Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2304

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
15/00165
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:979, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:5235, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Schadevergoedingsmaatregel opgelegd terwijl de benadeelde partijen in hun vordering niet ontvankelijk zijn verklaard, art. 36f, tweede lid, Sr. 2. Vorderingen benadeelde partijen en faillissement. Ad 1. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat voldaan is aan het vereiste ex art. 36f.2 Sr dat de verdachte jegens de b.p. naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het hof de b.p. n.o. heeft verklaard in hun vorderingen omdat het beoordelen daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Ad 2. Daarbij verdient opmerking dat de daaraan ten grondslag liggende overweging van het hof omtrent de onduidelijkheid "welk deel van de vorderingen in het faillissement zijn meegenomen" berust op het misverstand dat het antwoord op de vraag of de vorderingen al dan niet ter verificatie in het faillissement zijn ingediend betekenis heeft voor de toewijsbaarheid van die vorderingen nadat het faillissement wegens gebrek aan baten - dus zonder dat vanuit de boedel betalingen konden worden verricht aan de concurrente schuldeisers - is opgeheven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0397
NBSTRAF 2016/230
JIN 2016/228 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NJB 2016/1960
RvdW 2016/1075
JOW 2016/24
NJ 2017/90

Uitspraak

11 oktober 2016

Strafkamer

nr. S 15/00165

IF/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 december 2014, nummer 23/001595-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.

Het middel komt op tegen de door het Hof aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

2.2.

De verdachte is veroordeeld ter zake van oplichting, meermalen gepleegd en ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het Hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard en daarnaast schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Dienaangaande heeft het Hof het volgende overwogen:

"In eerste aanleg hebben zich 111 benadeelde partijen in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, omdat verdachte toen nog verkeerde in staat van faillissement. Een groot deel van deze benadeelde partijen heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het faillissement van de verdachte thans wegens gebrek aan baten is opgeheven. De verdachte heeft nog een openstaande schuld en in die schuld vallen, volgens de verdachte, een groot deel van de vorderingen die de benadeelde partijen op de verdachte hebben. Niet duidelijk is geworden op welk deel van de vorderingen dit ziet. Nader laten onderzoeken welk deel van de vorderingen in het faillissement zijn meegenomen en welk deel niet, vormt naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vordering niet in hoger beroep worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wel staat naar het oordeel van hof vast dat benadeelde partijen, die zich in het strafgeding hebben gevoegd en die hun reissom binnen de bewezen verklaarde periode hebben betaald, schade hebben geleden door het handelen van de verdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte steeds de betaalde reissom aan iedere getroffen benadeelde partij moet terugbetalen. Bij de benadeelden voor wie slechts de terugreis niet mogelijk was, zal het hof de helft van het aan de verdachte betaalde bedrag als geleden schade aanmerken. Het hof zal daarom steeds de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van de betaalde reissom opleggen. Bij de benadeelden voor wie slechts de terugreis niet mogelijk was, zal het hof de maatregel opleggen ter hoogte van de helft van het aan de verdachte betaalde bedrag. Om te voorkomen dat - in het geval van toepassing van vervangende hechtenis - de oplegging van het totaal van deze maatregelen een punitief karakter krijgt, ziet het hof, net als de rechtbank, aanleiding om de vervangende hechtenis steeds te beperken tot 1 dag per slachtoffer."

2.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd. Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat deze benadeelde partijen binnen de bewezenverklaarde periode reissommen hebben betaald voor reizen die zij niet hebben kunnen maken, dat zij aldus schade hebben geleden door het handelen van de verdachte en dat de verdachte mitsdien die reissommen aan iedere getroffen benadeelde partij moet terugbetalen. Op grond hiervan heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat voldaan is aan het in art. 36f, tweede lid, Sr voor oplegging van de maatregel gestelde vereiste dat de verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het Hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun vorderingen omdat het beoordelen daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarbij verdient opmerking dat de daaraan ten grondslag liggende overweging van het Hof omtrent de onduidelijkheid "welk deel van de vorderingen in het faillissement zijn meegenomen" berust op het misverstand dat het antwoord op de vraag of de vorderingen al dan niet ter verificatie in het faillissement zijn ingediend betekenis heeft voor de toewijsbaarheid van die vorderingen nadat het faillissement wegens gebrek aan baten - dus zonder dat vanuit de boedel betalingen konden worden verricht aan de concurrente schuldeisers - is opgeheven.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur

Voor onderzoek door de cassatierechter komen wat de benadeelde partij betreft, alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437, derde lid, Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering.

De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016.