Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2350

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/00593
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:844, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

BOPZ. Klachtzaak, art. 41 Wet Bopz. Drugscontrole. Beperking bewegingsvrijheid in afwachting uitslag urineonderzoek, art. 40 lid 3 Wet Bopz. Verzuim gronden beperking schriftelijk vast te leggen, art. 40a Wet Bopz. Duur beperking, tijdstip bekend worden uitslag.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 40
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 40a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2017/1 met annotatie van T.P. Widdershoven
RvdW 2016/1060
NJB 2016/1951
NJ 2016/452
RFR 2017/15

Uitspraak

14 oktober 2016

Eerste Kamer

16/00593

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

t e g e n

de Staat der Nederlanden
(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen, Forensisch Psychiatrisch Centrum Oostvaarderskliniek),
zetelende te ’s-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.M. van Asperen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/402960/FL RK 15-2512 van de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2015.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 25 augustus 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Betrokkene is opgenomen in het Forensisch Psychiatrisch Centrum ‘Oostvaarderskliniek’ te Almere. Deze instelling is op de voet van art. 1 lid 1 Wet Bopz mede aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.

  • -

    ii) Tijdens een controle met gebruikmaking van een ‘drugshond’ op 28 juni 2015 in de kliniek is de hond bij betrokkene ‘aangeslagen’. De kliniek heeft dit beschouwd als een aanwijzing dat betrokkene drugs voorhanden heeft gehad of heeft gebruikt, in elk geval met drugs in contact is geweest. Bij betrokkene zijn geen drugs aangetroffen. Van hem is urine afgenomen voor onderzoek.

  • -

    iii) Op maandag 29 juni 2015 is aan betrokkene meegedeeld dat zijn ‘kaart’ werd ingetrokken, hetgeen inhoudt dat hij in zijn bewegingsvrijheid in en rond het psychiatrisch ziekenhuis werd beperkt.

  • -

    iv) Betrokkene heeft op 1 juli 2015 een klacht ingediend over de urinecontrole en over de beperking van zijn bewegingsvrijheid.

  • -

    v) Op 2 juli 2015 is aan betrokkene meegedeeld dat het resultaat van het onderzoek van het urinemonster negatief was. De beperking van zijn bewegingsvrijheid is toen beëindigd.

  • -

    vi) In een aanvullend klaagschrift van 3 juli 2015 heeft een advocaat namens betrokkene geklaagd over (de duur van) de beperking van de bewegingsvrijheid en schadeloosstelling verzocht indien de klacht gegrond wordt bevonden.

  • -

    vii) De klachtencommissie als bedoeld in art. 41 Wet Bopz heeft deze klacht (nr. 2015/00168) op 10 augustus 2015 aangehouden voor nader onderzoek. Bij beslissing van 8 oktober 2015 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard. Zij overwoog:

“(…) Nu de hond bij klager aansloeg, was actie van de zijde van de kliniek geboden, mede in het kader van de orde en veiligheid binnen de kliniek. Het beperken van klagers bewegingsvrijheid in het kader van het doen van nader onderzoek, door middel van het afwachten van de UC uitslag, is dan ook niet onredelijk (RSJ 15/0417/TA).”

3.2.1

Betrokkene heeft de rechtbank op de voet van art. 41a Wet Bopz verzocht de ingediende klacht alsnog gegrond te verklaren en hem een schadevergoeding toe te kennen.

3.2.2

De rechtbank heeft de klacht ongegrond verklaard en het verzoek om schadeloosstelling afgewezen. Zij heeft als uitgangspunt genomen dat op grond van art. 40 lid 3 Wet Bopz beperkingen aan het recht op bewegingsvrijheid kunnen worden gesteld. Vervolgens heeft zij overwogen:

“De eerste vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of er sprake is van een grondslag voor het beperken van de bewegingsvrijheid van betrokkene. Die grondslag acht de rechtbank, gelet op de toelichting van de psychiater en de inhoud van de beleidsregels, aanwezig door het tekenen van de drugshond. Uit het aanslaan van de drugshond blijkt immers dat betrokkene in contact is geweest met drugs, dan wel drugs voorhanden heeft gehad of drugs heeft gebruikt. Dat betrokkene heeft ontkend dat hij drugs heeft gebruikt en dat er op diens kamer geen drugs zijn aangetroffen, zegt immers nog niets over diens mogelijke betrokkenheid bij gebruik, vervoer of handel in drugs binnen de instelling.

