Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2294

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
15/04571
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:780, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen geldbedrag onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf? Art. 420bis.1.b Sr. Falende kwalificatieklacht. Op Schiphol worden bij de verdachte tijdens een douanecontrole naast een hoeveelheid contant geld ook skimbenodigdheden aangetroffen. Kennelijk heeft het hof het niet aannemelijk geacht dat het betrokken geldbedrag "onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig" was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu uit het proces-verbaal van de tz. in h.b. noch uit de aan dat proces-verbaal van de tz. gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het hof gebezigde bewijsvoering en het bewezenverklaarde evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Nadere motiveringseisen niet van toepassing (ECLI:NL:HR:2013:150). CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0370
FutD 2016-2483
RvdW 2016/1082
NJB 2016/1955

Uitspraak

11 oktober 2016

Strafkamer

nr. S 15/04571

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2015, nummer 23/004754-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het de beslissingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging betreft, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 1 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

2.2.1.

Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank partieel en met aanvulling van de gronden bevestigd, waarbij ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"feit 1:

hij op 8 september 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 14.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 2:

hij op 8 september 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, voorwerpen en gegevens, te weten:

- een setje precisie gereedschap (voor onder andere mobiele telefoons en laptops) en

- een oplaadbare batterij (onder andere geschikt als voedingsbron voor (een) magneetkaartlezer(s)), en

- meerdere SD-kaarten en

- een laptop, voorzien van handleidingen van apparatuur voor het beschrijven en lezen van magneetstrips, inclusief bijbehorende software voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van enig in artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf."

2.2.2.

Het Hof heeft, door het vonnis van de Rechtbank in zoverre te bevestigen, ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

"Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Op 8 september 2010 wilde verdachte via de groene doorgang van de douanebalie op Schiphol de aankomsthal verlaten. Verdachte is toen aan een douanecontrole onderworpen. Verdachte was vanuit Argentinië naar Madrid gevlogen en heeft aldaar een ticket naar Amsterdam gekocht. Verdachte opende desgevraagd zijn laptoptas. Hierin zijn onder andere een laptop, enkele usb-stekkers, een sim-kaart voor een telefoon en vermoedelijk een CD-rom aangetroffen. Uit kennis en ervaring werd afgeleid dat verdachte met zijn meegevoerde bagage veel overeenkomsten vertoonde met een zogenaamde skimmer. Desgevraagd verklaarde verdachte, dat hij ongeveer € 14.000,- bij zich had en hij liet vervolgens een stapeltje met biljetten van € 500,- zien.

Bij de controle verklaarde verdachte zijn geld te verdienen met het kweken van champignons in Roemenië. Vervolgens verklaarde verdachte dat hij voor vakantie in Argentinië is geweest, dat van het aangetroffen geld € 9.000,- van hemzelf is, dat hij in Spanje € 5.000,- van de familie van zijn vriendin heeft gekregen en dat hij van het geld in Nederland een auto ging kopen. Bij verdachte is een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal € 14.300,-, bestaande uit 28 biljetten van € 500,-, vijf biljetten van € 50,-, één biljet van € 20,-, twintig biljetten van € 10,- en twee biljetten van € 5,-. Onder verdachte is € 14.000,- in beslag genomen evenals onder andere een setje precisie gereedschap, twee SD-kaarten 4GB van het merk Lexar, een mini laptop NC-10 van het merk Samsung en een computeronderdeel.

De goederen die bij verdachte zijn aangetroffen, zijn onderzocht. Hieruit zijn diverse resultaten gekomen.

De twee SD-kaarten zijn door het Forensisch IT-Team (FITT) onderzocht en beide kaarten lijken te zijn gewist; er staan geen direct benaderbare bestanden op. Uit de gereconstrueerde bestanden blijkt dat een bestand een circa drieënhalfuur durende beeldopname van een toetsenbord van een PINterminal bevat waarop de ingetoetste pincode is af te lezen. Verder is er een hersteld tekstbestand aangetroffen dat magneetstripgegevens van bankkaarten bevat.

Op de laptop zijn door het FITT fotobestanden aangetroffen die foto's bevatten van een toetsenbord (pinpad) van een geldautomaat. Voorts zijn documenten aangetroffen die handleidingen bevatten van apparatuur voor het beschrijven en lezen van magneetstrips (kaartlezers) op bankaarten en bijbehorende software, evenals afbeeldingen van kaartlezers en de bijbehorende software. De gereconstrueerde videobestanden bevatten beelden van een camera die gemonteerd is boven een pinapparaat, waarop te zien is dat mensen een betaalpas door een pinapparaat halen en een code intypen.

