Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2370

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/01565
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:997, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Klachtzaak (art. 41a en 41b Wet Bopz). Onvrijwillige behandeling; dwangmedicatie. Kennisgeving aan betrokkene van de duur van de behandeling (art. 38c lid 1, aanhef en onder a, en art. 38c lid 2 Wet Bopz).

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 38c
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 40a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2016-0453
JVGGZ 2017/2
JWB 2016/365
RvdW 2016/1058
NJB 2016/1952
RFR 2017/16

Uitspraak

14 oktober 2016

Eerste Kamer

16/01565

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

de stichting ZUYDERLAND GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG,
gevestigd te Sittard-Geleen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de Stichting.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaken C/03/214599/BZ RK 15-1872 en C/03/214600/BZ RK 15-1873 van de rechtbank Limburg van 23 december 2015.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft in haar verweerschrift bevestigd dat partijen sprongcassatie zijn overeengekomen voor wat betreft de schadevergoeding en heeft zich voor het overige gerefereerd.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Limburg ter verdere afdoening.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 1.1-1.5 vermelde feiten. Samengevat gaat het om het volgende.

( i) Betrokkene verblijft ingevolge een op 17 september 2015 door de rechtbank Limburg verleende voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis van de Stichting.

(ii) In dit ziekenhuis heeft betrokkene op 29 september 2015 een “kennisgeving aan patiënt ingevolge art. 40a Wet Bopz” (hierna ook: de kennisgeving) overhandigd gekregen. Hierin werd haar medegedeeld dat een onvrijwillige behandeling met anti-psychotische medicatie noodzakelijk was wegens dreigend gevaar buiten de instelling; de behandeling zou starten op 5 oktober 2015.

(iii) Op 4 november 2015 heeft betrokkene, bijgestaan door de patiënten-vertrouwenspersoon, bij de klachtencommissie van het ziekenhuis een klacht als bedoeld in art. 41 Wet Bopz ingediend over de beslissing tot dwangbehandeling. Tevens heeft zij op de voet van art. 41 lid 4 Wet Bopz verzocht de toepassing van de dwangbehandeling te schorsen.

(iv) Op 9 november 2015 heeft de klachtencommissie het schorsingsverzoek afgewezen. Zij heeft daarbij ambtshalve opgemerkt dat in de kennisgeving geen einddatum van de dwangbehandeling is vermeld, hetgeen wel had gemoeten. Zij was evenwel van oordeel dat uit de motivering blijkt dat het gaat om het afwenden van extern gevaar en dat voldoende duidelijk is dat de dwangbehandeling maximaal drie maanden kan duren.

( v) Bij de mondelinge behandeling van de klacht door de klachtencommissie op 13 november 2015 heeft de patiënten-vertrouwenspersoon aangevoerd dat in de kennisgeving ten onrechte niet de einddatum van de dwangbehandeling is vermeld.

(vi) Op 16 november 2015 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard. Zij overwoog, kort gezegd, dat uit de kennisgeving duidelijk bleek dat het gaat om toepassing van art. 38c lid 1, onder a, Wet Bopz en dus om een dwangbehandeling van ten hoogste drie maanden.

3.2.1

Betrokkene heeft de rechtbank verzocht de hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde klacht alsnog gegrond te verklaren en de beslissing tot dwangbehandeling te vernietigen. Tevens heeft zij verzocht om een schorsing van de dwangbehandeling en om toekenning van schadevergoeding.

