Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2339

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
15/04807
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:6852, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.92 Wet IB 2001; art. 16, lid 1, en art. 67e, lid 1, AWR. Naar buitenlandse bankrekening van vennootschap overgeboekt bedrag terecht aangemerkt als door belanghebbende genoten bate. Het opzettelijk niet vermelden daarvan in de aangifte levert zowel kwade trouw op als de voor de vergrijpboete vereiste opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2480
NLF 2016/0332 met annotatie van Nicole Gubbels
V-N Vandaag 2016/2174
V-N 2016/53.7
BNB 2016/232
FED 2017/17
mr. G.H. Ulrich annotatie in NTFR 2016/2568

Uitspraak

14 oktober 2016

nr. 15/04807

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z], Zwitserland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 september 2015, nrs. 14/00213, 14/00214 en 14/00215, op het hoger beroep van belanghebbende alsmede het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/5092, AWB 12/5093 en 12/5094) betreffende aan belanghebbende over het jaar 2005 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de bij de tweede navorderingsaanslag gegeven boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling naar aanleiding van de middelen en ambtshalve

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar (2005) tezamen met derden betrokken bij een vastgoedtransactie (hierna: de transactie). Na de afronding van de transactie is door één van de hiervoor bedoelde derden een bedrag van € 7.500.000 betaald op een bankrekening van [E] Holdings n.v. (hierna: Holdings). Belanghebbende was één van de bestuurders van Holdings. Enkele maanden nadien hebben belanghebbende en een medebestuurder van Holdings per faxbericht aan de beheerder van die bankrekening verzocht het bedrag van € 7.500.000 over te boeken van de bankrekening van Holdings naar een Zwitserse bankrekening van [I] n.v. (hierna: [I]), een naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte en aldaar gevestigde vennootschap. [I] heeft op de Nederlandse Antillen de status van off-shore vennootschap waardoor zij onder een voordelig fiscaal regime valt. De aandelen in [I] worden middellijk gehouden door twee trusts waarvan belanghebbende de settlor is.

2.1.2.

Belanghebbende heeft het bedrag van € 7.500.000 niet vermeld in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar (hierna: de aangifte). De aangifte is opgesteld door een belastingadvieskantoor. Nadat belanghebbende ter akkoordbevinding op de voorzijde van het geprinte aangiftebiljet zijn handtekening had geplaatst, is de aangifte door het belastingadvieskantoor langs elektronische weg ingediend.

2.1.3.

Bij het vaststellen van de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd wegens correcties van in totaal € 52.418, waarin begrepen een bedrag wegens privégebruik van een ter beschikking gestelde personenauto (hierna: de correctie privégebruik).

Nadien heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2005 (hierna: de eerste navorderingsaanslag) opgelegd ter zake van genoten inkomen uit aanmerkelijk belang ten bedrage van € 98.503.

De Inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat het bedrag van € 7.500.000 door belanghebbende is genoten als beloning voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de transactie en derhalve bij hem moet worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Op die grond heeft hij ter zake van dat bedrag een nadere navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2005 (hierna: de tweede navorderingsaanslag) vastgesteld en daarbij een vergrijpboete van 50 percent (€ 1.950.000) opgelegd.

Bij het opleggen van de aanslag en de beide navorderingsaanslagen is tevens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 543.091 in aanmerking genomen.

2.1.4.

De Rechtbank heeft het bij haar ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de beide navorderingsaanslagen en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de aanslag en de gelijktijdig met de tweede navorderingsaanslag gegeven boetebeschikking. De aanslag is verminderd wegens een vermindering van de correctie privégebruik, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 329.825. De boete is door de Rechtbank verminderd met 15 percent wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het bedrag van € 7.500.000 heeft genoten als beloning voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de transactie en dat de Inspecteur dit bedrag terecht in 2005 tot het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende heeft gerekend.

2.2.2.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet vermelden van het bedrag van € 7.500.000 in de aangifte kwade trouw in de zin van artikel 16, lid 1, AWR valt te verwijten, zodat de Inspecteur terecht op die grond is overgegaan tot navordering.

2.2.3.

Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende opzettelijk het bedrag van € 7.500.000 niet heeft vermeld in de aangifte en daarmee bewust een onjuiste aangifte heeft gedaan. Derhalve is naar het oordeel van het Hof terecht een boete van 50 percent van de nagevorderde belasting opgelegd, welke boete het Hof passend en geboden acht. In de overschrijding van de hiervoor in 2.1.4 bedoelde redelijke termijn heeft het Hof aanleiding gezien de boete te verminderen met 10 percent, en niet met 15 percent zoals de Rechtbank had gedaan.

2.2.4.

De door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven inzake de correctie privégebruik zijn door het Hof verworpen. De Inspecteur heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat ten onrechte is nagevorderd wegens genoten inkomen uit aanmerkelijk belang.

2.2.5.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd voor zover die betrekking heeft op de aanslag en de eerste navorderingsaanslag. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd voor zover die betrekking heeft op de tweede navorderingaanslag en de boetebeschikking. De tweede navorderingsaanslag is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.829.825, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 543.091. De boete is door het Hof verminderd tot € 1.755.000.

