Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
15/05980
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:494, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:3918, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Partneralimentatie en kosten jongmeerderjarige. Is “behoeftigheid” van jongmeerderjarige vereist? Art. 1:392 lid 2 BW in verbinding met art. 1:395a BW. Onbegrijpelijk oordeel hof met betrekking tot berekening partneralimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0260
JIN 2016/219 met annotatie van R. Mulder
JPF 2017/8 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
NJB 2016/1837
JWB 2016/350
NJ 2016/441
RvdW 2016/1035
RFR 2017/5

Uitspraak

30 september 2016

Eerste Kamer

15/05980

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [de man] ,

2. [de jongmeerderjarige] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur.

Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de jongmeerderjarige en verweerster als de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak C/01/272498/FA RK 13-6747 van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2014;

b. de beschikking in de zaak F 200.163.852/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2015.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben de man en de jongmeerderjarige beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 23 juni 2016 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn in 1989 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is, voor zover thans van belang, op [geboortedatum] 1996 de jongmeerderjarige geboren.

(ii) Het huwelijk is op 6 augustus 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 juli 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2010 een bedrag van € 480,-- per maand moet voldoen en als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 296,-- per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

3.2.1

Bij beschikking van 31 oktober 2014 heeft de rechtbank de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van de jongmeerderjarige met ingang van 1 september 2013 op nihil gesteld op de grond dat de jongmeerderjarige vanaf die datum zijn hoofdverblijf bij de man had, en bepaald dat de vrouw met ingang van 1 september 2013 ten behoeve van de jongmeerderjarige € 30,77 per maand aan de man dient te voldoen.
Het verzoek van de man om de partneralimentatie op nihil te stellen is bij die beschikking afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft, voor zover thans van belang, bepaald dat de vrouw ten behoeve van de jongmeerderjarige aan de man € 30,77 per maand moet voldoen voor de periode van 1 september 2013 tot 1 december 2013, en vanaf 1 december 2013 tot 1 juli 2015 bedragen van achtereenvolgens € 133,--, € 134,20 en € 135,27 per maand. Het hof heeft de bijdrage van de vrouw in de kosten van de jongmeerderjarige met ingang van 1 juli 2015 op nihil gesteld.

Ten aanzien van de partneralimentatie heeft het hof bepaald dat de man voor de periode van 1 september 2013 tot 1 december 2013 een bedrag van € 307,68 per maand dient te voldoen, vanaf 1 december 2013 tot 1 januari 2014 een bedrag van € 150,-- per maand en vanaf 1 januari 2014 een bedrag van € 151,-- per maand.

3.3.1

Onderdeel I komt op tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de bijdrage van de vrouw in de kosten van de jongmeerderjarige. Het hof heeft in dat verband onder meer het volgende overwogen.

“Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. levensonderhoud en studie

Behoefte jongmeerderjarige

3.8

De behoefte van de jongmeerderjarige ad € 480,- per maand (2010) is in hoger beroep niet in geschil.

3.9 (…)

Behoeftigheid jongmeerderjarige

3.10

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de jongmeerderjarige vanaf 1 juli 2015 in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

3.11

Het hof overweegt dat de jongmeerderjarige eind juni 2015 zijn opleiding heeft afgerond, dat hij met ingang van 22 juni 2015 een arbeidsrelatie is aangegaan met een drukkerij en dat hij niet solliciteert. Verder overweegt het hof dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat de trajectbegeleider van de jongmeerderjarige heeft aangegeven dat de jongmeerderjarige niet verder gaat studeren. Het hof is dan ook van oordeel dat de jongmeerderjarige met ingang van 1 juli 2015 redelijkerwijs geheel in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.”

3.3.2

Onderdeel I.1 klaagt dat voor zover het hof heeft bedoeld te oordelen dat de jongmeerderjarige vanaf juli 2015 niet (meer) behoeftig is, het heeft miskend dat op grond van art. 1:392 lid 2 BW behoeftigheid van jongmeerderjarigen niet is vereist. Volgens het onderdeel had het hof de behoeftigheid van de jongmeerderjarige niet ter discussie mogen stellen.

3.3.3

Het hof heeft in rov. 3.11, zoals mede blijkt uit het kopje boven rov. 3.10, geoordeeld over de behoeftigheid van de jongmeerderjarige. Op grond van art. 1:392 lid 2 BW in verbinding met art. 1:395a BW speelt de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van de ouders. Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien, bijvoorbeeld door te werken. De klacht is dus gegrond.

3.3.4

De gegrondheid van onderdeel I.1 brengt mee dat ook onderdeel I.3 slaagt.

3.4.1

Onderdeel II is gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de partneralimentatie. Het hof heeft in dat verband, samengevat en voor zover thans van belang, het volgende overwogen.

De behoefte van de vrouw van € 296,-- per maand is niet in geschil. (rov. 3.21)

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om genoemd bedrag te voldoen. (rov. 3.22)

Het hof gaat voor de periode vanaf december 2013 uit van een jaarinkomen van de man (een WW-uitkering) van € 26.207,--. Het inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 1.617,-- per maand, rekening houdend met de vaste lasten van de man. (rov. 3.24 en 3.26)

De man heeft een draagkrachtruimte van € 257,-- per maand. Ter zake van de door de man te dragen kosten van de jongmeerderjarige gaat het hof uit van het door de man begrote bedrag van € 67,-- per maand. Voor partneralimentatie resteert dan een bedrag van € 87,-- per maand. (rov. 3.27)

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit fiscaal voordeel, heeft de man draagkracht om € 150,-- per maand aan partneralimentatie te betalen, welk bedrag per 1 januari 2014 respectievelijk 1 januari 2015 wordt gesteld op € 151,-- respectievelijk € 152,-- per maand. (rov. 3.28-3.29)

3.4.2

Onderdeel II.6.2 klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 3.27 ter zake van de door de man te dragen kosten van de jongmeerderjarige ten bedrage van € 67,-- per maand.

3.4.3

De klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 3.17 geoordeeld dat het eigen aandeel van de man in de kosten van de jongmeerderjarige voor de periode vanaf 1 december 2013 € 147,35 per maand bedraagt. Zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk waarom het hof in rov. 3.27 voor die periode uitgaat van een bijdrage van de man van € 67,-- per maand.

3.4.4

De gegrondheid van onderdeel II.6.2 brengt mee dat ook onderdeel II.6.4 slaagt.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 1 oktober 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.