Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2283

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
15/02599
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:555, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:1498, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; aansprakelijkheid wegbeheerder. Art. 6:174 en 6:162 BW. Struikeling over elektriciteitskabels naar marktkramen. Geldt risicoaansprakelijkheid van art. 6:174 BW ook voor voorwerpen op de weg? Aansprakelijkheid o.g.v. art. 6:162 BW uit hoofde van algemene zorgplicht. Toepasselijkheid ‘kelderluikcriteria’ in beide gevallen. Verwijzing naar HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik), HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202, NJ 2002/465 (Rook/Staat) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013/366. Toepassing kelderluikcriteria door hof; waarderingen van feitelijke aard.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0291
JA 2017/5 met annotatie van prof. mr. F.T. Oldenhuis
JWB 2016/364
RvdW 2016/1032
NJB 2016/1892
O&A 2016/87
RAV 2017/4
NJ 2017/73

Uitspraak

7 oktober 2016

Eerste Kamer

15/02599

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. N.C. van Steijn,

t e g e n

de GEMEENTE NIJMEGEN,
zetelende te Nijmegen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. R.L. de Graaff en mr. J.A.M.A. Sluysmans.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Gemeente.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/05/238082/HA ZA 13-1 van de rechtbank Oost-Nederland van 6 maart 2013 en van de rechtbank Gelderland van 19 juni 2013;

b. het arrest in de zaak 200.133.213 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 7 juli 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 3 januari 2009 is [eiseres] op de stoep van de Burchtstraat in Nijmegen ten val gekomen doordat zij is gestruikeld over een of meer stroomkabels.

(ii) Deze kabels, eigendom van marktkraamhouders, liepen van een elektriciteitskast, eigendom van de Gemeente, aan de gevelzijde van de stoep van de Burchtstraat naar de marktkramen aan de andere zijde van die stoep.

(iii) Als gevolg van de val heeft [eiseres] letsel opgelopen aan haar knieën.

3.2

[eiseres] houdt in dit geding de Gemeente aansprakelijk voor haar schade op grond van art. 6:174 BW dan wel art. 6:162 BW. Rechtbank en hof hebben de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

3.3.1

Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot de eerstgenoemde grondslag het volgende overwogen. Een openbare weg is een opstal in de zin van art. 6:174 BW. Ook voorwerpen die op, naast of boven de verkeersbaan zijn aangebracht of dienen ter inrichting van de verkeersbaan voor het verkeersgebruik, vallen onder het begrip opstal in de zin van die bepaling. Stroomkabels die ter plaatse worden neergelegd door marktlieden als er markt is, maken geen deel uit van de opstal, nu zij niet vast zijn verbonden met de weg of de weguitrusting en niet dienen ten behoeve van enige functie van de weg. (rov. 4.4) Ook de elektriciteitskasten, hoewel permanent aanwezig en vast verbonden met het wegdek en geplaatst door de Gemeente, maken geen deel uit van de weg(uitrusting), omdat zij niet zijn geplaatst ten behoeve van de weg of van het verkeersgebruik. (rov. 4.5) De omstandigheid dat noch de stroomkabels, noch de elektriciteitskasten deel uitmaken van de weg, brengt mee dat in het midden kan blijven of die weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. (rov. 4.7) Ten overvloede overweegt het hof dat daarvan geen sprake is, nu zich op een marktterrein rondom de marktkramen allerlei voorwerpen kunnen bevinden waardoor de vrije doorgang kan worden belemmerd en voetgangers zich er daarom van bewust zijn, of dat zouden moeten zijn, dat voorzichtigheid geboden is, terwijl de donkere stroomkabels op het lichte wegdek goed zichtbaar waren. Daarom kan niet worden gezegd dat een stoep waarop zich ten tijde van een markt stroomkabels bevinden, niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. (rov. 4.7)