3.2.2

De rechtbank heeft de klacht ongegrond verklaard en de verzoeken afgewezen. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“Met [betrokkene] is de rechtbank van oordeel dat het niet vermelden van de einddatum in de kennisgeving een aan de kennisgeving klevend formeel gebrek is. De aard en strekking van het voorschrift van artikel 38c, lid 2, Wet Bopz brengt evenwel niet mee dat aan de schending daarvan de conclusie moet worden verbonden dat de beslissing van de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater onzorgvuldig tot stand is gekomen en de toepassing van de dwangbehandeling onrechtmatig is (geweest). In dat verband weegt voor de rechtbank mee dat uit de wet volgt dat de termijn voor gedwongen behandeling overeenkomstig artikel 38c, lid 1, aanhef en onderdeel a, gerekend vanaf de dag waarop de beslissing tot stand komt, zo kort mogelijk maar niet langer dan drie maanden is terwijl [betrokkene] vanaf in ieder geval 9 november 2015, de dag waarop de klachtencommissie het schorsingsverzoek van [betrokkene] tegen de dwangmedicatie heeft afgewezen, van de lengte van die termijn op de hoogte was. Niet valt dan ook in te zien dat betrokkene door het aan de kennisgeving klevend gebrek in haar belangen is geschaad.”

3.3.1

Onderdeel I klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene niet in haar belangen is geschaad door het aan de kennisgeving klevende gebrek dat daarin niet de einddatum van de dwangbehandeling is vermeld.

3.3.2

Bij de beoordeling van de klacht wordt het volgende vooropgesteld.

Ingevolge art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz kan dwangbehandeling plaatsvinden voor zover aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Art. 38c lid 2 Wet Bopz bepaalt dat een behandeling overeenkomstig art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz plaatsvindt krachtens een schriftelijke beslissing van de behandelaar waarin wordt vermeld voor welke termijn zij geldt, en dat die termijn zo kort mogelijk is maar niet langer dan drie maanden, gerekend vanaf de dag waarop de beslissing tot stand komt.
De eis van een schriftelijke beslissing waarin de termijn moet worden vermeld waarvoor zij geldt, dient ertoe dat de beslissing tot toepassing van dwangbehandeling voor een bepaalde periode op zorgvuldige wijze wordt genomen, en strekt mede tot bescherming van de patiënt tegen ongerechtvaardigde inbreuk op zijn lichamelijke integriteit (vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5924, NJ 2010/1).

3.3.3

In het in art. 38c lid 2 Wet Bopz opgenomen vereiste dat de termijn van een dwangbehandeling als bedoeld in art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz ‘zo kort mogelijk’ is, ligt besloten dat de arts die de beslissing tot dwangbehandeling neemt, een zorgvuldige afweging maakt, ook ten aanzien van de duur van die behandeling. Art. 38c lid 2 Wet Bopz strekt mede ertoe te voorkomen dat de patiënt in onzekerheid verkeert omtrent de door de behandelaar voorgenomen duur van de dwangbehandeling. De patiënt heeft derhalve belang erbij dat die duur wordt vermeld in de schriftelijke kennisgeving van de voorgenomen behandeling.

3.3.4

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat voor betrokkene vanaf in ieder geval 9 november 2015, de dag waarop de klachtencommissie de hiervoor in 3.1 onder (iv) vermelde beslissing heeft genomen, voldoende duidelijk was dat de dwangbehandeling maximaal drie maanden kon duren. Betrokkene heeft immers vanaf 29 september 2015, de datum van de kennisgeving, in onzekerheid verkeerd omtrent de voorgenomen duur van de dwangbehandeling. Die onzekerheid kon bovendien niet weggenomen worden doordat zij op 9 november 2015 heeft vernomen dat de dwangbehandeling ingevolge de wet niet langer dan drie maanden kan duren; nu de wet bepaalt dat de dwangbehandeling ‘zo kort mogelijk’ moet duren, had zij belang erbij schriftelijk ervan op de hoogte gesteld te worden welke (zo kort mogelijke) duur de behandelaar noodzakelijk achtte. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene door het aan de kennisgeving klevende gebrek niet in haar belangen is geschaad, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel I is gegrond.

3.4

Onderdeel III klaagt over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om schadevergoeding. De gegrondheid van onderdeel I brengt mee dat ook deze klacht slaagt. Na verwijzing zal opnieuw een oordeel moeten worden gegeven over het verzoek om schadevergoeding.

3.5

De in onderdeel II aangevoerde klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 23 december 2015;

wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 14 oktober 2016.