplegging van een sanctie. Immers, door deze handeling komen de gegevens van een (vastgestelde) gedraging, kentekenhouder en sanctiebedrag bij het CJIB terecht dat op zijn beurt de beschikking verzendt.

14. Met betrekking tot deze beslissing heeft [verbalisant], in dienst van de RDW, Voertuiginformatie en -toelating, unitmanager van de unit handhaving te Veendam, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zoals hierboven in overweging 10 bedoeld, opgemerkt dat het geautomatiseerde systeem in zijn opdracht zo is ingericht dat, indien zaken worden opgenomen in het overdrachtsbestand, er een administratieve sanctie moet volgen. Dit betekent dat in het opnemen in het overdrachtsbestand zijn beslissing besloten ligt tot het opleggen van een administratieve sanctie. Het overdrachtsbestand wordt in een zogenaamde batch door het systeem overgedragen aan het CJIB, met de opdracht om in al die zaken de beschikking uit te sturen naar de kentekenhouder.

15. Vastgesteld kan worden dat aangewezen ambtenaar [verbalisant] niet afzonderlijk en individueel beslist dat ter zake van deze, op geautomatiseerde wijze vastgestelde, gedragingen sancties worden opgelegd. De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat artikel 3 van de WAHV daartoe ook niet verplicht. In dit verband heeft de advocaat-generaal gewezen op het arrest van het hof van 5 juni 2014, zoals hierboven in overweging 5 genoemd, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat in het proces dat leidt tot het bestand dat aan het CJIB wordt verzonden een aantal tussenstappen is opgenomen, en dat alleen zaken, waarin niet van bijzondere omstandigheden is gebleken en die geen nadere beoordeling vergen, door de RDW aan het CJIB worden toegezonden. De advocaat-generaal heeft voorts aangevoerd dat, anders dan in APK-I zaken, in APK-II zaken zoals de onderhavige (zie over dit onderscheid verder overweging 21) meer initiatief van de kentekenhouder wordt gevraagd. Zodra de kentekenhouder de juiste bewijzen overlegt, kan de buitengewoon opsporingsambtenaar van de Unit Handhaving van de RDW - afhankelijk van het verstrijken van de termijn na overdracht - een correctieverzoek indienen bij het CJIB dan wel de CVOM.

16. Zoals hiervoor is overwogen, bepaalt artikel 3, tweede lid, van de WAHV dat administratieve sancties worden opgelegd door daartoe aangewezen ambtenaren. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3, tweede lid, van WAHV, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2000, komt niet (duidelijk) naar voren op welke wijze in de ogen van de wetgever de sanctieoplegging plaatsvindt of moet plaatsvinden ingeval van op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen. In de memorie van toelichting (Tweede kamer 1997/1998, 25927, nr. 3, bladzijde 11) wordt hierover slechts opgemerkt dat (nadat de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld) "dit wordt doorgegeven aan het CJIB, waarna betrokkene een beschikking ontvangt."

17. Daarnaast kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3, tweede lid, van de WAHV niet worden afgeleid dat de aangewezen ambtenaar, nadat op geautomatiseerde wijze een gedraging is vastgesteld, afzonderlijk en individueel moet beslissen of een sanctie wordt opgelegd.

18. Het opleggen van een administratieve sanctie op grond van de WAHV is, zo volgt uit artikel 3, tweede en derde lid, van de WAHV, een bevoegdheid en geen verplichting. Dit brengt mee dat, nadat is vastgesteld dat de gedraging is verricht, moet kunnen worden beoordeeld of in een concrete situatie sprake is van, al dan niet door een betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden die meebrengen dat van het opleggen van een sanctie moet worden afgezien. Hierin zou grond kunnen worden gevonden voor de gedachte dat afzonderlijk en individueel moet worden beslist of een sanctie wordt opgelegd.

19. Hierbij past echter wel een relativering. Allereerst is de aangewezen ambtenaar gebonden aan de door de officier van justitie op de voet van artikel 3,
derde lid, van de WAHV gegeven beleidsregels betreffende de uitoefening van zijn bevoegdheid tot sanctieoplegging. Verder maakt de WAHV (in de artikelen 5, 5a en 5b) het mogelijk dat, zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is geweest om zodanige bijzondere omstandigheden naar voren te brengen, sanctieoplegging kan plaatsvinden. Het gaat hier om een niet gering aantal van het totaal van de in het kader van de WAHV opgelegde sancties, waarbij louter op basis van de vaststelling dat de gedraging is verricht en het niet gebleken zijn van bijzondere omstandigheden die zich daartegen verzetten, een sanctie wordt opgelegd. In een zodanig geval heeft de betrokkene eerst in het kader van het administratief beroep tegen de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd de gelegenheid om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen die meebrengen dat het opleggen van de sanctie niet billijk is. Daarnaast kent de WAHV, op de voet van artikel 2, derde lid, voor elke gedraging vastgestelde sanctiebedragen. De aangewezen ambtenaar heeft niet de bevoegdheid om een ander sanctiebedrag te bepalen.

20. Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat ingeval een gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld en geen bijzondere omstandigheden gebleken zijn terwijl evenmin een nadere beoordeling is vereist, de WAHV niet eist dat een aangewezen ambtenaar afzonderlijk en individueel beslist tot sanctieoplegging. In zodanig geval dient de sanctieoplegging echter wel aan een aangewezen ambtenaar te kunnen worden toegerekend.