3.1.

Middel I, dat zich richt tegen ’s Hofs hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.2.1.

Middel II richt zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel. Volgens het middel is dat oordeel onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd, omdat de overwegingen van het Hof niet duidelijk maken waarom naar zijn oordeel sprake is van de voor de aanwezigheid van kwade trouw vereiste bewustheid bij belanghebbende.

3.2.2.

Het Hof heeft aan zijn door het middel bestreden oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende het hem toekomende bedrag van € 7.500.000 opzettelijk niet in de aangifte heeft verantwoord en dat hij het heeft doen voorkomen dat dit bedrag een opbrengst van [I] was door dat bedrag te laten overboeken naar een Zwitserse bankrekening van [I]. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [I] niet bij de transactie betrokken is geweest, dat het de keuze van belanghebbende is geweest het bedrag over te laten boeken naar de bankrekening van [I], zonder dat een verplichting daartoe bestond, en dat die keuze is ingegeven door het gunstige voor [I] geldende fiscale regime.

Met deze overwegingen, in samenhang gelezen met zijn door middel I tevergeefs bestreden oordeel, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat sprake is van kwade trouw in de zin van artikel 16, lid 1, AWR doordat bewust, ter vermijding van belastingheffing en in de wetenschap dat indien de Inspecteur op de aangifte zou afgaan, de aanslag te laag zou worden vastgesteld, het door belanghebbende genoten bedrag van € 7.500.000 niet is vermeld in de aangifte, maar in plaats daarvan is voorgewend dat dit bedrag een bate van [I] was. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 4 oktober 2002, nr. 37090, ECLI:NL:HR:2002:AE8365, BNB 2003/84) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Het oordeel brengt tevens mee dat het Hof terecht als niet-pleitbaar heeft verworpen belanghebbendes standpunt dat voormeld bedrag niet door hem is genoten.

Op grond van het vorenstaande faalt middel II.

3.3.1.

Middel III richt zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.2.3 als eerste vermelde oordeel.

3.3.2.

Het middel wordt terecht voorgesteld voor zover het betoogt dat het Hof dat oordeel ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 67d, lid 1, AWR, aangezien de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat de onderhavige boete is opgelegd op grond van artikel 67e, lid 1, AWR en uit het door het middel bestreden oordeel niet blijkt dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat te weinig belasting is geheven, zoals voor toepassing van laatstgenoemde bepaling is vereist.

Het middel kan echter in zoverre niet tot cassatie leiden, aangezien uit ’s Hofs hiervoor in 3.2.2 weergegeven, in cassatie tevergeefs bestreden, oordelen mede volgt dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

3.3.3.

Middel III bestrijdt ten slotte de verwerping door het Hof van belanghebbendes stelling dat hij is bijgestaan door fiscale adviseurs, zodat een onjuiste verantwoording in de aangifte niet aan hem is toe te rekenen.

Het Hof heeft aan zijn hiervoor bedoelde verwerping ten grondslag gelegd dat belanghebbende zelf opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan, doordat hij zelf het aangiftebiljet heeft ondertekend terwijl hij wist dat daarin het bedrag van € 7.500.000 niet was opgenomen als resultaat uit overige werkzaamheden. In samenhang gelezen met ’s Hofs hiervoor in 3.2.2 weergegeven en in cassatie tevergeefs bestreden oordelen, houden die overwegingen in dat het aan de opzet van belanghebbende zelf is te wijten dat te weinig belasting is geheven, omdat hij de aangifte heeft geaccordeerd in de wetenschap dat die aangifte was gebaseerd op het in strijd met de werkelijkheid zijnde uitgangspunt dat het bedrag van € 7.500.000 niet door hem was genoten, zulks ter vermijding van belastingheffing over dat bedrag. Aldus begrepen geven ’s Hofs oordelen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Daarbij verdient opmerking dat, anders dan waarvan het middel uitgaat, het Hof geen gebruik heeft gemaakt van enig bewijsvermoeden. Middel III voor het overige faalt derhalve eveneens.

3.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die bij de aanslag en de eerste navorderingsaanslag zijn geheven, lager zijn dan de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die belanghebbende op grond van ’s Hofs uitspraak is verschuldigd. Uit het hiervoor in 3.1 tot en met 3.3 overwogene volgt dat dat oordeel juist is. Voorts heeft het Hof bij de vermindering van de tweede navorderingsaanslag rekening gehouden met de vermindering van de correctie privégebruik door de Rechtbank. Hiervan uitgaande had het Hof de vermindering door de Rechtbank van de aanslag vanwege de vermindering van de correctie privégebruik ongedaan moeten maken. De Hoge Raad ziet hierin aanleiding de uitspraak van het Hof te vernietigen en te beslissen zoals het Hof had behoren te doen.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover zij betrekking hebben op de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005,

verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond voor zover dat beroep betrekking heeft op die aanslag,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016.