Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
15/00047
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2354, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bevrijdende verjaring (art. 3:310 lid 1, 7:23 lid 2 en 7:761 lid 1 BW). Aanvangstijdstip verjaring. Verzuim van hof om aansprakelijkstelling in oordeel te betrekken (art. 24 en 149 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/280
NJB 2016/405
JWB 2016/64
RAV 2016/45
PS-Updates.nl 2016-0020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 februari 2016

Eerste Kamer

15/00047

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.C. van Schaick,

t e g e n

mr. C.J.DE VRIES, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te Zwolle,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de curator.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 176607/HA ZA 10-1371 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2011;

b. de arresten in de zaak 200.096.879/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 januari 2012 en 16 september 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 16 september 2014 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de curator is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 9 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) In augustus 2002 zijn [eiseres] en [A] B.V. (hierna: [A] ) overeengekomen dat [A] een containervloer zou leveren en monteren in de kwekerij van [eiseres] tegen betaling van een bedrag van € 30.600,--. Onderdeel van de overeenkomst was dat [A] een teeltvloer met bevloeiingsmatten van het merk ‘Aquafil’ (verder: Aquafilmatten) zou leveren en monteren.

  • -

    ii) [A] betrok de Aquafilmatten van [B] B.V. (hierna: [B] ), die deze op haar beurt geleverd kreeg door TGU GmbH (hierna: TGU).

  • -

    iii) In augustus en september 2002 heeft [A] de Aquafilmatten geleverd en geplaatst. Vervolgens constateerde [eiseres] problemen met de bewatering van de door haar geteelde planten. In februari/maart 2003 kwam [eiseres] tot de conclusie dat de oorzaak van de slechte bewatering was gelegen in de Aquafilmatten.

  • -

    iv) Naar aanleiding van de door [eiseres] geconstateerde problemen hebben tussen haar en [A] in maart en april 2003 besprekingen plaatsgevonden.

  • -

    v) [A] is bij brief van 19 mei 2003 aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiseres] ten gevolge van de volgens [eiseres] gebrekkige Aquafilmatten.

  • -

    vi) In de periode van mei 2003 tot april 2008 hebben [eiseres] en [A] regelmatig contact gehad over het geschil met betrekking tot de Aquafilmatten.

  • -

    vii) Op 3 april 2008 heeft mr. Gelpke namens [eiseres] een brief aan [A] gestuurd, welke brief [A] heeft ontvangen.

  • -

    viii) [A] is op 18 november 2014 – nadat het in cassatie bestreden arrest was gewezen – in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.

3.2.1

[eiseres] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat [A] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en dat zij mitsdien aansprakelijk is voor de kosten van vervanging van de Aquafilmatten, alsmede [A] te veroordelen tot betaling van € 135.270,96 wegens gevolgschade.

[A] heeft zich onder meer beroepen op verjaring als bedoeld in art. 7:23 lid 2 BW dan wel art. 7:761 lid 1 BW.

3.2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] afgewezen op de grond dat deze ingevolge art. 7:23 lid 2 BW zijn verjaard.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen.

[eiseres] heeft aangevoerd dat niet de verjaringstermijn van twee jaar (art. 7:23 lid 2 BW dan wel art. 7:761 lid 1 BW) maar die van vijf jaar (art. 3:310 lid 1 BW) van toepassing is en dat laatstgenoemde verjaringstermijn door de brief van 3 april 2008 van mr. Gelpke tijdig is gestuit (rov. 4.3). Tussen partijen is niet in geschil dat laatstgenoemde brief inhoudelijk voldoende is om een op dat moment lopende verjaringstermijn te stuiten (rov. 4.4).

In het midden kan blijven welke verjaringstermijn (art. 3:310 lid 1 BW dan wel art. 7:23 lid 2 BW) van toepassing is, omdat in beide gevallen de verjaringstermijn zou zijn voltooid (rov. 4.6).

Indien wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 3:310 lid 1 BW, geldt dat de verjaringstermijn in ieder geval is aangevangen op 21 maart 2003 – de dag volgend op die waarop [eiseres] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon ( [A] ) bekend is geworden – en, behoudens eerdere stuiting, is voltooid op 21 maart 2008. Het beroep van [eiseres] op de brief van 3 april 2008 mist derhalve doel. (rov. 4.7-4.8)

Indien wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 7:23 lid 2 BW is de rechtsvordering van [eiseres] ook verjaard, omdat de verjaringstermijn een aanvang nam in maart 2003 – toen werd geklaagd over het gebrek aan de matten – en, behoudens eerdere stuiting, is voltooid in maart 2005 (rov. 4.9).

De stelling van [eiseres] dat de verjaring van de rechtsvordering is gestuit doordat [A] de vordering heeft erkend, wordt verworpen. Dat [A] met [eiseres] in gesprek is gegaan over de problemen die [eiseres] heeft ondervonden met de Aquafilmatten, zegt op zichzelf nog niets over een erkenning van de aansprakelijkheid door [A] . Hetzelfde geldt voor het bij die discussie betrekken van [B] en TGU en het aansprakelijk stellen van derden door [A] . (rov. 4.10)

[eiseres] stelt zich kennelijk op het standpunt dat [A] haar bevoegdheid om zich op verjaring te beroepen heeft verwerkt. Van een gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiseres] dat [A] zich niet op verjaring zou beroepen is echter geen sprake, terwijl van een onredelijk nadeel of verzwaring bij [eiseres] door het alsnog gedane beroep op verjaring niet is gebleken. (rov. 4.11-4.14)

3.3.1

Onderdeel 1 klaagt (onder 8 en 13-15) onder meer dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de art. 24 en 149 Rv door in zijn oordeelsvorming niet, althans niet kenbaar het vaststaande feit te betrekken – welk feit het hof in rov. 2.8 heeft vermeld – dat [eiseres] bij brief van 19 mei 2003 [A] aansprakelijk heeft gesteld voor haar schade.

3.3.2

Vast staat dat [A] bij brief van 19 mei 2003 aansprakelijk is gesteld voor de schade van [eiseres] ten gevolge van de volgens [eiseres] gebrekkige Aquafilmatten (zie hiervoor in 3.1 onder (v)). Blijkens de passages in de processtukken in de feitelijke instanties waarnaar het onderdeel verwijst, zijn beide partijen ervan uitgegaan dat tussen hen in geschil is of een als gevolg van die aansprakelijkstelling op 19 mei 2003 aangevangen verjaring tijdig is gestuit door de brief van 3 april 2008 van mr. Gelpke. Daarbij heeft [A] het standpunt ingenomen dat in het onderhavige geval een verjaringstermijn van twee jaar (ingevolge art. 7:23 lid 2 BW dan wel art. 7:761 lid 1 BW) van toepassing is, waardoor de verjaring voor 3 april 2008 was voltooid. [eiseres] heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval een verjaringstermijn van vijf jaar (ingevolge art. 3:310 lid 1 BW) van toepassing is, waardoor de verjaring op 3 april 2008 nog niet was voltooid.

Het hof had derhalve de brief van 19 mei 2003 en het eensluidende uitgangspunt van partijen omtrent het tussen hen bestaande geschilpunt in zijn oordeelsvorming moeten betrekken, zodat de klacht slaagt.

3.4

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 september 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.562,24 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 februari 2016.