21. Het hof stelt op basis van de thans door de advocaat-generaal verstrekte informatie met betrekking tot de onderhavige sanctieoplegging het volgende vast. Er zijn voor de keuringsplicht twee registervergelijkingen: één voor de zware voertuigen (APK-I) en één voor de lichte voertuigen (APK-II). Laatstgenoemde registervergelijking is van belang voor de beoordeling in de onderhavige zaak. In het proces dat leidt tot het bestand dat aan het CJIB wordt verzonden, is een aantal tussenstappen opgenomen. Zo worden de voertuigen waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van een geldige APK-registratie opgenomen in een waarnemingentabel. Elke werkdag vindt er uit de waarnemingentabel op basis van default criteria (zoals: de kentekenhouder is een natuurlijk persoon of een rechtspersoon) en parameters (zoals gedoogperiode APK) een selectie plaats, waarbij de geselecteerde zaken in een overtredingentabel worden opgenomen. Deze overtredingen worden dagelijks ingelezen in het handhavingssysteem. In APK-II zaken wordt, anders dan in APK-I zaken, geen brief gestuurd aan de kentekenhouder, waarin deze over de constatering wordt geïnformeerd en waarbij, in verband met mogelijke correspondentie, een wachttermijn wordt toegepast.

Het handhavingssysteem zet elke werkdag, nadat de eventuele wachttijd is verstreken, zaken klaar voor opname in een overdrachtsbestand aan het CJIB. Alvorens zaken in het overdrachtsbestand worden geplaatst voert het systeem een extra controle uit door nogmaals te controleren of op de datum van overtreding het voertuig een geldige APK-keuring had. Indien na die extra controle blijkt dat er nog steeds geen sprake is van een geldige APK-keuring dan komen die zaken in het overdrachtsbestand die aan het CJIB wordt toegezonden.

22. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de bevoegdheid om een administratieve sanctie op te leggen, valt niet met het bepaalde in artikel 3 van de WAHV te verenigen, dat in gevallen als de onderhavige, waarin de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld, op geautomatiseerde wijze een sanctie wordt opgelegd, zonder dat daarbij (enige) ruimte bestaat voor een beoordeling van, al dan niet door een betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat van het opleggen van een sanctie moet worden afgezien. Van belang is dat in alle APK-I zaken (motorrijtuigen van meer dan 3500 kg), waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van een geldige APK-registratie, een brief wordt gestuurd aan de kentekenhouder waarin deze over de constatering wordt geïnformeerd en waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld om aan te tonen dat voor het motorrijtuig wel een geldig keuringsbewijs is afgegeven. Als voornoemde brief leidt tot correspondentie, wordt de zaak in behandeling genomen door een buitengewoon opsporingsambtenaar die vervolgens zelf de zaak afhandelt. Aldus worden alleen (APK-I) zaken, waarin niet van bijzondere omstandigheden gebleken is en die geen nadere beoordeling vergen aan het CJIB toegezonden. Voor APK-II zaken (motorrijtuigen van 3500 kg of minder), waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van een geldige APK-registratie, geldt deze werkwijze echter, om voor het hof onvoldoende duidelijk geworden redenen, niet. Hier is sprake van een volledig geautomatiseerd proces waarin in alle zaken, doordat zij direct worden overgedragen aan het CJIB met de opdracht om in die zaken de beschikking uit te sturen, een sanctie wordt opgelegd. Dit brengt mee dat ook de zaken waar mogelijk sprake is van bijzondere omstandigheden en die een nadere beoordeling vergen, toch een sanctie wordt opgelegd. Het hof acht dit systeem van sanctieoplegging, waarbij onvoldoende is uitgesloten dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een nadere beoordeling vergen, niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de WAHV. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd.

23. Dat een buitengewoon opsporingsambtenaar van de RDW in een later stadium, afhankelijk van het verstrijken van de termijn na overdracht, alsnog een correctieverzoek kan indienen bij het CJIB of de CVOM, acht het hof niet relevant voor deze beoordeling. Immers, gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 13 heeft overwogen, is de sanctie op dat moment reeds opgelegd.

24. Het hof acht in het licht van de geschonden norm geen ruimte aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb, zoals de advocaat-generaal heeft voorgesteld.

25. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij die sanctie is opgelegd, niet in stand kan blijven en dat de overige gronden van het beroep geen bespreking meer behoeven. Het hof zal het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen."

4.3.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder 14 vastgesteld dat de administratieve sanctie aan de betrokkene is opgelegd door een ambtenaar die met het toezicht op de naleving van het desbetreffende voorschrift is belast.

4.4.

Tekst noch strekking van art. 3, tweede lid, WAHV, zoals daarvan mede blijkt uit de hiervoor in 3.2 weergegeven wetsgeschiedenis, in het bijzonder die onder (ii), beperken de bevoegdheid tot sanctieoplegging van die ambtenaar tot gevallen waarin, alvorens de sanctie wordt opgelegd, is onderzocht of sprake is van, al dan niet door de betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden die een nadere beoordeling vergen.

4.5.

Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar in de zin van art. 3, tweede lid, WAHV is opgelegd nu sprake is van een volledig geautomatiseerd proces waarin in alle zaken een sanctie wordt opgelegd en waarbij onvoldoende is uitgesloten dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een nadere beoordeling vergen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

4.6.

Het middel treft derhalve doel.

5 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden uitspraak.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en E.F. Faase, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2016.