Naar het in beslag genomen computeronderdeel is onderzoek gedaan. Uit één van de telefoons van verdachte werd bij de niet verzonden sms-berichten een bericht gevonden met de website www.cardreaderfactory.com. Op deze site worden onder andere magneetkaartlezers, leeskoppen voor magneetkaartlezers en oplaadbare batterijen verkocht. Op deze site werd ook een afbeelding gevonden van het in beslag genomen computeronderdeel. Dit blijkt een oplaadbare batterij te zijn die onder andere gebruikt kan worden om als voedingsbron te dienen voor magneetkaartlezers.

Afdeling Fraud Control van Equens SE heeft vastgesteld, dat een aantal van de op één van de in beslag genomen SD-kaarten Zweedse bankkaartnummers betreft en Equens heeft van de Zweedse politie vernomen dat deze bankkaartnummers geskimd zijn.

Naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan Zweden is gebleken, dat deze bankkaartnummers afkomstig zijn van een skimming-incident op 2 en 3 juli 2010 bij het warenhuis van COOP Forum in Jägersro, Skane en dat (pogingen tot) opnames/aankopen gedaan zijn met vervalste bankkaarten in Argentinië op 2 en 3 september 2010 met behulp van genoemde geskimde gegevens. De verliezen voor de banken bedragen (omgerekend) minstens € 56.574,46,-.

Aan de hand van de in- en uitreisstempels in het paspoort van verdachte is vast te stellen dat verdachte in de periode van 25 augustus 2010 tot 7 september 2010 in Argentinië is geweest.

Op 8 september 2010 heeft verdachte ten overstaan van de Belastingdienst/FIOD verklaard, dat er bewijzen vanuit de onderneming van zijn vader zouden komen ten aanzien van het onder hem aangetroffen bedrag van € 14.000,-. Tot op heden is deze aanvullende informatie niet ontvangen.

Op 10 september 2010 heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris verklaard, dat hij het geld bij zich had omdat hij een auto wilde kopen, dat hij het geld deels van thuis had meegenomen en deels van een vriend uit Spanje had gekregen, dat het geld niet van misdrijf afkomstig is en dat hij als toerist naar Argentinië is geweest."

2.2.3.

In aanvulling hierop heeft het Hof in de bestreden uitspraak ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat cliënt enig geldbedrag onder zich heeft gehad waarvan hij wist of moest vermoeden dat dat afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag dat de verdachte 8 september 2010 te Schiphol bij zich had van enig misdrijf afkomstig is.

Op 30 april 2014 [de Hoge Raad leest: 8 september 2010] wilde de verdachte via de groene doorgang van de douanebalie op Schiphol de aankomsthal verlaten. De verdachte is toen aan een douanecontrole onderworpen. De verdachte was vanuit Argentinië naar Madrid gevlogen en heeft aldaar een ticket naar Amsterdam gekocht. De verdachte had op dat moment een geldbedrag van € 14.300,-- bij zich. Van dit geldbedrag heeft de verdachte geen aangifte gedaan bij de Douane, ondanks het bestaan van de verplichting daartoe. Het geldbedrag bestond uit 28 bankbiljetten van € 500,--, vijf biljetten van € 50,--, één biljet van € 20,--, twintig biljetten van € 10,-- en twee biljetten van € 5,--. Onder de verdachte is onder meer € 14.000,-- in beslag genomen.

Het fysiek vervoeren van grote geldbedragen brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico mee. Gelet hierop en gelet op:

- het nalaten van het doen van de verplichte aangifte bij de Douane;

- het niet gebruik maken van gangbaar financieel verkeer;

- de omstandigheid dat de luchthaven Schiphol niet zelden gebruikt wordt voor de in-, uit- en doorvoer van voorwerpen die (on)middellijk uit misdrijf afkomstig zijn;

- de omstandigheid dat criminaliteit veelal gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld in diverse, vaak ook grote coupures van € 500,--, die in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn;

is het hof van oordeel dat meerdere typologieën van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing zijn op basis waarvan een vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd.

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.

De verdachte heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij geld heeft verdiend in de champignonkwekerij van zijn vader in Roemenië. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat van het aangetroffen geldbedrag € 9.000,-- van hemzelf is en dat hij in Spanje € 5.000,-- van de familie van zijn vriendin heeft gekregen. Later heeft de verdachte verklaard dat hij het geld deels van thuis had meegenomen en deels van een vriend uit Spanje had gekregen. Uiteindelijk wordt door de verdediging gesteld dat [betrokkene 1] een geldbedrag van € 9.000 en [betrokkene 2] een geldbedrag van € 5.000,-- aan de verdachte heeft gegeven. De verdachte heeft geen stukken ter onderbouwing van deze verklaringen overgelegd. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld. De verklaring van [betrokkene 2] van 6 februari 2015 maakt vorenstaande niet anders. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman."

2.3.

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de

Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)

2.4.

Kennelijk heeft het Hof met betrekking tot de criminele herkomst niet aannemelijk geacht dat het betrokken geldbedrag "onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig" was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering en het onder 2 bewezenverklaarde evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

2.5.

Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn. Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016.