3.3.2

Ten aanzien van de tweede grondslag, art. 6:162 BW, heeft het hof het volgende overwogen. In dit kader dient toetsing aan de kelderluikcriteria plaats te vinden. Toepassing van die criteria op het onderhavige geval brengt niet mee dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de kans dat voetgangers struikelen over de goed zichtbare kabels niet groot is, de kans dat daaruit (ernstige) ongevallen ontstaan evenmin groot is, onvoldoende is gebleken dat de Gemeente veiligheidsmaatregelen had kunnen treffen die een ongeval als het onderhavige hadden kunnen voorkomen en onvoldoende is gebleken dat het risico van (ernstig) letsel zo groot was dat tot zeer vergaande veiligheidsmaatregelen als het ondergronds leggen van de kabels had moeten worden overgegaan. (rov. 4.8) In het midden kan blijven of de marktmeester op de bewuste dag zijn gebruikelijke rondes heeft gemaakt, omdat ook indien dat is gebeurd, daarmee nog niet is uitgesloten dat op een ander moment alsnog een situatie kan ontstaan waardoor iemand kan struikelen. De Gemeente behoefde met het oog daarop geen aanvullende preventieve maatregelen te nemen, mede gelet op de kleine kans dat onoplettendheid hier tot ongevallen leidt. (rov. 4.10) Ook als ervan wordt uitgegaan dat de stroomkabels op de dag van het ongeval niet goed zichtbaar waren omdat het druk was op de markt en [eiseres] daardoor geen goed zicht had op het trottoir voor zich, behoefde de Gemeente geen verdergaande maatregelen te treffen. Een voetganger die zich in zo’n situatie bevindt, dient nog meer dan anders op te letten waar hij zijn voeten plaatst. (rov. 4.11) De omstandigheid dat de Gemeente niet eerder klachten heeft gehad over struikelgevaar op de markt, wijst erop dat ongevallen zoals dit weinig voorkomen en dat de kans daarop dus gering is. (rov. 4.13)

3.4

De onderdelen 1 tot en met 3 richten zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat geen aansprakelijkheid van de Gemeente bestaat onder art. 6:174 BW. Zij bevatten onder 1.1 en 3.1 onder meer de klacht dat het hof had behoren te onderzoeken of de openbare weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, mede gelet op het feit dat daarop een elektriciteitskast van de Gemeente was geplaatst die voorzag in de stroomvoorziening van de naastgelegen markt.

3.5.1

Bij de beoordeling van die klacht wordt het volgende vooropgesteld.

3.5.2

Op de wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 (Bussluis)). Deze verplichting is in art. 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), rov. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)).

3.5.3

Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, rov. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013, 366).

3.5.4

De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge art. 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. Die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. De aanwezigheid op een openbare weg van een voorwerp dat niet behoort tot de weg in de zin van art. 6:174 BW en dat gevaar schept voor personen of zaken, is derhalve niet een gebrek van de weg als bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW (vgl. met betrekking tot ijzel op de weg HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202, NJ 2002/465 (Rook/Staat), rov. 3.3).

3.5.5

De wegbeheerder kan echter, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, wel aansprakelijk zijn voor de aanwezigheid van - niet van de weg, het weglichaam of weguitrusting deel uitmakende - voorwerpen op de weg op grond van art. 6:162 BW. Terzake zal hem dan het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat hij in de nakoming van deze plicht is tekortgeschoten.

3.5.6

Indien de wegbeheerder bekend is met de aanwezigheid van het voorwerp op de weg, zoals in deze zaak de Gemeente met de aanwezigheid van de elektriciteitskabels, zijn voor de beoordeling van zijn aansprakelijkheid voor schade die ontstaat door verwezenlijking van het gevaar dat van die aanwezigheid uitging, van belang in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is (de ‘kelderluikcriteria’). Daarbij kunnen ook de herkomst, aard en functie van een dergelijk voorwerp een rol spelen, alsmede de ligging, functie, fysieke toestand en het te verwachten gebruik van de weg.

3.6

Het hof heeft geoordeeld dat de kabels waarover [eiseres] is gevallen en de elektriciteitskast waarop deze waren aangesloten, niet behoorden tot de weg, het weglichaam of de weguitrusting. Gelet hierop en op het hiervoor in 3.5.4 overwogene, behoefde het hof niet te onderzoeken of de weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en of de Gemeente daarom op grond van art. 6:174 BW voor de aanwezigheid van de kabels en de elektriciteitskast aansprakelijk is. Reeds hierop stuiten de onderdelen 1.1 en 3.1 af. Overigens heeft het hof in rov. 4.7, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de kabels en kast wél deel uitmaakten van de openbare weg, ten overvloede onderzocht of de weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen.

3.7.1

Onderdeel 4 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de Gemeente niet aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW. Het bevat hoofdzakelijk klachten over de wijze waarop het hof toepassing heeft gegeven aan de hiervoor genoemde kelderluikcriteria.

3.7.2

Deze klachten falen. De desbetreffende oordelen van het hof geven geen blijk ervan dat het hof de daarbij te hanteren gezichtspunten (zie hiervoor in 3.5.6) heeft miskend en geven ook overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Deze oordelen kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en, mede in het licht van het debat van partijen, voldoende gemotiveerd.

3.8

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.E. du Perron en M.J. Kroeze en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 7 oktober 2016.