Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2292

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
16/01841
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:973, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef/geuridentificatieproef. Aanvraag gegrond (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC8789).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Wetboek van Strafvordering 472
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0392
NBSTRAF 2016/233
RvdW 2016/1087

Uitspraak

11 oktober 2016

Strafkamer

nr. S 16/01841 HS

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 11 juni 2004, nummer 07/400187-04, ingediend door A.C. Huisman, advocaat te Deventer, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 4. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" en 5. "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 3] is afgewezen.

2 De aanvraag tot herziening

2.1.

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2.

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de zaak van de aanvrager destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van de onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproeven.

3 De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren.

4 Achtergrond van de aanvraag

Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat door het openbaar ministerie aan een groot aantal onherroepelijk veroordeelden bij brief een mededeling is gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. De onderhavige aanvraag houdt verband met geuridentificatieproeven die weliswaar niet door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland zijn uitgevoerd, maar - naar blijkt uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken - die wel zijn verricht in de periode maart-april 2004 mede door een aan die geurhondendienst verbonden ambtenaar.

5 Aan de beoordeling van de aanvraag voorafgaande beschouwing

5.1.

De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8789, NJ 2008/591). Met betrekking tot de geuridentificatieproeven in de onderhavige zaak dient in gelijke zin te worden geoordeeld.

5.2.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

5.3.

Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is sprake van een beroep op een gegeven als hiervoor onder 5.2 vermeld.

6 Beoordeling van de aanvraag

6.1.

De ten laste van de aanvrager bewezenverklaarde feiten steunen op de bewijsvoering van de Politierechter waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9.

6.2.

Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;

beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016.