Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2243

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
15/04397
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:948, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Machtiging ex. art. 279 Sv. Art. 279 Sv stelt geen verdergaande eisen dan dat een advocaat die een ttz. niet verschenen verdachte wenst te verdedigen, dient te verklaren daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:HR:NL:2003:AF9559 inhoudende dat met deze wettelijke regeling zich niet verdraagt dat de rechter een onderzoek instelt omtrent de vraag of de advocaat deze verklaring naar waarheid heeft afgelegd. In het licht hiervan en mede gelet op het belang dat art. 279 Sv beoogt te waarborgen, te weten dat een ttz. niet verschenen verdachte zich toch aldaar kan laten verdedigen door een advocaat, is het oordeel van het Hof dat hetgeen door de raadsman dienaangaande is aangevoerd aldus moet worden verstaan dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is i.d.z.v. art. 279 Sv, onbegrijpelijk. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 279
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0365
JIN 2016/204 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NBSTRAF 2016/227
NJ 2016/445
NJB 2016/1897
RvdW 2016/1046

Uitspraak

4 oktober 2016

Strafkamer

nr. S 15/04397

IF/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2015, nummer 23/000259-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de raadsman van de ter terechtzitting in hoger beroep niet verschenen verdachte niet in de gelegenheid heeft gesteld het woord tot verdediging te voeren, althans dat de beslissing van het Hof dienaangaande onbegrijpelijk is.

2.2.1.

De verdachte is door de Politierechter in de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, bij vonnis van 16 januari 2015 ter zake van "mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250-, en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dit bedrag.

2.2.2.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft hem in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Nu door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend, mondeling geen bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal de verdachte gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep."

2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"De verdachte (...) is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

(...)

Door de advocaat-generaal wordt een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring aan het hof overgelegd. Deze afstandsverklaring wordt aan het dossier toegevoegd.

Desgevraagd deelt de raadsman mede:

Ik was er vanuit gegaan dat de verdachte vandaag ter terechtzitting aanwezig zou zijn. Hij wist dat hij hier moest zijn. Ik heb zojuist geprobeerd contact met hem te krijgen, maar dat lukt niet. Ik voel mij niet gemachtigd de verdediging voor de verdachte te voeren.

Ik heb regelmatig contact met de verdachte. Afgelopen vrijdag heb ik hem voor het laatst gesproken. We hebben toen afgesproken dat ik vandaag een half uur vóór de zitting aanwezig zou zijn, zodat we samen de zaak door konden spreken. Ik kan mij niet voorstellen dat hij vandaag niet bij de zitting aanwezig wil zijn.

De voorzitter merkt op dat er weliswaar geen datum op de afstandsverklaring staat, maar dat het parketnummer overeenkomt met het parketnummer van de zaak die vandaag aan de orde is.

De raadsman deelt mede:

Ik vraag mij af of de verdachte ervan op de hoogte is dat hij in geval van ziekte geen afstandsverklaring moet tekenen maar een verzoek om aanhouding kan doen.

Het hof constateert bij monde van de voorzitter dat de verdachte van de zitting op de hoogte is en dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De advocaat-generaal deelt mede:

Ik constateer dat de verdachte goed is opgeroepen en dat de verdachte een afstandsverklaring heeft getekend. De zaak kan in principe worden afgedaan. Ik interpreteer de opmerkingen van de raadsman als een verzoek om aanhouding. Ik stel mij op het standpunt dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Het gaat in dit geval niet om een bijzonder grote zaak en de zaak wordt steeds ouder. Uit het dossier en hetgeen de raadsman vandaag ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, kan ik niet opmaken waarom de verdachte, in weerwil van de door hem ondertekende afstandsverklaring, vandaag wel ter terechtzitting aanwezig zou willen zijn.

Desgevraagd deelt de raadsman mede:

Ik verzoek u de zaak aan te houden, ik word overvallen door de afstandsverklaring. Ik zal tijdens de (...) onderbreking van de zitting contact te zoeken met de familie van de verdachte.

Het hof onderbreekt de zitting.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen, nu de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht ter terechtzitting aanwezig te zijn en er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verdachte zich desondanks op zijn aanwezigheidsrecht wil beroepen.

Desgevraagd deelt de raadsman mede:

De broer van de verdachte heeft mij net aan de telefoon verteld dat ik gemachtigd ben. Deze broer heeft hierover niet met de verdachte gesproken. Gelet op de relatie die ik met verdachte heb, voel ik mij nu wel gemachtigd.