De discussie spitst zich vervolgens toe op de vraag of de instelling betrokkene niet te lang heeft beperkt. Een uitslag van een UC komt normaal gesproken binnen twee of drie dagen. In dit geval is betrokkene pas op 2 juli 2015 bekend geworden met de negatieve uitslag van de urinecontrole, waarna betrokkene zijn bewegingsvrijheid weer heeft teruggekregen. Ter zitting is niet duidelijk geworden wanneer de instelling de uitslag heeft ontvangen. Ongeacht de vraag wanneer de instelling bekend was met de negatieve UC-uitslag, acht de rechtbank de duur van beperking van de bewegingsvrijheid van vijf dagen (van 29 juni tot en met 2 juli 2015) in dit geval toelaatbaar. De rechtbank is namelijk met de instelling van oordeel dat deze beperking noodzakelijk was gelet op de mogelijke nadelige effecten van drugsgebruik op de gezondheid van betrokkene en/of op de verdenking van betrokkene bij mogelijke verstoring van de orde in de instelling of diens betrokkenheid bij strafbare feiten. De rechtbank acht ook overigens genoemde beperking van de bewegingsvrijheid binnen de kliniek niet onredelijk en niet in strijd met de rechtsbeginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid.”

3.3.1

Onderdeel 1.6 klaagt, in verbinding met onderdeel 1.4, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of betrokkene schriftelijk is geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid berustte en over de daartegen aan te wenden rechtsmiddelen, zoals art. 40a Wet Bopz voorschrijft. Hierdoor is ook art. 5 EVRM geschonden omdat de maatregelen niet zijn opgelegd zoals “prescribed by law”, aldus onderdeel 1.7.

3.3.2

Volgens art. 40a Wet Bopz wordt de patiënt ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waartegen op grond van art. 41 lid 1 een klacht kan worden ingediend, door de zorg van de geneesheer-directeur schriftelijk geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing berust, over de mogelijkheid de patiëntenvertrouwenspersoon in te schakelen en over de mogelijkheid gebruik te maken van de art. 41 tot en met 41b. Vast staat dat betrokkene, in strijd met deze bepaling, niet schriftelijk is geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing tot het beperken van zijn bewegingsvrijheid was gebaseerd. Betrokkene heeft hierover bij de klachtencommissie tevergeefs geklaagd. Hij heeft in zijn verzoekschrift zijn klacht gehandhaafd, onder verwijzing naar zijn klaagschrift. De rechtbank had deze klacht dan ook moeten beoordelen, en had deze gegrond moeten bevinden. Aan de waarborg van het schriftelijkheidsvereiste moet strikt de hand worden gehouden. Dat betrokkene blijkens zijn klaagschrift wist op welke feiten de beslissing tot het beperken van zijn bewegingsvrijheid was gebaseerd, en dat hij gebruik heeft kunnen maken van zijn recht om, voorzien van rechtskundige bijstand, tegen die beslissing op te komen, doet aan de gegrondheid van de klacht daarom niet af. Evenmin doet daaraan af dat de instelling in de klachtprocedure en de psychiater ter zitting bij de rechtbank de gronden van de beslissing hebben toegelicht.

3.4.1

De rechtbank heeft in het midden gelaten wanneer de uitslag van de urinecontrole bij de kliniek bekend was. Zij heeft geoordeeld dat de duur van de beperking van de bewegingsvrijheid van vijf dagen in dit geval toelaatbaar was, omdat deze noodzakelijk was gelet op de mogelijke nadelige effecten van drugsgebruik op de gezondheid van betrokkene en/of op de verdenking van betrokkene bij mogelijke verstoring van de orde in de instelling of diens betrokkenheid bij strafbare feiten. Onderdeel 1.5 betoogt onder meer dat deze overweging onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de stelling van betrokkene dat betrokkene en zijn raadsman hadden vernomen dat de uitslag eerder bekend zou worden.
De beperkingen hebben volgens het onderdeel in ieder geval te lang geduurd.

3.4.2

Deze klacht faalt. Het oordeel van de rechtbank moet aldus worden begrepen, dat zij na onderzoek niet heeft kunnen vaststellen dat de uitslag van de urinecontrole bij de instelling bekend was geruime tijd voordat deze aan betrokkene bekend werd gemaakt, zodat niet gebleken is van een vertraging in de bekendmaking gedurende welke periode de beperkingen niet meer noodzakelijk waren. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat een termijn van vijf dagen voor een onderzoek als dit naar haar oordeel op zichzelf niet te lang is. Deze oordelen zijn niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat bij betrokkene en diens raadsman de indruk is gewekt dat de uitslag eerder bekend zou worden, en dat deze in de regel ook eerder bekend is, maakt dat niet anders. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die aannemelijk maken dat de uitslag in dit geval al eerder bij de instelling bekend was en dat de bekendmaking nodeloos is vertraagd.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2015;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 14 oktober 2016.