Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2300

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/00801
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:10017, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4:17 Awb. Aan een schriftelijke ingebrekestelling ter activering van de dwangsom te stellen eisen (zie ook HR 10 juni 2016, nr. 15/00425, ECLI:NL:HR:2016:1121, BNB 2016/178, en HR 10 juni 2016, nr. 15/04352, ECLI:NL:HR:2016:1124, BNB 2016/179).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2481
USZ 2016/408
JB 2016/217
NLF 2016/0352 met annotatie van Ton Tekstra
V-N Vandaag 2016/2171
V-N 2016/53.8
Belastingblad 2016/493
BNB 2016/237
FED 2017/3
Mr. W.E. Nent annotatie in NTFR 2016/2502

Uitspraak

14 oktober 2016

nr. 16/00801

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 december 2015, nr. 14/00829, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/3443) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft op 31 mei 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Te dier zake heeft hij op 30 juni 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.

2.1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.

2.1.3.

Vervolgens is tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur uitvoerig gecorrespondeerd over dit bezwaar.

2.2.

Bij uitspraak van 14 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij, op grond van het bepaalde in artikel 4:18 van de Awb, beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. van de Awb. Op het hiertegen door belanghebbende ingestelde beroep heeft de Rechtbank beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden.

3 Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen

4.1.

Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, van de Awb, heeft verbeurd.

4.2.

Het Hof heeft overwogen dat de gemachtigde in een brief van 23 november 2011 en nogmaals in een brief van 15 december 2011 heeft vermeld dat de Inspecteur in gebreke wordt gesteld voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar, maar dat uit die brieven niet kenbaar is op welke te nemen besluiten de ingebrekestelling betrekking heeft. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hem op 9 maart 2012 duidelijk was welke belastingplichtigen de gemachtigde vertegenwoordigde. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het de Inspecteur vanaf dat moment duidelijk moet zijn geweest op welke besluiten de ingebrekestelling betrekking had. Niet is vereist dat nadien door de belanghebbende alsnog een schriftelijke ingebrekestelling wordt ingediend die voldoet aan alle eisen die daaraan worden gesteld, aldus het Hof. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en heeft het deze dwangsom vastgesteld op € 1260.

4.3.

De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de in 4.2 bedoelde oordelen.

4.4.

Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, van de Awb geldt de eis dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (zie HR 10 juni 2016, nr. 15/00425, ECLI:NL:HR:2016:1121, BNB 2016/178, en HR 10 juni 2016, nr. 15/04352, ECLI:NL:HR:2016:1124, BNB 2016/179).

4.5. ’

s Hofs oordeel houdt in dat voormelde elementen van de ingebrekestelling kunnen zijn vervat in verschillende geschriften, waarbij van een ingebrekestelling sprake is – en de ingebrekestelling aan alle daaraan te stellen eisen voldoet – met het geschrift waarin het laatste ontbrekende element is opgenomen. Aldus berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Wil sprake zijn van een ingebrekestelling dan dient het daartoe strekkende geschrift op zichzelf beschouwd voldoende duidelijk te zijn in die zin dat het alle constitutieve elementen, als hiervoor in 4.4 bedoeld, bevat. De middelen slagen in zoverre.

4.6.

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor in onderdeel 4.5 is overwogen volgt dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond is en ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat geen van de brieven van (de gemachtigde van) belanghebbende op zichzelf beschouwd kan worden aangemerkt als ingebrekestelling in de zin van het hiervoor onder 4.4 overwogene. De Inspecteur heeft daarom geen geschrift ontvangen dat als ingebrekestelling is aan te merken. De uitspraak van de Rechtbank dient als gevolg daarvan te worden bevestigd.

6 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016.