De advocaat-generaal deelt mede:

De essentie van een machtiging, ligt naar mijn mening in de goedkeuring van de verdachte dat zijn strafzaak wordt behandeld buiten zijn aanwezigheid, maar in tegenwoordigheid van zijn raadsman. De raadsman zegt in dit geval echter zelf dat hij zich niet kan voorstellen dat de verdachte wil dat de zaak doorgang zal vinden. Derhalve is volgens mij van een machtiging geen sprake.

Desgevraagd deelt de raadsman mede:

Ik heb niet gezegd dat de broer van de verdachte mij heeft gemachtigd. Ik heb de broer wel gesproken. Naar mijn mening kan de verdachte mij impliciet machtigen. De verdachte was ervan op de hoogte dat ik vandaag zijn verdediging zou voeren. Hij heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en gelet op onze relatie ga ik er vanuit dat ik gemachtigd ben de verdediging te voeren.

De broer van de verdachte vertelde mij zojuist dat hij vanochtend nog contact heeft gehad met de verdachte, maar dat de verdachte niets heeft gezegd over de zitting van vandaag. Het klopt dat zij niet hebben gesproken over de machtiging. Nogmaals, ik acht mij, gelet op onze relatie, impliciet gemachtigd de verdediging te voeren.

Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof van oordeel is dat de raadsman niet uitdrukkelijk gevolmachtigd is in de zin van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering nu de raadsman zich aanvankelijk niet gemachtigd heeft gevoeld om de verdediging te voeren doch na het spreken met de broer van de verdachte - welke broer zelf niet met de verdachte heeft gesproken over een machtiging - de raadsman zich slechts impliciet gemachtigd voelt om de verdediging te voeren.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De voorzitter merkt op dat in de zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend."

2.4.1.

Art. 279, eerste lid, Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt:

"De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in, onverminderd het bepaalde in artikel 278, tweede lid."

2.4.2.

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling kan het volgende worden ontleend:

"Op basis van de aard en de intensiteit van de daaruit voortvloeiende contacten tussen raadsman en cliënt zal de raadsman op de terechtzitting te kennen moeten geven of hij zich in staat acht de verdediging van zijn cliënt te voeren.

(...)

Het wordt inderdaad aan de verantwoordelijkheid van de raadsman overgelaten te beoordelen in welke gevallen hij zich in staat acht de verdediging adequaat te voeren. Een raadsman die te kennen geeft daartoe door de verdachte te zijn gemachtigd wordt op zijn woord geloofd. In dit stelsel kan er derhalve geen onduidelijkheid bestaan over de vraag of de verdediging wordt gevoerd of niet (...)

De mogelijkheid dat een advocaat de grenzen van zijn machtiging heeft overschreden behoeft naar mijn mening geen afzonderlijke voorziening in het Wetboek van Strafvordering. Uitgangspunt dient te blijven dat de raadsman zijn werk naar behoren verricht. In het wetboek zijn evenmin voorzieningen opgenomen voor de raadsman die bepaalde vormfouten over het hoofd ziet, geen beroep doet op wellicht aanwezige strafuitsluitingsgronden ofwel geen melding maakt van strafverlichtende omstandigheden.

Ook voor de advocaat die zonder daartoe gegeven opdracht appel of cassatie in stelt, bestaat geen désaveuprocedure. Het is bij uitstek de taak van de tuchtrechter om te beoordelen of in het concrete geval een beroepsfout is gemaakt en of deze aan betrokkene kan worden toegerekend."

(Kamerstukken II, 1996-1997, 24 692, nr. 6, p. 5-8)

2.4.3.

Art. 279 Sv stelt geen verdergaande eisen dan dat een advocaat die een ter terechtzitting niet verschenen verdachte wenst te verdedigen, dient te verklaren daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Kennelijk steunt de toekenning van deze faciliteit op de gedachte dat een advocaat een juist en verantwoord gebruik zal maken van deze hem toegekende bevoegdheid. Met deze wettelijke regeling verdraagt zich niet dat de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie een onderzoek instelt omtrent de vraag of de advocaat deze verklaring naar waarheid heeft afgelegd.

(Vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9559, NJ 2003/724.)

2.5.

In het licht hiervan en mede gelet op het belang dat art. 279 Sv beoogt te waarborgen, te weten dat een ter terechtzitting niet verschenen verdachte zich toch aldaar kan laten verdedigen door een advocaat, is het oordeel van het Hof dat hetgeen door de raadsman dienaangaande is aangevoerd aldus moet worden verstaan dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is in de zin van art. 279 Sv, onbegrijpelijk.

2.6.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2016.